Geschiedenis en Cultuur

Schipbreuk van de Batavia

In 1629 strandde een Hollands schip op een eiland voor de kust van Australië. Een van de overlevenden nam het bevel over, wat leidde tot moord en bloedvergieten.vrijdag 2 februari 2018

Door Xabier Armendáriz
De massamoord. Isaac Commelin publiceerde het eerste boek over de schipbreuk van de Batavia in 1647. Deze uitgave was voorzien van verschillende illustraties van de hand van Jan Janszoon. Dit is de afbeelding van de massamoord.

Niemand van de 322 personen die aanmonsterden aan boord van de Batavia had enig vermoeden kunnen hebben over het vreselijke lot dat hun wachtte. Op 29 oktober 1628 verliet het schip de rede van Texel met bestemming Java in Zuidoost-Azië, waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie de handel in specerijen in handen had.

De Batavia was een 48 meter lang spiegelretourschip, een solide driemaster met een laadvermogen van 1200 ton en een dubbele scheepshuid. Het schip was eerder dat jaar van de Amsterdamse Peperwerf gekomen, waar het in slechts zes maanden tijd was gebouwd. 

De opperkoopman aan boord was de 35-jarige Francisco Pelsaert. Zoals vaker voorkwam bij de VOC, beschikte de bevelhebber nauwelijks over nautische kennis, maar hij was wel verantwoordelijk voor het slagen van de reis. Verantwoordelijk voor de navigatie was de veertigjarige Adriaen Jacobszoon, de kapitein aan boord.

Schild van de VOC

Ze kenden elkaar van een eerdere ontmoeting in Indië, waar de kiem voor hun vijandschap was gelegd. Pelsaert was het prototype gezagvoerder van de VOC: gedisciplineerd en met een diepgeworteld plichtsbesef. Jacobszoon op zijn beurt was een echte man van de zee, een goed kapitein, maar ook een drinker en rokkenjager met een opvliegend karakter.

De reis zou acht maanden duren, met een korte tussenstop bij Kaap de Goede Hoop. In deze periode moest de bemanning het met elkaar zien te rooien. De soldaten en zeelieden leefden op het dek boven het ruim van het schip. De officiersverblijven en de kapiteinshut bevonden zich in het achterschip. In deze ruimten voltrok zich het begin van de tragedie.

Jacobszoon dong naar de gunsten van een knappe passagier, Lucretia van der Mijlen, die naar Java reisde om zich daar bij haar man te voegen. Zij wees hem echter af en zocht bescherming bij de opperkoopman. Vervolgens verleidde de kapitein Lucretia’s dienstmeisje. 

Een voormalige apotheker, Jeronimus Corneliszoon, was aangemonsterd als onderkoopman. Deze welsprekende en ketterij prekende intrigant zette de kapitein aan tot muiterij en riep hem op de opperkoopman te vermoorden, om zo de waardevolle lading in handen te krijgen.

De Batavia vervoerde twaalf kisten met zilver en andere sieraden, zoals een camee van Constantijn de Grote ter herdenking aan zijn overwinning op Maxentius in 312 n.C.

Lucretia werd uit haar bed gesleurd en met pek ingesmeerd; Corneliszoon rekende erop dat Pelsaert streng zou optreden. Maar toen de opperkoopman van het incident hoorde, sprak hij slechts een vermaning uit en keerde de rust schijnbaar weer terug.

In deze gespannen sfeer werd de opperbevelhebber in de nacht van 4 juni 1629 gewaarschuwd door een van de zeelieden die op wacht stonden. De zeeman dacht dat hij de golven had gezien die duiden op de aanwezigheid van een rif. Jacobszoon was ervan overtuigd dat de Batavia zeker zeshonderd zeemijl uit de kust voer, maar dit bleek niet het geval. De botsing met het koraalrif was heftig, en de Batavia raakte zwaar beschadigd.

In de enorme chaos die ontstond, schreeuwde de opperkoopman zijn kapitein toe: ‘Wat heb je gedaan?’ Door een grote navigatiefout was de Batavia terechtgekomen in de Houtman Abrolhos, een archipel op vijftig zeemijl (zo’n negentig kilometer) voor de kust van Australië. Dit gebied werd in die tijd op kaarten aangeduid als Terra australis incognita (het onbekende Zuidland).

De volgende ochtend evacueerde Pelsaert bijna tweehonderd overlevenden in de twee beschikbare reddingsschepen naar een nabijgelegen koraaleilandje. Zeventig bemanningsleden die niet konden zwemmen, onder wie Corneliszoon, bleven aan boord.

Beacon Island, een van de Houtman Abrolhos. Hierheen evacueerde Pelsaert de overlevenden van de schipbreuk.

Op het eiland aangekomen gaf de Pelsaert opdracht op zoek te gaan naar drinkwater, zonder resultaat. Wegens het tekort aan levensmiddelen besloot hij vier dagen later om samen met de kapitein en enkele bemanningsleden met een van de reddingsschepen de zeer riskante tocht naar Java te ondernemen. 

De Batavia werd negen dagen na de stranding door de golfslag vernietigd. Corneliszoon slaagde erin de eilanden te bereiken door zich vast te klampen aan het wrakhout. Hij was nu de hoogste in rang onder de wanhopige overlevenden. Hij besloot zijn oorspronkelijke plan te volgen en te wachten tot het reddingsschip zou terugkeren om het daarna te overmeesteren.

Hiervoor verzamelde hij een groep medestanders om zich heen, maar hij was zich ervan bewust dat zij numeriek in de minderheid waren. Om deze reden verdeelde hij de overlevenden over de nabijgelegen atollen in de verwachting dat ze daar zouden omkomen van honger en de dorst. Op het grootste eiland hield hij de controle over de proviand en de wapens. Met steun van zijn volgelingen executeerde hij de andere schipbreukelingen al om de minste reden. 

Na twintig dagen liet een groep bemanningsleden onder leiding van de Groningse soldaat Wiebbe Hayes door rooksignalen weten dat er drinkwater op hun eiland was gevonden. Toen de drenkelingen op andere eilandjes probeerden daar op vlotten naartoe te komen, beval Corneliszoon hen te laten verdrinken.

In de eerste helft van de 17de eeuw verkenden veel Nederlandse zeelieden de kust van Australië. In 1605 rondde Willem Janszoon de noordelijke punt van het continent. In 1626-’27 verkende Pieter Nuyts de zuidkust. Abel Tasman ontdekte in 1642-’44 Tasmanië en verkende de noordelijke kust. In 1616 werd Dirk Hartog de eerste Europeaan die voet zette op westkust van Australië, niet ver van de plaats waar de Batavia in 1629 verging.

Vanaf dat moment oefende hij een schrikbewind uit: hij vermoordde de zieken en onthoofdde iedereen die hem geen trouw zwoer of hem eenvoudigweg niet beviel. Het toppunt van zijn wreedheid was zijn behandeling van de predikant Bastiaens-zoon. Hij liet zes van zijn zeven kinderen en hun dienstmeisje vermoorden. Alleen de oudste dochter werd gespaard.

Hij dwong Bastiaenszoon een eed van trouw aan hem te zweren en zijn dochter werd gedwongen concubine te worden van de belangrijkste helper van Corneliszoon. Zelf eigende hij zich Lucretia toe; de overige vrouwen werden gedood of gedwongen tot het verrichten van diensten aan de gemeenschap, wat neerkwam op collectieve verkrachting.

Soldaat Hayes en zijn mannen hadden zich op hun inmiddels versterkte eiland gehergroepeerd. Zijn groep was uitgebreid met een aantal overlevenden van de slachtpartijen. In augustus viel Corneliszoon diverse keren het eiland aan. Hij had de beschikking over slechts twintig mannen nadat hij het grootste deel van de schipbreukelingen had uitgemoord. Bij een van deze pogingen werd hij gevangengenomen.

Het complete verhaal over de ondergang van de Batavia is te lezen in het eerste nummer van Historia 2018.