Burgeroorlogen

Fotograaf onder vuur van rebellen

Adriane Ohanesian was naar de Democratische Republiek Congo gekomen om er te berichten over de strijd om natuurlijke hulpbronnen - maar ze verzeilde in een vuurgevecht. vrijdag, 25 mei 2018

Door Adriane Ohanesian
Foto's Van Adriane Ohanesian

“Is dit soms een bruiloftsstoet?” grapte een Congolese parkopzichter over het kalme gangetje waarmee onze te zwaarbeladen truck voorthobbelde. Het was een mistige ochtend in juli en ons abnormaal lage tempo werd veroorzaakt door de aanwezigheid van drie buitenlandse journalisten. We waren juist vertrokken vanuit het hoofdkwartier van de parkopzichters in het stadje Epulu en kropen nu over de weg naar het Okapiwildpark in de Democratische Republiek Congo. In de opkomende zon stond ik in de laadbak van de truck en fotografeerde de parkopzichters en de dorpelingen die we passeerden.

Ik heb de foto’s nooit gezien. De volgende keer dat we samen over deze weg zouden rijden, waren we op weg naar een begrafenis.

Ik was in het noordwesten van Congo om het leven en werk van de parkopzichters in het Okapiwildpark te documenteren, die tot taak hebben de okapi’s (verwant aan de giraffe) en hun boshabitat in dit Unesco-werelderfgoed te beschermen. We brachten een bezoek aan de goudmijn van Bapela, die een paar maanden eerder door de parkopzichters was gesloten omdat er aan illegale mijnbouw werd gedaan.

Ik wist dat dit uitstapje riskant was, maar ik hoopte dat ik in mijn foto’s het goede werk van de parkopzichters kon laten zien, en ook hun conflict met plaatselijke gemeenschappen en milities over kostbare grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen als goud, hout en wild.

We laadden de truck uit en liepen zo’n vijftien kilometer door het woud naar de verlaten Bapela-mijn en de permanente buitenpost die op een heuveltop was opgezet om het gebied in de gaten te houden. We liepen mee met zes parkopzichters, een stel jonge dragers en een kanogids – die waren gestuurd om de mannen in de buitenpost af te lossen. Toen de mijn nog in gebruik was, werd er naar verluidt elke week dertig kilo goud gedolven, met een waarde van ruim 1,2 miljoen dollar op de wereldmarkt.

De volgende middag leek iedereen in het kamp ontspannen. De parkopzichters hadden de lunch gebruikt en rustten wat uit in hun geïmproviseerd tenten van plastic zeil. Na een ochtend waarop ik de parkopzichters had gefilmd en gefotografeerd tijdens patrouilles door het mijnbouwgebied, had ik juist mijn van zweet doordrenkte kleding uitgetrokken. Ik deed mijn slippers aan en legde mijn fototoestel weg om de lunch boven een vuurtje klaar te maken. Toen begon het schieten.

Ik rende achter de parkopzichters aan, die als stuntmannen de heuvel af rolden, over hopen van puinafval uit de mijn. Ik stopte en keek om; ik wilde zien of er doden of gewonden waren gevallen, maar het kamp leek leeg te zijn, afgezien van één schutter die hard wegliep.

Tegen de tijd dat ik weer verder wilde lopen, doken er rechts van mij twee andere aanvallers op die hun wapens afvuurden. Ik sprong in een kuil in de grond om aan het kruisvuur te ontsnappen. Op de bodem van de oude mijnschacht rolde ik me op mijn linkerzijde op en manoeuvreerde mezelf meer naar het midden van de heuvel. Elke beweging veroorzaakte een kleine puinlawine. De kuil lag net onder de plek waar het machinegeweer van de parkopzichters door de militieleden was veroverd, en bij elk geluid dat ik maakte, openden ze het vuur. Ik verwachtte dat de aanvallers tegen het invallen van de duisternis weer zouden vertrekken, maar dat gebeurde niet. En dus bleef ik daar de hele steenkoude nacht liggen.

De volgende ochtend wilde ik per se ontsnappen. Ik hoorde de militieleden nog altijd door het kamp struinen en was bang dat ze het hele gebied en de rijkdommen van de mijn zouden heroveren. Toen het stil werd, probeerde ik op te staan en besefte toen pas dat de kuil minstens tweemaal zo diep was als mijn lichaamslengte. Na bijna twintig uur bewegingloos op de grond te hebben gelegen, voelde ik me duizelig en stijf. Met beide handen greep ik een boomwortel en klauterde met mijn voeten tegen de wand van de schacht omhoog. Eenmaal boven liet ik me over de grond van de heuvel afrollen en verschool me in de jungle.

Ik dacht dat ik wist in welke richting ik liep, maar al snel werden de paden onherkenbaar. Ik waadde door rivieren en laveerde tussen de bomen door. Toen de zon begon onder te gaan besefte ik dat ik geen uitweg uit de jungle zou vinden. Ik vond het hoofdpad naar de drukbezochte goudmijn weer terug en verborg me in de nabijheid.

Ik bereidde me voor op nog een nacht in m’n eentje toen ik een rij gewapende mannen over het pad zag lopen. Met de handen boven het hoofd stapte ik uit de struiken. Gelukkig was het een gezamenlijke patrouille van militairen en parkopzichters, en ze brachten me meteen terug naar de buitenpost vanwaar ik 28 uur eerder was weggevlucht.

De militieleden waren verdwenen, maar het kamp was een slagveld. Bomen en zeildoek waren doorzeefd met kogels. De lunch die ik aan het klaarmaken was, lag naast het vuur. En toen zag ik waarvoor ik het meest had gevreesd: de lichamen van vier gedode parkopzichters en één jonge drager, onder het plastic zeil van een vertrapte tent.

Wanneer alles volgens plan verloopt, krijgen wij journalisten prijzen voor ons moedige werk, hoe roekeloos onze onderneming misschien ook is. Pas als alles misloopt, worden onze voorbereidingen en keuzes nader onder de loep genomen.

Later hoorden we dat de aanval op de buitenpost van de parkopzichters waarschijnlijk al vóór onze komst was gepland. We zullen nooit precies weten of en hoe onze aanwezigheid de situatie heeft beïnvloed. Die vraag zal ons blijven achtervolgen.

Het doel van mijn werk in Congo was om er te fotograferen, maar ik was nu zelf onderdeel van het verhaal geworden. Mijn ervaring was slechts een voorbeeld van wat de parkopzichters geregeld moesten doorstaan, en slechts een fractie van de bittere strijd om kostbare natuurlijke hulpbronnen die in het oosten van het land wordt geleverd. Sinds begin dit jaar zijn in de regio naar schatting 200.000 mensen op de vlucht geslagen voor gevechten tussen verschillende milities. Zo’n 70.000 mensen zijn de grens naar Oeganda overgestoken.

Drie dagen na de aanval werden de gedode parkopzichters begraven langs de weg waarover we eerder naar de mijn waren gereden. Ik was al mijn uitrusting kwijt, maar ik leende een smartphone van een collega en gebruikte de resterende opslag ervan op. Meer kon ik niet doen.

 

Deze foto’s werden door fotografe Adriane Ohanesian ingezonden voor de World Press Photo JoopSwart Masterclass 2017.

Lees meer