Kirgizië: de stilte, de storm & het speelkwartier

Een onvergetelijke tocht door het Tiensjangebergte, een van de meest afgelegen plekken op aarde.vrijdag 19 april 2019

Door Dirk Wijnand de Jong
Foto's Van Frits Meyst
Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler editie 2, 2019.

Diep verstopt in het Tiensjangebergte, op een van de meest afgelegen plekken op aarde, leven nomadenfamilies al duizenden jaren min of meer hetzelfde. Journalist Dirk Wijnand de Jong en fotograaf Frits Meyst reisden naar de geïsoleerde bergweiden van Kirgizië om hun leefgebied te verkennen. 

‘Zondagmorgen, het meer van Soň-Köl. Of zou het al maandagmorgen zijn? Boven mijn hoofd beweegt een eenzaam wolkendek over de vlakte. Voor de rest staat de wereld stil. Zover ik kan zien bergtoppen, sommige puntig, sommige glad als satijn, met ertussen het kilometerslange bergmeer omzoomd met enkelhoog gras. Een landschap zo wild, woest, geïsoleerd en dramatisch dat ik zonder dat ik het doorheb Ennio Morricones ‘The Good, the Bad and the Ugly’ neurie. 

In deze allesverslindende nietsheid staat het kamp van Akyl en zijn familie, geminimaliseerd tot Madurodamproporties. Akyl (31) zijn vrouw Nargiza (27), hun dochters Janyl Myrza en Cholponai (5 en 3), opa en oma Mamytbek en Tinatin, gepensioneerd, en de negen maanden oude Ali. Verder vijf joerten, tradronde nomadententen, in een rechte lijn, een hekwerk voor de schapen, een kraantje in de vorm van een emmer op een paal, een hondenhok gemaakt van koeienmest en ernaast een buitentoilet. En, niet onbelangrijk: 350 schapen, zeventig paarden, 25 koeien, twintig jaks en de honden Sherhan, Jesbilek, Sharik en Laika. 

‘Ontbijt je mee?’ vraagt Nargiza als ik mijn hoofd om de hoek van de familiejoert steek. Door de gekleurde doeken waarmee de ronde tent bekleed is, hangt er binnen een oranjeroze gloed. Samen met gids Vlad en chauffeur Ilja, beiden etnische Russen, nemen fotograaf Frits Meyst en ik plaats aan de lage tafel, tegen een schot waarachter de matrassen liggen opgestapeld. Van opa krijgen we een bescheiden welkomstknikje, en van Janyl Myrza en Cholponai, die geen kans laten liggen om over opa’s ronde buik te klimmen, een nieuwsgierige blik. Het is het eerste familiemoment van de dag. Vanochtend zijn de paarden gemolken, de slaapkamer is tot woonkamer omgebouwd, Nargiza heeft brood gebakken, oma heeft water gekookt en opa heeft de knip van het schapenhek gehaald. Ook heb ik hem een mes zien slijpen. 

Blinde vlek

Het voelt als weken geleden dat wezelf met tent en voedselvoorradendoor de Tiensjan trokken. Een gigantische bergketen die zich uitstrekt over
Kazachstan, China, Oezbekistan en
Kirgizië, en die de nomaden hun huis noemen. In de oostelijke Karakolvallei volgden we de Karakolrivier stroomopwaarts, door een landschap dat op een stilleven thuishoort. De rivier leek rechtstreeks uit de hemel tussen de bergtoppen door te stromen, waarna deze in de vorm van verschillende beekjes en riviertjes door een naaldbos langs onze voeten rolde. We deelden de groene oevers met grazende paarden die briesten van geluk. Net als wij.

‘De weg naar Altyn Arashan is een van de mooiste routes in de Tiensjan,’ zei Vlad toen we over een smalle brug van boomstammen de Karakolrivier overstaken, het bos in. ‘De verschillende landschappen volgen elkaar snel op en vlak onder de top ligt een gletsjermeer dat bij elk weertype van kleur verandert.’ Vlad kent de Tiensjan als zijn broekzak. Jarenlang verkende hij te voet de bergketen en na stelselmatig bekenden van tips te hebben voorzien, besloot hij er zijn werk van te maken. ‘Er worden steeds nieuwe routes uitgestippeld. En dat is goed, meer en meer toeristen willen de schoonheid van ons berglandschap met eigen ogen zien.’ 

Op onze eerste beklimming tilde een vochtige windhoos ons over de kale helling. ‘Het weer kan zomaar omslaan,’ zei Vlad. ‘In minder dan een paar minuten.’ Op een strategische plek in het bos, langs een rivier, sloegen we onze tenten op en omhelsden we de vlammen van een kampvuur. We deelden het bankje – een omgevallen boomstam – met een Frans koppel dat hun wereldreis in Kirgizië was begonnen vanwege de ongerepte natuur, en een Amerikaanse die ze zich aangetrokken voelde tot de blinde vlekken op de wereldkaart. Ze zouden niet de enige buitenlanders zijn die we op de beklimmingen zouden tegenkomen. ‘Sinds het afschaffen van het visum in 2012 is de populariteit van het land flink gestegen,’ wist Vlad te vertellen. ‘Bemind door natuurliefhebbers en op handen gedragen door avonturenjagers.’ 

Toen zelfs het kampvuur ons niet langer warm kon houden, poetsten we onze tanden in de rivier en kropen we onhandig onze tent in. Die stond scheef en ondanks de thermokleding werd het er ook niet warm. 

Te huur: eenvoudige joert

In Akyls kamp loopt alles gesmeerder. Behalve voor het schaap dan, dat zich realiseert dat zijn laatste uur geslagen heeft. Opa overhandigt Akyl het mes dat hij vanmorgen heeft geslepen en de kinderen pendelen heen en weer met schaaltjes voor het vlees. Als de familie Allah heeft bedankt voor zijn voorzienigheid, laat Akyl het mes in het schaap verdwijnen en fileert hij het dier in minder dan een halfuur in hapklare stukken – voor twee dagen lunch, avondeten en ontbijt – totdat er weinig meer overblijft dan een glanzend, trillend vachtje aan de waslijn. En een kannetje bloed, dat de honden hebben opgeslokt. 

Ik kijk er met bewondering naar. Misschien moet je ook gewoon nomadengenen hebben om hier te overleven. Voor Akyl en zijn familie, en de nomaden die de jailoos, de hogergelegen alpenweiden, al sinds mensenheugenis bewonen, lijkt het kinderspel, voor mij is het een onmogelijke opdracht. Een leven tussen rotsformaties en besneeuwde toppen, gegeseld door weer en wind, met pieken die tot hoog in de hemel reiken en die je deelt met wolven, lynxen, beren en sneeuwpanters, je eigen schaap fileren? Ik zou niet weten waar ik moest beginnen. 

Ilja knikt instemmend. ‘Maar zij hebben duizenden jaren ervaring. Behalve ten tijde van de Sovjet-Unie, toen moesten herders hun dieren inleveren en in staatsfabrieken werken.’ Een messcherpe wind blaast langs de voet van de Khrebet Bauralbas. Ilja, wiens grootouders elkaar ooit in een kolchoz ontmoetten, trekt zijn capuchon over zijn hoofd. ‘Sinds de onafhankelijkheid in 1991 leeft de nomadencultuur gelukkig weer op. Ook vanuit het buitenland is er een groeiende belangstelling, met de tweejaarlijkse World Nomad Games, een soort Olympische Spelen voor Centraal-Aziatische nomadensporten, als publiekstrekker.’ 

Ook Akyl heeft een manier gevonden om zijn leven iets makkelijker te maken. Sinds twee jaar verhuurt hij een joert aan reizigers. Een eenvoudige tent, met bedden, een kacheltje en een bontjas ter decoratie. Stromend water is er niet, net zomin als televisie of een telefoon- en internetverbinding. Veel belangrijker: het is een unieke kans om mee te kijken in het dagelijks leven van een nomadenfamilie. Vriendschappen ontstaan hier in een oogwenk. Janyl Myrza en Cholponai demonstreren met enthousiasme hoe ze hun met lucht gevulde wangen kunnen laten ploffen en bij het passeren van het hondenhok laat ook Laika, de herdershondpup, geen kans onbenut om te stoeien. 

Die middag wil Vlad toch een poging wagen om te bellen. Een paar kilometer verder ligt een zwarte steen die door de reflectie van een antenne soms verbinding geeft. Wel is er een handleiding: alleen via een van de grote providers en uitsluitend met een oude telefoon. Geamuseerd kijken we vanuit de auto toe hoe Vlad met een geleend toestel van een buurherder om de steen heen wandelt. Dan schiet zijn arm omhoog, klimt hij óp de steen, loopt hij hoofdschuddend de berg op, de berg weer af en stapt hij onverrichterzake in de auto. De strekking is duidelijk: hier moet je geen autopech hebben. 

Ruzie met Tiensjan

Tijdens onze tocht door de Tiensjan waren we vanaf het tentenkamp in twee uur naar Ala-Kul geklommen. De zon scheen door een loep en de weg over puntige rotsblokken ging steil omhoog. Maar Vlad kreeg gelijk. Eenmaal boven keken we uit over een oogverblindend gletsjermeer, dat als een badkuip vol heldergroen kneippwater aan onze voeten lag. 

Op de weg over de badrand richting de top werden we achternagezeten door donderwolken, dik als gebruikte koffiefilters. Tijd om een panoramafoto te schieten, was er niet. De hemel veranderde in een Teslabol en telefoons en kapsels zoemden, schokten en schoten overeind. De Tiensjan leek te schreeuwen: jullie zijn niet langer welkom, en zo snel als we onze spullen bij aankomst op de top hadden afgegooid, zo snel verlieten we haar weer. 

Hagel, sneeuw, wind en donderwolken ontnamen elk zicht op de vallei. De weg naar beneden was steil en zigzaggend; om te voorkomen dat het gruis op de flanken weggleed, plaatste ik mijn voeten met precisie. Honderd meter onder ons ging het mis. Een Fransman maakte een misstap en sloeg meerdere keren over de kop, waarna hij tientallen meters lager kermend van de pijn in het puin tot stilstand kwam. 

Een gebroken been, een hoofdwond, en later in het ziekenhuis zouden daar ook nog een gebroken arm en gescheurde long bijkomen. Maar hij was bij kennis. Met tien, vijftien man tilden we de jongen op een tent de helling af, glijdend over de rotsachtige ondergrond, die inmiddels met sneeuw bedekt was. De enige helikopter in het gebied bleek onlangs te zijn neergestort, en door de storm was er geen contact mogelijk met de buitenwereld. Bij een herder vonden we een joert waar hij de nacht kon doorbrengen. Samen met een handvol paracetamols lieten we hem achter, waarna de rest naar het basiskamp liep om hulp te halen. 

De volgende morgen waste ik mijn gezicht in de rivier. Aan de zijkant, tussen de stenen, trilden vliesjes, kwetsbaar als laagjes crème brûlée. De kalmte was terug. Vanachter de bergen lichtte de morgenzon de wandelroute voor ons op, die ons leidde over drassige grashellingen, door schaduwrijke bossen, dieper de Keldike-kloof in, langs ronde, gele slijtageplekken die verraadden dat nomaden onlangs hun zomerverblijf hadden verlaten. In een verlaten hutje met uitkijk op onze laatste kilometers, maakten we het ontbijt klaar. 

In het basiskamp gingen dan eindelijk de bergschoenen uit, een van de bevredigendste klimmomenten, en gaf een oude sleutel ons toegang tot een schuurtje waarvan de bodem was uitgegraven en verstevigd met cement. De beloning voor drie zware dagen in de Tiensjan waren de warmwaterbronnen van Altyn Arashan, een simpele stenen kuip waar geneeskrachtig water vanuit de aarde opwelde. De wereld kon me op dat moment gestolen worden. 

Toch kwam er ook nieuws: de Fransman zou door het leger van de berg worden gehaald en naar het ziekenhuis in Karakol gebracht. Dik twee uur afdalen, over een weg vol hunebedden. 

Buitenspeelkwartier

Zondagmiddag, het Soň-Kölmeer. Of was het inmiddels maandagmiddag? Aan de horizon verschijnen stofwolken. Rookgordijnen, in kleine plukjes, waaruit we een seconde later een tiental paarden zien galopperen. Het is vijf uur in de middag en de buurtjongens – herders die op de hoogvlakte wonen, soms kilometers van elkaar vandaan – komen buiten spelen. 

Het potje kok boero, ‘dodegeitpolo’, begint wanneer een van de ruiters het karkas van een geit uit de achterbak van een oude Audi trekt. Onder aan de heuvel schieten de mannen tussen twee ronde plateaus die als doelen dienen heen en weer. Opnieuw ontstaat een ondoordringbare stofwolk waarin de spelers in een poging de geit van elkaar af te pakken hun paarden tegen elkaar op laten botsen. Het gaat er fel aan toe en de mannen tonen zich waanzinnige ruiters. Dan weer hangen zij zijdelings aan hun paard om het karkas van de grond te rapen, het tuig tussen hun tanden, dan weer valt er een gaatje in de wirwar van paardenlijven en wordt een ongekende sprint ingezet. 

Terug in het kamp bereidt ook Nargiza zich voor op de winter. De eerste joerten zijn al afgebroken en de komende dagen zal ze een voorraad koemis, gefermenteerde paardenmelk, maken voor de wintermaanden. Over twee weken worden Nargiza, opa en oma en de kinderen opgehaald met een truck, Akyl volgt te paard. In anderhalve dag zal hij zijn vee veilig over de passen loodsen, waarbij hij de nacht in een grot doorbrengt. Of ze zin heeft om naar huis te gaan, vraag ik. Nargiza schudt haar hoofd. Veel liever blijft ze nog even op de kalme jailoo. 

Ook onze terugreis wacht. Nog even vermaken we ons met het uitzicht door de vierkante opening van de logeerjoert. Aan de horizon zien we een ruiter op zijn paard steeds kleiner worden, in de lucht glijdt een arend op de thermiek. Opa sjokt voorovergebogen over de vlakte om koeienpoep te verzamelen voor de kachel en Akyl steekt zijn hoofd naar binnen om te melden dat ik vannacht met mijn voeten richting Mekka heb geslapen. En wanneer ook Janyl Myrza en Cholponai langs het vierkante gat marcheren, van links naar rechts, herhaaldelijk, gevolgd door de honden, concluderen we dat je hier geen televisie nodig hebt.’  

Dirk Wijnand de Jong is freelance reisjournalist. Fotograaf Frits Meyst maakte eerder reportages voor Traveler over onder meer Spitsbergen en Mongolië. Voor dat laatste verhaal won hij in januari 2019 de Aad StruijsPersprijs in de categorie Foto. 

Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler editie 2, 2019.

Lees verder

Spitsbergen: in het spoor van Willem Barentsz

Zeilend aan boord van de schoener Abel Tasman en in het kielzog van historische expedities – van Willem Barentsz, walvisvaarders, U-botenjagers en halsbrekende Noordpoolverkenningen – verkent fotograaf Frits Meyst Spitsbergen. 

Mongolië: op pad met de arendjagers

Een kijkje in het leven van de etnische Kazachen op de hoogvlakte van West-Mongolië.

Stilte, rust en natuur aan de Zweedse kust

Op de eilandjes van de Stockholmarchipel voor de kust van de Zweedse hoofdstad verstaat men nog de kunst van het zijn, zonder dat je verder iets doet. Heerlijk, maar ook confronterend als je die kunst zelf verleerd bent, merkt Maartje de Gruyter. 
Lees meer