Het is geen gemakkelijke opgave om dinosauriërs te vinden tussen de 99 miljoen jaar oude rotsen van de woestijn in Utah (VS). De meeste dinofossielen in deze oostelijke hoek van de Great Basin Desert worden aangetroffen als gebroken, door de zon aangetaste stukjes.
Een nieuw ontdekte dinosauriërsoort, Fona herzogae, vormt echter een uitzondering op de regel. Deze kleine planteneter groef kuilen in de grond, waardoor de dinosauriërs beter bewaard bleven dan andere dino’s uit het Krijt.
Goed bewaarde fossielen
Fona behoorde tot een groep van middelgrote planteneters, de Thescelosaurinae. Ze hebben geen uitbundige stekels, hoorns, kammen of andere opvallende uiterlijke kenmerken, die veel andere dinosauriërs wel hebben.
Maar een recent studie in The Anatomical Record, waarin Fona herzogae voor het eerst werd beschreven, heeft een bijzondere eigenschap aan het licht gebracht: de Thescelosaurinae behoren tot de weinige bekende dinosoorten die zich ingroeven in de grond.
Deze gewoonte heeft ervoor gezorgd dat hun overblijfselen vaker in het fossielenarchief terechtkwamen dan die van andere kleine dino’s waarmee ze samenleefden. Paleontoloog en hoofdauteur van de studie Haviv Avrahami vond samen met zijn team meerdere Fona-skeletten en afzonderlijke botten op diverse locaties in dezelfde rotslaag.
‘We vonden meer fossielen van Fona dan van welk andere dinosauriër ook,’ zegt Avrahami. Sommige Fona-skeletten waren in elkaar verstrengeld, wat erop wees dat ze samen in één hol lagen.
Wie een kuil graaft...
Een volwassen exemplaar van Fona werd – inclusief staart – ongeveer 2 meter lang. Niet alleen vielen zulke kleine dino’s vaak ten prooi aan grotere dinosauriërs, maar kleine soorten hadden ook fragielere botten. Bovendien werden hun kadavers vaker uiteengereten of kapotgemaakt voordat ze konden fossiliseren.
Maar Fona was anders dan veel andere kleine soorten. Het lijkt erop dat de skeletten van de dinosauriër zijn begraven en bewaard zijn gebleven in ondergrondse holtes, net als bij de gravende dinosoort Oryctodromeus. Tot de ontdekking van deze soort in 2007 wisten paleontologen überhaupt niet dat dinosauriërs zich ingroeven.
De botten van Fona vertonen aanpassingen die erop wijzen dat de herbivoren in de grond groeven, zoals stevige heupen en vergrote schouderbotten voor bredere aanhechtingen van de armspieren. Avrahami veronderstelt dat de dino in de grond krabde met zijn armen en vervolgens het sediment met zijn poten opzij trapte.
Holletjes als toevluchtsoord
Dit graafvermogen zou kunnen verklaren waarom kleine planteneters als Fona konden overleven in landschappen vol grote roofdieren en barre weersomstandigheden.
‘Als je een kleine dino bent in een omgeving met weinig natuurlijke mogelijkheden tot verdediging, is graven een logische optie om je te beschermen tegen roofdieren, branden, stormen, hitte, kou of andere stressfactoren,’ zegt paleontoloog Anthony Martin van Emory University, die niet bij het nieuwe onderzoek was betrokken.
Mogelijk hebben ook andere kleine, plantenetende dinosauriërsoorten schuilplaatsen in de grond uitgegraven. Volgens Martin kan onderzoek naar vergelijkbare kleine dino’s, zoals Nanosaurus uit de eerdere Jura-periode, de geschiedenis van gravende dinosauriërs verder blootleggen.
Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief van National Geographic en ontvang de favoriete verhalen van de redactie wekelijks in je mail.












