Toen paleontologen in de jaren veertig op expeditie waren bij de Fitterer Ranch-site in North Dakota (VS), groeven ze daar een geheimzinnig fossiel op. Het ging om een gehavend stuk kaak van een soort vleesetend zoogdier, maar meer informatie dan dat hadden de onderzoekers lange tijd niet.

Tot in 1982. Toen vond een veldploeg onder leiding van paleontoloog Robert Emry een bijna compleet skelet van de kleine carnivoor. Emry en paleontoloog Richard Tedford, expert op het gebied van fossiele carnivoren, stelden vast dat het dier behoort tot de Arctoidea: een clade zoogdieren waar ook de beer en de walrus toebehoren.

Wasbeerachtige omvang, katachtige klauwen

Na Tedfords overlijden in 2011 kwam het onderzoek stil te liggen. Maar nu, ruim tachtig jaar na de vondst van dat eerste kaakfossiel, is zijn levenswerk voltooid. Afgelopen jaar werd de nieuwe taxon voor het eerst omschreven in vakblad Journal of Vertebrae Paleontology.

Eoarctos vorax is een nieuw en zeer interessant taxon,’ zegt Lars Werdelin, paleontoloog bij het Zweeds Natuurhistorisch Museum, die niet betrokken was bij het onderzoek. Van de vroegste Arctoidea was lange tijd zo weinig bekend dat de vondst van Eoarctos ons nu voor het eerst een gedetailleerd inzicht geeft in hoe deze clade zoogdieren leefde.

Eoarctos lijkt in niets op zoogdieren zoals we die vandaag de dag kennen. Het is het vroegst bekende zoogdier dat schelpen at, had een wasbeerachtige omvang en katachtige klauwen, waarmee het vermoedelijk in bomen klom.

Een neefje van de hond

‘Onze werknaam voor het dier was ‘kitten-otterbeer’,’ zegt paleontoloog Clint Boyd, die meeschreef aan het onderzoek. ‘Er is lang veel onduidelijk geweest over hoe vroege Arctoidea zich voortbewogen.’ Arctoidea hebben dezelfde genetische voorouder als de bekendere Canidae, of hond. Dat de eerste honden algauw snelle lopers werden, is al langer bekend. Maar over hoe neefje Arctoidea zich voortbewoog, wisten paleontologen lange tijd niets – tot Eoarctos daar verandering in bracht.

Eoarctos was geen snelle renner, maar wél een klimmer, zo blijkt uit zijn fossiele skelet. De carnivoor foerageerde vermoedelijk op de grond, maar schoot gemakkelijk een boom in als er een roofdier om de hoek kwam kijken, zegt Boyd. Eoarctos leek op de huidige wasbeer en gedroeg zich waarschijnlijk op eenzelfde manier.

Waarom braken zo veel Eoarctos hun kaak?

En dan is er nog die gebroken onderkaak. Onderzoek naar het skelet van Eoarctos wees uit dat het dier ergens in zijn leven een aantal tanden uit zijn onderkaak verloren moest hebben. Op zichzelf geen bijster interessant gegeven, ware het niet dat andere Eoarctos-kaken een vrijwel identiek schadepatroon lieten zien. De dieren lijken er een bepaalde levensstijl op hebben nagehouden, waarbij een gebroken tand min of meer aan de orde van de dag was.

‘Als het slechts één exemplaar zou zijn geweest, had ik mijn schouders erbij opgehaald,’ zegt Boyd. ‘Maar met zo veel fossiele skeletten die allemaal zo’n zelfde, uitgebreide infectie laten zien – die ook nog eens uit zichzelf leek te genezen – is het duidelijk dat dit soort verwondingen zich routinematig voordeden bij deze dieren.’

Hoe dat kan? Daarover kan Boyd nog geen uitsluitsel geven, al heeft hij wel een vermoeden. ‘Op de Fitterer Ranch en elders in dezelfde formatie worden geregeld fossiele slakken gevonden die behoorlijk groot konden worden,’ zegt Boyd. Wie weet dat schelpenetende Eoarctos zich dus letterlijk het hoofd brak over de slakkenhuizen van weleer.

Nog niet uitgelezen? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief van National Geographic en ontvang de favoriete verhalen van de redactie wekelijks in je mail.