‘Doe open, in naam van Oranje!’ klinkt het voor de poort. De inwoners van Den Briel – het huidige Brielle – weten niet wat hen overkomt. Er staan watergeuzen voor de stadsmuren die overgave eisen van de stad. Wie zijn deze rebellen? En wat doen ze bij Den Briel?
In de zestiende eeuw behoren de Lage Landen tot het Spaanse Rijk. Keizer Karel V wil dit enorme gebied verbinden door één gemeenschappelijke godsdienst aan te houden: het katholieke geloof. In de Spaanse Nederlanden wonen echter vooral calvinisten. Deze ‘ketters’ worden door de Spaanse inquisitie vervolgd en op de brandstapel verbrand.
Maar Karel V is ontevreden over de voortgang van de inquisitie. Zodoende vervangt hij de gematigde landvoogdes Margaretha van Parma door Fernando de Toledo, de hertog van Alva. Laatstgenoemde regeert met harde hand, en onder zijn bewind worden de kettervervolgingen drastisch opgevoerd. In 1567 richt Alva de ‘Raad van Beroerten’ op, een speciale rechtbank die ketters vervolgt en hun eigendommen confisqueert. Door het hoge aantal terechtstellingen staat deze raad ook bekend als de ‘bloedraad’.
Wie waren de watergeuzen?
Veel protestanten, waaronder Willem van Oranje, wachten hun arrestatie niet af en vluchten naar Engeland of de Duitse gebieden. Een aantal vluchtelingen – waaronder werkloze zeelui, verbannen edelen en doodgewone criminelen – verenigt zich en zoekt toevlucht op zee.
Deze vluchtelingen noemen zichzelf ‘watergeuzen’ en overvallen vanuit het Engelse Dover katholieke kerken, Spaansgezinde nederzettingen en Spaanse vrachtschepen. De buitgemaakte schepen en hun lading worden vervolgens in Engeland verkocht.
Leestip: Het Wilhelmus is een van de oudste volksliederen ter wereld – zo ontstond het
De watergeuzen zijn zo succesvol dat ze vrijwel de hele graanhandel tussen het Spaansgezinde Amsterdam en de Oostzee plat weten te leggen. Hierdoor stijgen de prijzen in de stad, en dient het stadsbestuur bij de hertog van Alva een klacht in over de watergeuzen. Laatstgenoemde heeft echter net de huurlingenlegers van Willem van Oranje verslagen, en hecht weinig belang aan de watergeuzen, die ook wel gekscherend ‘waterganzen’ worden genoemd.
Willem van Oranje herkent de invloed van de watergeuzen wel, en geeft enkele kapiteins kaperbrieven, waarmee hij ze toestemming geeft om in zijn naam en onder het Oranje-Blanje-Bleu (de Prinsenvlag) Spaanse schepen te overvallen. In ruil daarvoor dragen de watergeuzen een derde van hun inkomsten af aan de oorlogskas van de prins.
Verbannen uit Engeland
Hoewel de Engelse koningin Elisabeth officieel alle steun aan de geuzen verbiedt, laat ze de protestantse geuzen oogluikend in haar havens toe. In 1572 verandert dit: Elisabeth vermoedt dat de Spaanse koning Filips II van plan is om Engeland binnen te vallen, en besluit vrede te sluiten. Zodoende worden de watergeuzen datzelfde jaar nog uit Dover verbannen.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
De watergeuzen moeten nu op zoek naar een nieuwe uitvalsbasis en besluiten om een Hollandse havenstad op de Spanjaarden te veroveren. Vanuit deze nieuwe thuishaven willen ze vervolgens doorgaan met het kapen van schepen.
Het oog valt op Enkhuizen: ‘de sleutel der Zuiderzee’. Vanuit deze havenstad heeft men immers toegang tot de Zuiderzee, de Noordzee en de Waddenzee. De geuzenvloot zet zo, onder leiding van Willem II van der Marck, bijgenaamd ‘Lumey’, koers richting het Vlie.
De verovering van Den Briel
Maar het lot besluit anders. De wind draait en de watergeuzen drijven af richting het zuiden. Lumey en zijn manschappen komen uiteindelijk op 1 april 1572 bij de monding van de Maas terecht en varen deze op tot Den Briel. Hier treffen de watergeuzen toevallig Jan Pieterszoon Koppelstock, de veerman uit het nabijgelegen Maassluis.
Koppelstock benadert de vloot, en meldt dat het Spaanse garnizoen van Den Briel de dag ervoor naar Utrecht is vertrokken. De veerman beweert dat er slechts enkele Spaanse soldaten in de stad verblijven en dat deze eenvoudig in te nemen is. Daar stemt Lumey in toe: in Den Briel zijn voldoende kloosters en katholieke kerken om te plunderen.
Koppelstock vertrekt naar Den Briel en eist in naam van de watergeuzen de stad op. Om het twijfelende stadsbestuur onder druk te zetten, beweert Koppelstock dat er maar liefst vijfduizend watergeuzen voor de poort staan. Dat is flink overdreven, maar dat weet men in Den Briel niet. Geuzenmatroos Claes Hermans van Sescamp dient onder Lumey en beschrijft later dat de geuzenvloot ‘slechts uit driehonderd man bestond’.
Maar dat aantal blijkt voldoende te zijn: diezelfde avond beuken de watergeuzen met een scheepsmast de Noorderpoort open. Onder luid gejuich trekt men de stad binnen. De Spaanse soldaten en Spaansgezinde burgers zijn ondertussen de stad al ontvlucht.
De opstand breekt uit
Nieuws over de verovering van Den Briel verspreidt zich razendsnel door de Lage Landen. Hoewel de hertog van Alva niet onder de indruk lijkt te zijn – hij zou ‘Het is niets’ gezegd hebben –, is het volk in de Lage Landen dat wel. Men lijdt onder de zware vervolgingen van Alva, en sympathiseert in het geheim met de watergeuzen.
Leestip: 3 oktober is het Leidens Ontzet – wat wordt er gevierd?
De verovering van Den Briel zorgt voor een vonk die een bredere opstand doet ontsteken: binnen enkele weken verklaren steden als Vlissingen, Enkhuizen, Gorkum, Hoorn, Alkmaar, Gouda, Leiden en talloze andere zich voor de Prins van Oranje. Het blijkt een belangrijk keerpunt in een conflict dat zal uitgroeien tot de Tachtigjarige Oorlog.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!











