‘Daar nadert het drietal in de gouden koets, weergaloos door haar sierlijke vormen, haar smaakvollen pronk en hare koninklijke weelde,’ schreef het Algemeen Handelsblad in 1901 over de aankomst van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Op 7 februari 1901, hun trouwdag, werd de Gouden Koets voor het eerst ingezet.

Maar ook in zijn eigen tijd was het rijtuig al omstreden. Niet in de laatste plaats omdat Wilhelmina zelf had laten weten geen cadeau van het volk te willen aannemen. Dit is het verhaal van de koets die door critici smalend de ‘gouden kwartjeswagen’ werd genoemd.

Een cadeau dat de koningin niet wilde

Na het overlijden van koning Willem III was Wilhelmina nog te jong om te regeren. Haar moeder Emma trad op als regentes tot Wilhelmina’s achttiende verjaardag. Op 6 september 1898 stond de inhuldiging van de jonge koningin gepland. Het idee ontstond om haar die dag een luxueus galarijtuig aan te bieden, vervaardigd door rijtuig- en autofabrikant Spijker.

Wilhelmina zat daar echter niet op te wachten. In november 1896 meldde Het Volksdagblad, op basis van een verklaring van het hof, dat ieder geschenk ‘beslist geweigerd zal worden’. Een gouden koets paste niet bij haar wens om soberheid en onafhankelijkheid uit te stralen.

Het ‘volkscadeau’ als publiek offensief

Toch kwam de Gouden Koets er. Dat gebeurde mede dankzij een publiek offensief van Spijker. Volgens mobiliteitshistoricus Vincent van der Vinne werd het verhaal verspreid dat de koets een initiatief van het volk was: Amsterdammers zouden elk een kwartje doneren om het rijtuig mogelijk te maken. En tegen zo’n collectief eerbetoon kon een koningin moeilijk nee zeggen.

In 1897 draaide Wilhelmina bij, onder druk van de nieuw opgerichte Vereeniging van het Amsterdamsche Volk tot het Aanbieden van een Huldeblijk. Een volksgeschenk afwijzen zou een vorst onwaardig zijn.

aankomst van wilhelmina voor de kerkelijke inzegening
Publiek Domein
Wilhelmina komt aan bij de Grote of Sint-Jacobskerk in Den Haag op 7 februari 1901, haar huwelijksdag.

Wel stelde Wilhelmina een duidelijke voorwaarde: de koets zou niet op de kroningsdag worden aanvaard, maar pas later, ‘met erkentelijkheid’, zoals het Algemeen Handelsblad schreef.

Kwartjes, aandelen en commerciële belangen

De financiering verliep via de verkoop van certificaten. Voor 25 cent kreeg men een aandeel met daarop de afbeelding van de koningin en de koets. Voor arbeiders, die rond de 16 cent per uur verdienden, was dat geen gering bedrag. In ruil kwamen hun namen in een gedenkboek en mochten zij de koets later bewonderen.

Toch is het volgens Van der Vinne onwaarschijnlijk dat het volledige bedrag – naar schatting 50.000 tot 70.000 gulden – uitsluitend met kwartjes is opgehaald. Hij vertelt aan Trouw dat er simpelweg te weinig inwoners waren om dat bedrag bij elkaar te sparen. In werkelijkheid werd het project deels gefinancierd door aandeelhouders van Spijker, die hoopten hun investering terug te verdienen via tentoonstellingen van het rijtuig.

Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!

Die commerciële insteek werd ook destijds al bekritiseerd. Het socialistische blad Recht voor Allen schreef in januari 1897 dat de volkscommissie slechts diende ‘om den schijn aan te geven van een volksgeschenk’, en dat de koets vooral een particuliere onderneming van rijtuigfabrikanten leek.

De ‘gouden kwartjeswagen’

In socialistische kringen werd de koets fel veroordeeld. Het geld had volgens critici beter besteed kunnen worden aan huisvesting voor arbeidersgezinnen. Kranten riepen lezers op hun kwartjes in de zak te houden.

inhuldiging juliana in de gouden koets
Publiek Domein
Hoewel de koets in eerste instantie niet van harte in ontvangst werd genomen, is hij veelvuldig gebruikt. In 1903 wordt het rijtuig voor het eerst ingezet tijdens Prinsjesdag, een traditie die tot 2016 zal duren. Bovenstaande foto is genomen op 6 september 1948, de dag waarop Juliana het stokje overneemt van haar moeder Wilhelmina.

Tegelijkertijd waren er ook bewonderaars. Toen de koets in augustus 1898 werd onthuld in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam, sprak het Nederlandsche Dagblad vol lof over ‘de grootheid van de Hollandsche kunst’.

Binnen vier dagen bezochten meer dan zevenduizend mensen de tentoonstelling. De entreeprijs – in sommige gevallen oplopend tot vijf gulden – leverde aanzienlijk geld op.

Van controverse naar koninklijk symbool

Wilhelmina zelf kwam een dag na haar inhuldiging kijken, maar pas drie jaar later zou zij daadwerkelijk plaatsnemen in de koets. Op 1 februari 1901 werd het rijtuig per trein van Amsterdam naar Den Haag vervoerd, ter voorbereiding op haar huwelijk met prins Hendrik.

gouden koets wordt klaargemaakt voor huwelijk van beatrix en claus
Koch, Eric / Anefo / Nationaal Archief
In 1966 wordt de koets wederom voor een huwelijk gebruikt: koningin Beatrix trouwt met prins Claus. Tijdens het transport naar Amsterdam waren de gouden ornamenten op het dak verwijderd.

Op 7 februari 1901 maakte de Gouden Koets zijn eerste officiële rit, van Paleis Noordeinde naar de Grote of Sint-Jacobskerk. Langs de route stonden duizenden mensen. Het Algemeen Handelsblad beschreef hoe de koets aan het einde van de dag weer wegreed, met een zegen voor het jonge paar en een luid ‘Oranje boven’.

Vanaf dat moment groeide de Gouden Koets uit tot een nationaal symbool – geliefd door velen, bekritiseerd door anderen. Een rijtuig dat niet alleen een koninklijk verhaal vertelt, maar ook iets onthult over geld, macht en publieke opinie aan het begin van de twintigste eeuw.

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!