Geschiedenis en Cultuur

Het ware verhaal achter het ‘huis der apostelen’

Hebben archeologen de woonplaats van de Bijbelse discipelen Petrus en Andreas ontdekt? donderdag, 9 november 2017

Door Kristin Romey

Volgens een recent Israëlisch krantenbericht is het verloren gewaande ‘huis van de apostelen’ gevonden. Maar terwijl de feitelijke ontdekking lang niet zo spectaculair is als veel krantenkoppen ons willen doen geloven, wakkeren de nieuwe bevindingen wel het lopende debat over de locatie van een van de belangrijkste steden uit het Nieuwe Testament aan. Wat we tot nu toe weten, is hieronder op een rijtje gezet:

Is er werkelijk een huis ontdekt waar de apostelen van Jezus hebben gewoond?

Nee, zegt de historische geograaf van de opgravingen in El-Araj, een vindplaats aan de noordoever van het Meer van Galilea (of Meer van Tiberias, Meer van Kinneret) in de rivierdelta van de Jordaan.

“We hebben die krantenkop niet geschreven,” schrijft Steven Notley, een gerenommeerd expert in de oorsprong van het Nieuwe Testament en het christendom aan het Nyack College en academisch hoofd van de opgravingen in El-Araj, in een e-mail aan National Geographic.

Onderzoekers die sinds 2016 op deze plek opgravingen doen, denken in plaats daarvan de stad Bethsaïda te hebben gevonden, die in het Nieuwe Testament wordt omschreven als de geboorteplaats van de apostelen Petrus, Andreas en Philippus.

Volgens het Evangelie was Bethsaïda de geboorteplaats van de eerste apostelen en ook de plek waar Jezus een blinde man zou hebben genezen.

Terwijl de locatie van Kapernaüm, een ander vissersdorp in Galilea dat geregeld in het Evangelie wordt genoemd, al in de vroege twintigste eeuw werd geïdentificeerd, is de locatie van Bethsaïda nog altijd omstreden.

Dus waarom is de nieuwe ontdekking zo interessant?

Archeologen zeggen dat ze in El-Araj een Romeins badhuis (uit de 1e tot de 3e eeuw na Chr.) hebben ontdekt. Dat zou erop kunnen wijzen dat op deze plek ooit een stad van aanzienlijke omvang lag – en zeer waarschijnlijk het oude Bethsaïda.

De Joodse historicus Josephus, die aan het einde van de 1e eeuw na Chr. leefde, beschreef hoe het kleine vissersdorp Bethsaïda onder de heerschappij van Philippus de Tetrarch in 30 na Chr. een Grieks-Romeinse stad of polis werd. Philippus, de zoon van Herodes de Grote, gaf de stad de nieuwe naam Julias, ter ere van de moeder van de Romeinse keizer Tiberius, en hij werd er na zijn dood ook begraven.

“Het badhuis wijst op het bestaan van een stedelijke cultuur,” verklaarde de directeur van de opgravingen in El-Araj, Mordechai Aviam van het Kinneret Institute for Galilean Archaeology, tegenover de Israëlische krant Haaretz.

Maar is er niet al een plek in dit gebied met de naam Bethsaïda?

Ja, in 1839 werd de naburige vindplaats van Et-Tell geïdentificeerd als mogelijke locatie van het antieke Bethsaïda/Julias. Het Bethsaida Excavations Project doet sinds 1987 opgravingen in Et-Tell, waarbij belangrijke fortificaties uit de bronstijd (9e eeuw v. Chr.) en meerdere huizen uit de hellenistische (2e eeuw v. Chr.) en de latere Romeinse tijd zijn blootgelegd. Bij de huizen werd ook visgerei aangetroffen, waaronder ijzeren ankers en vishaken, en de resten van wat een Romeinse tempel kan zijn geweest.

Maar veel archeologen betwijfelen of Et-Tell wel de locatie van het Bethsaïda uit het Nieuwe Testament is, door erop te wijzen dat de plek veel te ver (anderhalve kilometer) van de oever van het meer ligt om een echt vissersdorp te kunnen zijn geweest. Bovendien denken sommige experts dat de Romeinse resten die hier gedurende drie decennia aan opgravingen zijn ontdekt, te onbeduidend zijn om op de aanwezigheid van een grote en belangrijke Romeinse stad te wijzen.

“De resten uit de ijzertijd in Bethsaïda zijn monumentaal en indrukwekkend, naar die uit de Romeinse tijd heel armetierig, en dus lijkt het erop dat deze vindplaats geen stedelijk centrum is geweest,” zegt Jodi Magness, archeoloog en ontvanger van een onderzoeksbeurs van National Geographic.

Intussen verklaarde Rami Arav, directeur van het Bethsaida Excavations Project in Et-Tell, tegenover National Geographic dat er genoeg bewijzen zijn om El-Araj als de antieke stad te identificeren. In een e-mail schrijft hij dat er op de plek tot nu toe geen aanwijzingen voor het bestaan van een eerder Joods vissersdorp zijn gevonden.

Dus vanwaar die krantenkoppen over het ‘huis van de apostelen’?

Samen met de resten van het Romeinse badhuis die in El-Araj zijn gevonden, waaronder een mozaïekvloer, dakpannen en ventilatiepijpen, hebben de archeologen ook bewijzen van vijfde-eeuwse stadsmuren en mozaïeken van verguld glas gevonden, wat duidt op het bestaan van een belangrijke kerk uit de latere Byzantijnse tijd. Dergelijke mozaïeken zouden alleen maar in “weelderig gedecoreerde, belangrijke kerken” aanwezig zijn geweest,” schrijft Notley.

Hij denkt dan ook dat het om de kerk gaat die werd beschreven in een handschrift uit de 8e eeuw, namelijk het verslag van Willibald, bisschop van het Beierse Eichstätt. De bisschop reisde in 725 naar de regio en berichtte dat er in Bethsaïda een kerk op de ruïnes van de huizen van de apostel Petrus en diens broer Andreas was gebouwd.

De archeologen in El-Araj vragen zich nu af of ze wellicht bij toeval op een situatie zijn gestuit die eerder al in het naburige dorp Kapernaüm werd aangetroffen. Ook daar is een Byzantijnse kerk op een plek gebouwd die volgens de overlevering in verband wordt gebracht met de apostel Petrus. In 1968 ontdekten archeologen onder de Byzantijnse kerk de resten van een Romeins huis, dat tegen het einde van de 1e eeuw na Chr. al was uitgegroeid tot een gemeenschappelijk centrum van (christelijke) erediensten.

Waarschuwend schrijft Notley dat tot nu toe slechts een zeer klein deel van El-Araj is opgegraven en dat toekomstige opgravingen meer aan het licht moeten brengen over de geschiedenis van de plek en zijn mogelijke identificatie als het oude Bethsaïda, de Bijbelse geboorteplaats van de apostelen.

Toch is het team tot de slotsom gekomen dat de opgravingen van dit jaar een positief resultaat hebben opgeleverd.

“Wat het verslag van Willibald ons vertelt, is dat we uit de Byzantijnse tijd een eigentijds bericht over de vindplaats van Bethsaïda hebben waarin deze plek met de traditie van het Evangelie wordt verbonden,” aldus Notley. “De tijd zal leren of (a) op onze vindplaats inderdaad een Byzantijnse kerk stond, en (b) of het inderdaad de locatie van het Bethsaïda uit de 1e eeuw na Chr. is.”

“Op dit moment denk ik dat onze kansen voor een bevestigend antwoord op beide vragen zeer goed zijn,” voegt hij eraan toe.