Botswana

Verwondering in Botswana

Net toen hij dacht alles te hebben gezien, bezocht onze auteur de Makgadikgadi, een eindeloze woestenij in Botswana. donderdag, 9 november

Door Todd Pitock
Foto's Van Raymond Patrick

De Makgadikgadi, een onafzienbare zoutvlakte in de diepe binnenlanden van Botswana, doet je denken aan de aarde voordat de mens bestond – en aan een toekomst ver ná de mens. Deze gedachte komt bij me op als ik probeer het uitzicht te vatten dat ik voor me zie. De eindeloosheid van deze plek beneemt je de adem. Het brein van een stadsmens heeft uithangborden nodig, of bomen... in elk geval iets om de wereld maat te geven. Maar hier, van horizon tot horizon, strekt zich een landschap zonder kenmerken uit, een oeroude, uitgedroogde zee van zout en andere mineralen, zonder enig houvast voor de ogen anders dan de vlekkerige schaduwen van wolken. ‘Nu besef je dat de aarde, wat de mensen je ook wijs willen maken, écht plat is,’ zegt Ralph Bousfield, de man die me hier naartoe heeft gebracht. ‘Het is ongelooflijk plat – een onmiskenbaar feit, zoals je kunt zien.’

Op onze quads volgen we het wielspoor van een auto, richting een verre einder die als een naad de oertijd en een postapocalyptische toekomst aaneenrijgt. ‘Columbus kletste uit z’n nek,’ zeg ik, ‘omdat hij dit nooit heeft gezien.’ ‘Precies.’

Ontzag

Ik reis naar plekken van een ontzagwekkende schoonheid, om de wereld die mij vertrouwd is en de harde, alledaagse werkelijkheid achter me te laten – en een glimp van iets groters op te vangen. Maar mijn zoektochten naar dat gevoel van ontzag worden steeds lastiger. Neem de grote veranderingen in het reizen zelf. Toen de Franse schrijver Gustave Flaubert voor het eerst een blik op de Sfinx wierp, beefde hij van opwinding. Wie tegenwoordig nog beeft bij het zien van de Sfinx, doet dat vanwege opdringerige souvenirverkopers en gidsen op kamelen. Dit soort voorverpakte ervaringen hebben ons afgestompt. We bekijken té veel foto’s en schilderijen van bijzondere plekken; nog voordat we ergens aankomen, zijn we al verzadigd met beelden. We hebben alles al gezien.

Ergens weten we hoe we ons zouden moeten voelen. Maar ook dat is, tot op zekere hoogte, een probleem. Toen ik vorig jaar de Taj Mahal ging bezoeken, zeiden mensen me: ‘Wacht maar totdat je het met eigen ogen ziet.’ Wacht maar. O, de verwachting! ‘Op foto’s is het niet hetzelfde,’ zeiden ze nog.

Voor mij waren de foto’s van de Taj Mahal béter dan de werkelijkheid. Ze waren gemaakt op tijdstippen waarop het licht de schitterende kleuren in het marmerwerk van dit mausoleum naar voren bracht; momenten waarop er geen gidsen zijn die hun groepen bijeendrijven voor het maken van foto’s, die ‘niet hetzelfde’ zijn. Het enige wat ik tijdens mijn bezoek niet voelde, was dat gevoel van verbazing en bewondering, een tekortkoming die typisch is voor onze tijd. We lijken een bepaald soort gemoedstoestand te verliezen, wat ik zie als ‘de dood van het ontzag’ – en ik wil er niet aan toegeven. Maar de vraag is: waar ter wereld kun je je nog verbluft en verward voelen, het gevoel hebben dat alles is veranderd?

Eindeloze woestenij

‘Dit land heeft mijn hart gestolen.’ Mijn goede vriendin Staci belde me via Skype vanuit Botswana. ‘Ik wil hier niet weg.’ Hoe langer ze praatte, des te meer leek me dit land in zuidelijk Afrika – groter dan Spanje – de plek waar ik het moest zoeken. Dus ben ik nu in Botswana, met de bescheiden hoop dat ik hier ontzag zal vinden. Ik mis dat gevoel van verrukt zijn, van in de war zijn.

In de Makgadikgadi (spreek uit: meh-CAH-dee-CAH-dee) ben ik meteen verrukt. Dit is een van de meest desolate oorden die er bestaan – zo te zien het einde van de wereld, één groot niets.

Feit is dat dit wigvormige, 16.000 vierkante kilometer grote stuk van de Kalahari – de op vier na grootste woestijn op aarde – tien miljoen jaar geleden onder een immens meer lag. Als we bepaalde markers in oeroud dna moeten geloven, is de mens hier ontstaan.

Deze eindeloze woestenij is niet zonder leven. Binnen de zoutvlakte groeien grassen en reiken palmen en baobabs ten hemel. De vegetatie biedt beschutting aan een verrassende variëteit aan dieren, van stokstaartjes tot grote katachtigen. De zoutpan kent twee seizoenen: droog en regenachtig. Als het regenseizoen ten einde loopt, trekken duizenden zebra’s over de vlakte. Dan is er nog het inheemse San-volk, de Bosjesmannen, ooit nomaden maar nu grotendeels keuterboeren die weten hoe je hier moet overleven. Het leven is hier in al zijn gelaagdheid aanwezig.

Mijn ontzag geldt niet alleen het landschap, het wordt ook opgeroepen door de mensen, vooral mensen die in verbinding staan met het wezenlijke, de wijsheid van een plek. Ontzagwekkende mensen, die vormen en verhalen in de bergen van steen zien, die dieren horen spreken en omhoog naar de sterren kijken, voor een persoonlijke boodschap van een voorouder.

Op een middag stelt Bousfield me voor aan enkele Bosjesmannen; duizenden jaren lang hebben hun voorouders deze woestijn doorkruist. De mannen dragen kralenbanden om het hoofd, hebben zich omgord met antilopenhuiden en houden stokken vast. Bousfield wijst erop dat ze zich niet altijd zo uitdossen – de moderne wereld is ook hier doorgedrongen – maar dit is hun erfgoed. De stokken, waarmee ze paden vrijmaken en onderaardse wortels uitgraven, lijken hen te verbinden met hun culturele wortels.

De oudste, Kgamxoo Tixhao, heeft een opgezette buik die over zijn schaamlap hangt. Duidelijk is dat hij zijn autoriteit ontleent aan zijn hoge leeftijd en zijn kennis van oude gebruiken. Hij spreek alleen de !Xóõ- of Taa-taal, behorend tot de Khoisantalen, met veel ‘klik’-medeklinkers, dus een jonge vrouw genaamd Xushe vertaalt wat hij zegt. Kgamxoo weet niet hoe oud hij is, omdat de San de tijd niet in jaren bijhouden. Maar hij denkt dat hij vrij oud is, hoewel zijn huid nog glad is en de anderen zijn vaardigheid als jager nog steeds prijzen. Bij elke vraag die ik stel, vuren hij en Xushe een paar woorden op elkaar af en lachen. Dan geeft ze me een uiterst korte, sobere vertaling die me doet afvragen of alles wel begrepen is. Misschien ook ben ik een uitgebreider antwoord niet waardig.

Dus gaan we lopen. Xushe plukt een plant die volgens haar lustopwekkend is.

‘Als je een jongen leuk vindt en je wilt dat hij je leuk vindt, dan moet je dit doen!’ zegt ze en blaast de plant speels op een man genaamd Cobra, die tweemaal zo oud lijkt te zijn als haar en Engels spreekt. Zijn grijze haar is in dreadlocks opgemaakt.

Cobra stopt en wijst. ‘Huis van een schorpioen,’ zegt hij. ‘Hij slaapt nu. We maken een vuur en dan komt-ie eruit.’

‘Ik denk dat ze willen pauzeren om een sigaret te roken,’ vertrouwd Bousfield me toe.

Kgamxoo, wiens broer een hoofdrol speelde in de bekroonde film The Gods Must Be Crazy, hurkt neer en begint boven een hoopje twijgen een stok tussen zijn handpalmen te rollen. Binnen enkele seconden beginnen de twijgen te roken. Nog niet zo lang geleden stonden mensen versteld dat je met één druk op de knop een stad kon doen oplichten; zo reageer ik ook, maar nu omdat ik vuur zie ontstaan zoals de mens dat gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis heeft gedaan.

Cobra pakt de rokende twijgen op en blaast. Het hoopje ontvlamt en snel worden er een paar sigaretten gerold en opgestoken. Roken is een van de weinige geneugten voor de San – er heerst armoede. Deze realiteit heeft de San kwetsbaar gemaakt voor de verlokkingen van het moderne leven, die hun tradities, animistische geloofsopvattingen en jagerskennis bedreigen. Het aantal San (55.000) is maar een fractie van Botswana’s twee miljoen inwoners. Slechts een kleine minderheid van die minderheid houdt vast aan het leven in de bush.

‘Het Botswana van The Gods Must Be Crazy is niet wat je hier ziet,’ zegt Jeff Ramsay, adviseur van de president van Botswana, Ian Khama. ‘Het bestaat niet meer.’

Cobra keert terug naar het ‘huis’ van de schorpioen en graaft een met stof bedekt wezen op: zo groot als een handpalm, met scharen en een staart in de aanvalskromming. Hij bedwingt het, stopt het dan in zijn mond en doet alsof hij het tussen zijn kaken vermaalt. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Maar hij is de schorpioen niet aan het opeten; hij spoelt hem af met zijn speeksel, zodat we hem beter kunnen bekijken. Als hij hem uit z’n mond haalt, blijkt de schorpioen heldergeel, met zwarte ogen op een piepklein en griezelig expressief, zwart gezichtje.

Cobra laat zich in zijn vinger steken.
‘Doet dat niet pijn?’ vraag ik.

Hij haalt z’n schouders op, alsof het niets voorstelt. Ik huiver, maar een ware Bosjesman herken je aan zijn vermogen om pijn te verdragen. Door zijn lijden bewijst hij zijn voorouders dat hij het waard is naar de andere wereld over te stappen. Cobra is ‘verheven’. Ik denk dat hij ook een beetje een toneelspeler is, ook al draagt hij normale werkkleding, geen antilopenhuid.

De zon zweeft over de rand van de horizon en sproeit saffraan en roze, waarna hij de nacht in rolt en ons naar de duisternis verbant. Dan volgt er iets wat hetzij een mysterie is, hetzij een verbluffend staaltje podiumkunst – als buitenstaander weet ik het niet zeker.

Voorouders

Vanavond bereiden de Bosjesmannen zich voor op een bezoek aan hun voorouders. Ze maken een vuur met een stapel droog hout. De vrouwen gaan zitten en beginnen te klappen en te zingen; ik zit bij de vrouwen. De mannen binden ratels om hun benen en marcheren in korte, stevige stappen, stampend op de grond, rond de kring van vrouwen. De sfeer is eerst luchthartig. Iedereen lacht, zingt vrolijk. Daarna wordt het zingen, klappen, stampen en ratelen steeds intenser, waardoor het gezang gaat lijken op een klacht. Meerdere lagen van gezang en gesmeek snijden me door de ziel. Ook de vlammen schieten steeds hoger op, in hun eigen, knetterende dans. Ik voel de hitte op mijn handen en gezicht.

Kgamxoo’s lijf glanst van het zweet. Zijn gezicht is veranderd: het is getekend en gegroefd, als een beeld uit ijzerhout. Zijn ogen zijn als bezeten en lijken op oneindig te staan. Ik denk bij mezelf dat er een rationele verklaring voor is. Misschien is het de inspanning van het dansen, of de hitte. Wat het ook is, Kgamxoo is hier, maar ook niet hier. Hij strompelt, helt voorover. Hij stapt naar het vuur. Het klopt niet echt als ik zeg dat hij over de gloeiende kolen loopt, want hij beweegt zich zo traag; het is alsof hij op de kolen staat. Hij verdraagt de pijn niet – hij voelt die niet eens.

Eerder, in de bush, had ik Kgamxoo gevraagd of het communiceren met de voorouders door middel van woorden verliep, of door iets wat we niet begrepen. Waren de voorouders mensen die je kende, zoals een moeder of vader? Of mensen in het algemeen, uit het verleden? Het enige wat ik uit zijn antwoord kon opmaken, was dat de voorouders iemand pijn en ziekte stuurden, om te testen of die persoon het waard was hun domein binnen te treden.

De woestijn is zó intens stil geworden dat als er ergens een geluid klinkt, het lijkt terug te kaatsen van muren van omringende duisternis. Plotseling buigt Kgamxoo zich voorover, raapt wat stof op en smeert het op zijn gezicht. Dan loopt hij achter ons langs, legt zijn handen op onze hoofden en reciteert een spreekzang. Ik voel het aardse gruis op m’n hoofdhuid. Al wat ik kan denken, is dat er hier wordt gezocht naar ontzag – dat mengsel van verbijstering en eerbied.

Langzaam flakkert het vuur uit. De nachtlucht begint als een ijzige adem te voelen.

Wanneer ik naar het kamp terugloop, schieten sterren langs de inktzwarte horizon. Na de uitbarsting van ceremoniële energie lijkt alles volstrekt stil. Ik hoor alleen het geluid van mijn voetstappen op de korstige woestijngrond. Maar als mijn zintuigen zich aanscherpen, merk ik dat de atmosfeer zindert. Het aanzwellende gezoem van insecten. Wij mensen, als wezens van de dag, beschouwen de nacht als een tijd van rust, maar hier nemen de dieren van de duisternis de wereld over. Dan verscheurt een machtig geluid de stilte: een troep brullende leeuwen.

De volgende dag bevind ik me diep in het grote niets. Bousfield en ik sturen onze quads over hoefijzervormige duinen en langs oude rivierbeddingen en meren op de bodem van de Okavangokloof, een beginnende breuk in het landschap. Dan komen we op een weidse savanne, en daarna begint de zoutpan. Er steekt een bries op. In de verte verzamelen witte stofkegels zich in één grote, bruine zandstorm, die het vermogen van de zon dimt. Om m’n hoofd is een katoenen kikoi gewikkeld en ik draag een zonnebril, maar ik krijg toch zand binnen. Ik proef het grondige zout en slik waarschijnlijk meerdere aanbevolen dagelijkse doses door. Mijn ogen voelen aan alsof iemand er een lucifer op afstrijkt. De storm zeilt over ons heen. Ik wil m’n ogen sluiten en stoppen, maar we moeten hier doorheen, dus zit ik zo laag mogelijk bij de grond en blijf rijden terwijl de tranen over m’n wangen biggelen.

De wereld loopt ten einde.

Bousfield en ik ploeteren verder en eindelijk is de storm weg of zijn we eraan ontsnapt. We bereiken een groepje baobabs, met verwrongen takken boven olifantdikke stammen. De baobab is dé boom van zuidelijk Afrika en kan meer dan duizend jaar oud worden. Na zijn dood blijft er niets van over, alleen een vlek op de grond.

We maken het ons gemakkelijk onder de bomen. Aan het zwarte firmament fonkelt een weelde van sterren. Door de baobabtakken heen ontvouwt de Melkweg zich over het uitspansel. Ik kijk naar rechts, naar links. Overal zie je sterren. San beweren dat als je doodgaat, je deel wordt van de sterren.

Uiteindelijk val ik in slaap. Als ik wakker word, staar ik naar het ochtendgloren – en dringt het tot me door waarom de oude Kgamxoo mijn vraag over het communiceren met woorden niet echt beantwoordde. Misschien is dit wat met ontzag wordt bedoeld – een portaal naar de openbaring, het arriveren in landschappen die bijzonder en ongelooflijk en enorm zijn, waar de afwezigheid van elke begrenzing onze innerlijke grenzen afbreekt. Waar we iets universeels voelen. Ontzag wijst je op jezelf.

‘Als je lange tijd in een afgrond staart,’ schreef Friedrich Nietzsche, ‘staart de afgrond ook in jou.’ Ik tast naar een beter begrip, maar het blijft net buiten het bereik van woorden.

Lees meer