Chili

Chinchín, Chili: Wijnreis langs de Andes

Wijn, woestijn en nog meer wijn: hoe een roman inspireerde tot een reis door Chili. donderdag, 9 november

Door Paul Römer
Foto's Van Raymond Rutting

In Bocanáriz, een wijnbar in Santiago de Chile, bestel ik drie glaasjes Carménère. Rafael Riquelme, onze hippe ober, heeft zojuist uitgelegd hoe de kaart werkt. Gasten krijgen de keuze uit smaakfeestjes als ‘iconische wijnen’, ‘onontdekte wijnen’ en ‘hoogtewijnen’, en vervolgens serveert hij per thema drie glazen van 50 cc. Als ik kies voor de ‘Carménère’, de weliswaar uit Frankrijk geadopteerde maar inmiddels nationale druif van Chili, vraagt hij welke tapas ik daarbij wens. ‘Verras me!’ roep ik. Voordat hij de keuken in verdwijnt, legt Rafael mijn bestelling neer bij de barjuffrouw die uit de enorme, op temperatuur gehouden flessen achter haar wijn begint te tappen.

Om mij heen zitten locals te smoezen en van hun drankjes te genieten. Er heerst een aangename warmte, ik voel me onmiddellijk thuis. En ik ben hier niet zomaar. Bocanáriz – boca is mond, nariz betekent neus – is een van de favoriete plekken van de Amerikaanse schrijver Rex Pickett. Door zíjn toedoen ben ik nu in deze wijnbar in Lastarria, een historische en uiterst levendige barrio in het centrum van de hoofdstad van Chili.

Het werk van Pickett is in Europa weinig bekend. Tot je Sideways noemt, de film die in 2005 een Golden Globe won voor beste komedie. Deze film – gebaseerd op de gelijknamige roman van Pickett – volgt romanfiguur Miles Raymond, een schrijver en wijnliefhebber, als hij zijn vriend Jack Cole meeneemt op een roadtrip langs enkele wijnhuizen in de Santa Ynez Valley, Californië. De mannen proeven wijn, ontmoeten vrouwen en praten over het leven – zie het als een vrijgezellenreisje voor Jack, die op het punt staat te trouwen. Gedenkwaardig is de scène, zowel in het boek als in de film, waarin Miles tegenover een vrouw zijn liefde voor de pinot noir bezingt. ‘Then, I mean, oh its flavors, they’re just the most haunting and brilliant and thrilling and subtle and... ancient on the planet.’

Op dat moment raakte ik in de ban van Picketts werk, ik houd van de vreemde ontmoetingen, hilarische scènes en zijn lyrische maar toegankelijke beschrijvingen van wijn. In het (nog niet verfilmde) vervolg Vertical is Miles inmiddels een populaire schrijver die met zijn roman de Amerikaanse wijnindustrie veel goeds heeft gedaan en overal warm wordt onthaald – vooral in de Willamette Valley in de staat Oregon, home of the pinot noir, de druif waarvoor Miles constant een lans breekt. Wederom vraagt hij Jack hem te vergezellen op wat uitmondt in een komische reis. In het derde en laatste deel van de trilogie, Sideways 3 Chile, reist Miles rond door Chili, en ik ben er nu om zijn voetsporen te volgen. De wijngebieden in Californië en Oregon had ik al bezocht, het werd tijd de koffers te pakken voor een reis naar Zuid-Amerika en zelf te ontdekken waarom Pickett het slot van zijn romanreeks juist daar situeerde.

In Bocanáriz, waar ik nog zit te genieten van de relaxte sfeer en superbe Carménère, maakt Miles voor het eerst serieus kennis met de Chileense wijn. ‘In white paint meant to look like handwritten letters in chalk, was a vast selection of wines, none of which I had ever heard of. (...) The wines were all high in bright acidity, but they possessed an almost mysterious element of minerality.’

Wanneer ik Rafael, de ober, uitleg waarom ik per se deze wijnbar wilde bezoeken, begint hij te lachen. ‘Ah, meneer Pickett. Ja, die zat altijd aan dat tafeltje daar. Hij bestelde alle wijnen van onze kaart en maakte dan aantekeningen.’ Ik moet glimlachen: alsof ik in deze gezellige bar kennismaak met een van mijn favoriete auteurs – en zijn laatste roman binnenstap.

Twaalf dagen eerder, begin maart. Met een exemplaar van het laatste deel van Picketts trilogie in de hand begin ik in de moderne metropool Santiago aan de route die min of meer gelijk is aan die van romanpersonage Miles, als hij op uitnodiging van de plaatselijke wijnindustrie diverse bars en bodega’s aandoet en het geheim van de Chileense wijn probeert te ontdekken. Ik ben wat beduusd, moet ik bekennen. Minder dan 48 uur geleden ben ik geland, of ik heb al het hart van Chili ontdekt, de ziel van Chili geproefd en de bron van Chili aanschouwd. Althans, volgens de inwoners die ik in deze korte tijd heb ontmoet.

Een van hen is Liliana Herrera, een mooie en vrolijke outdoor-gids met Peruaanse wortels. We ontmoeten haar in het sfeervolle boutiquehotel Altiplanico in de Maipovallei, waar we twee nachten doorbrengen. De Maipovallei – gelegen aan de voet van de San José, een ruim 5800 meter hoge vulkaan in de Andes – wordt wel omschreven als de bakermat van de Chileense wijnhandel en is volgens Miles ‘one of the regions they’re very proud of here’. Eindeloos grote stukken land zijn er beplant met wijnranken.

In heel Chili – zo groot als Turkije maar dan samengeknepen tot een 4200 kilometer lange strook – beslaat het wijngaardareaal zo’n 120.000 hectare. Doordat het zo langgerekt is, kent het land grote klimaatverschillen. De meeste van de twaalf bekende wijnvalleien liggen tussen het droge noorden en koele zuiden in, in het gebied waar het zogezegd ‘eeuwig lente’ is: steevast zonnig en vrijwel altijd warmer dan 20 graden. De Spaanse conquistadores brachten er ooit de wijnbouw, maar pas halverwege de 19de eeuw kreeg wijn serieuze aandacht, toen Franse druivenrassen werden geïntroduceerd. Inmiddels is Chili na Argentinië de grootste wijnproducent van Zuid-Amerika en ’s werelds vierde grootste wijnexporteur van gebottelde wijn, na Spanje, Italië en Frankrijk.

Vanuit ons hotel brengt Liliana ons naar de lagune en dam Embalse el Yeso, een vreemd grijsbruin maanlandschap waar helemaal niemand is. Het is een plek, begrijp ik, waar inwoners van Santiago graag komen voor een weekendje weg. Dankzij de enorme afstanden die je hier algauw moet overbruggen ontstaan boeiende gesprekken, over onze passie voor de natuur, over relaties, over onze kinderen en over het geloof. Zo ook onderweg naar de verlaten lagune. ‘We leven hier in een dualistische maatschappij,’ vertelt Liliana serieus. ‘De meeste inwoners zijn katholiek, God speelt een cruciale rol in ons dagelijks leven. Maar dieper gaat mijn trouw aan Pachamama (‘Moeder Natuur’). Zij is het hart van de Andes en beschermt ons land – en mij, denk ik, als ik weer eens voor mijn werk op pad ben. Om die reden spugen we ons eerste slokje wijn altijd op de grond, als dankoffer.’

Die avond ontmoet ik ook Paula Portugueis, een sensuele yoga-lerares en tv-presentatrice die met een heuse filmcrew een documentaire draait in en rond het uit adobe opgetrokken hotel. Als ik haar vertel dat ik in de middag de eerste Chileense wijnen van deze reis heb gedronken, bij het ook in Nederland bekende wijnhuis Concha y Toro (zie foto boven dit artikel), verzekert ze me dat ik nu de ziel van haar land heb geproefd. ‘Ik geloof dat de wijn uit Chili het beste is wat onze aarde voortbrengt.’ We zitten in schemerlicht bij een vuurtje in de tuin van het hotel, een glas Sauvignon Blanc in de hand, en kijken naar de contouren van de bergen voor ons die flauw schitteren onder het maanlicht.
‘Je weet wat dat is, toch?’ vraagt ze.
‘Ja, de Andes?’ antwoord ik.
‘Goed en fout. Je kijkt naar de bron van al het leven in Chili.’ 

Mijn literaire vriend Miles zag ook in dat La Cordillera de los Andes een enorme impact heeft op het leven hier, op het landschap, op de kwaliteit van de wijn. ‘I had never had a Chilean white wine before and I realized I was tasting the Andes! How could I not be? They were mere miles away. Their abundant snowfall melted and flowed to the twelve wine regions that made up this fascinatingly topographically diverse country. I was exulting in my head.’ Miles is in alle boeken een klager, een doemdenker, een cynicus die weinig vertrouwen heeft in de mensheid. Maar tijdens deze reis is hij zowat extatisch over wat hij ziet, proeft en ervaart. ‘Chile is spiritualizing you, dude,’ zegt Jack dan ook tegen Miles, als deze de reis beschrijft aan zijn vriend die ook in dit deel een paar dagen met hem optrekt.

Ik nip van een glas Clos Apalta, de topwijn van Casa Lapostolle, een van Chili’s beroemdste wijnhuizen aan de zogeheten Ruta del Vino in de Colchaguavallei, enkele uren rijden ten zuiden van Santiago. Voor mij strekt het landgoed zich tot aan de horizon uit in strakke frisgroene lijnen. De entree, het ontvangst, de bijzondere architectuur en dit onvergetelijk panorama vol wijnranken: onmiskenbaar ben ik hier te gast in een prijzige bodega.

De Clos Apalta, vertelt onze gastheer Gonzola Moraga, is een blend van druiven: 57 procent Carménère, 34 procent Cabernet en 9 procent Merlot. Ik ben geen kenner, maar de dieprode kleur verraadt iets over de fluwelen smaak. Zo zacht en donker. Pure verwennerij, dit uitzicht, deze wijn. Als ik de Clos Apalta ruik, bekijk en daarna door mijn mond laat rondgaan, moet ik denken aan Miles. Ook hij logeert bij deze wijnmakerij en beschrijft ‘a brief tour of Lapostolle’s extraordinary winery. It was essentially a colossal cylinder that had been bored five stories into the granite rock ground. As the wines aged, the barrels were lowered deeper and deeper until finally they came to the bottom floor.’

Dat wil ik ook zien. Gonzola geleidt me via de trappen van het cilindervormige, in een rots uitgehakte gebouw naar de familiekelder, waar duizenden flessen op temperatuur liggen en door gekleurde lampen groen-blauw oplichten. Ik ruik de rijke geschiedenis van deze Chileense wijnfamilie, de Marniers, bekend van de beroemde likeur. Het is een voorrecht hier te zijn, maar ik voel hetzelfde als Miles: ‘It was the dominion of the privileged. I wanted to see the real Chile.’

En dus verlaten we deze luxe en rijden we naar Santa Cruz, een pittoresk stadje waar het oogstfestival Vendimia plaatsvindt, voor de plaatselijke middenstand het event van het jaar. Inwoners en liefhebbers uit het hele land komen om te dansen, naar muziek te luisteren, te eten en het glas te heffen op het leven. In het centrum, op het omheinde dorpsplein Plaza de Santa Cruz, staan stands van wijnhuizen uit de omgeving en kraampjes met streetfood. We komen in de ochtend aan, maar bij de loketten naast de ingang staan al rijen bezoekers te popelen om naar binnen te gaan. Na betaling ontvangen zij een glas en vier bonnetjes waarmee ze Chili’s schatten kunnen proeven.

In het hotel ontmoet ik Paula Cruz, een 25-jarige vrouw die geen enkele moeite doet haar prachtige lichaam te verhullen. Zij vertelt me kort over het festival, maar probeert mij er vooral van te overtuigen dat ik straks de lunch moet genieten met haar baas. Nogal onverwacht zit ik even later aan tafel met deze Carlos Cardoen, een gebruinde zeventiger met golvend grijs haar. Hij heeft niet alleen dit wijnfestival geïnitieerd, maar is ook eigenaar van het grootste hotel, het casino en het museum – een flink gebouw met liefst 10.000 artefacten, van Incagoud tot Duitse pistolen uit de Tweede Wereldoorlog. Een curieuze collectie.

Ik neem een paar hapjes van de overheerlijke pastel del choclo, een typisch Chileense maispastei met kip. De wijn vloeit rijkelijk. Zodra ik twee, drie slokjes heb genomen, wordt mijn glas alweer bijgevuld. Met wijn uit het huis van Cardoen, dat spreekt voor zich. ‘Wijnmaken is een passie,’ verzekert Carlos me. ‘Zonder passie ben je als wijnmaker kansloos, want zeker in de beginjaren verdien je niets. Het is een onderhandeling met de aarde. Je geeft zweet en tranen en krijgt er liefde voor terug.’

Wijnmaken is een onderhandeling met de aarde. Je geeft zweet en tranen en krijgt er liefde voor terug.

Cardoen is overduidelijk de ongekroonde koning van Santa Cruz, een echte Don. Na de lunch, die werd afgesloten met een bordje chilenito y helado de lúcuma (ijs van de tropische lúcumavrucht), lopen we samen, en met zijn assistent Paula, naar het festival. Hij draagt een huaso, de voor Chili zo kenmerkende hoed, en een chamanto, een fleurige poncho van wol. Iedereen zwaait naar hem en probeert hem de hand te schudden.

Maar ik besluit beiden te danken en neem afscheid, want het echte Chili, waarvoor ik het plaatsje uiteindelijk bezoek, vind ik op het plein, in de wijn drinkende menigte, die me voortdurend aanspreekt en met me proost. Deze gastvrijheid, die altijd gepaard gaat met een glas wijn, voel ik tot nu toe overal in het land. Gezamenlijk genieten we van een cueca-optreden, waarbij mannen en vrouwen gehuld in traditionele kledij elkaar met wapperende zakdoekjes en de handen in de lucht het hof maken. Ik loop verder maar word meteen weer uitgenodigd. ‘Uit Nederland? Kom bij ons zitten!’ Dat een bezoeker helemaal uit Europa komt om dit feest bij te wonen, dat moet gevierd worden. Chinchín!

Net als Miles rijd ik de volgende dag verder richting kust, naar Valparaíso, ‘this really cool, charmingly dilapidated city that was once considered the San Francisco of the south. And it, too, like their wine industry, is an emerging gem.’ Voor we dit kleurrijke werelderfgoed bereiken, passeren we de San Antoniovallei, een nogal onwaarschijnlijke plek voor wijnbouw, aangezien de vallei zo dicht bij de ruige kust van Chili ligt, maar in 1970 werd toch een poging gewaagd – en met succes.

Een van de bekende huizen hier is Matetic, bekend vanwege de (biologische) Syrahwijnen en gelegen in een heuvelachtige streek. Het door de woeste zee grillige klimaat krijgt door die beschermende omgeving niet echt vat op de druiven. Wanneer ik er aankom, gaat net de eerste oogstdag van het seizoen van start. Tientallen arbeiders plukken met de hand Sauvignon Blanc-druiven, achtduizend kilo per dag. De zon schijnt fel, er wordt gelachen, ik proef een druif, mierzoet van smaak. Het is een machtig gezicht, al die glooiende ranken en honderden druiventrossen die in emmers verdwijnen en op een grote kar worden geplaatst – op weg naar een glas in de toekomst.

Als we later Valparaíso binnenrijden, rolt een massieve Pacifische mist over de haven het land binnen. Het stadsgezicht wordt hier bepaald door migranten, door de ligging en door de architectuur.

Want wat is hier aan de hand? Aan de voorzijde van veel huizen zie je één verdieping, maar loop je om, dan bevatten de woningen door de sterk hellende straatjes soms vier verdiepingen waarbij inwoners van uiteenlopende nationaliteiten elkaars woonkamers moeten passeren... Valparaíso was ooit een rijke stad dankzij de goudkoorts in de VS, een belangrijke tussenstop. Maar toen het Panamakanaal in 1914 opende, kwam aan die hoogtijdagen een eind.

’s Avonds kijk ik vanaf een hooggelegen terrasje uit over de haven, nog altijd belangrijk voor het transport van koper, hout en vis, Chili’s belangrijkste industrieën. (Wijnbouw en toerisme bezetten respectievelijk de vijfde en zesde plaats, na landbouw.) Het uitzicht is schitterend, letterlijk. De sterrenhemel lijkt feilloos over te gaan in de duizenden lichtjes van woningen op de heuvels. Voor mij staat een glas Marques de Casa Concha, een Cabernet Sauvignon 2013 uit de Maipovallei, die ik eerder al had geproefd in wijnhuis Concha y Toro en daar werd geprezen als ‘de koning aller koningen’. Als ik een slok neem en de diepe, donkere, volle smaak op mijn tong laat dansen, kan ik me even geen mooiere bestemming indenken.

Maar in Chili drijft die gedachte geregeld naar boven, zo ook in de Atacamawoestijn in het uiterste noorden van het land. Hier wordt weinig wijn verbouwd, maar ik wilde erheen omdat ook Miles Raymond tegen het einde van het boek krijgt te horen dat hij beslist de Atacama moet bezoeken. ‘Is there wine there?’ vraagt hij sceptisch, waarop zijn gesprekspartner moet lachen en antwoordt: ‘No. It is the driest desert on the earth. When you talked about the supernatural, I think you will find it there.’

Om vijf uur in de ochtend gidst Krasna Ostoíc Harvey ons naar Salar de Aguas Calientes, een zoutvlakte in natuurreservaat Los Flamencos. Het is ijskoud, maar wanneer de zon heel langzaam opkomt, wordt niet alleen de temperatuur aangenamer, ook verandert de blauw-grijze lagune voor ons in een wereld vol warmte. Krasna, een slanke, sportieve vrouw uit Santiago en naar eigen zeggen ‘verhuisd naar de natuur en vrijheid van dit noordelijke paradijs’, waadt door het water. ‘Begrijp je nu waarom ik verliefd ben op de Atacama?’ roept ze, met haar armen gespreid. Haar gezicht kleurt oranje in dit gouden uur, haar verschijning completeert het landschap, zo lijkt het. Een surrealistische scène.

Op andere dagen in de woestijn bezoeken we haast buitenaardse plekken als Valle de la Muerte, Valle de la Luna en het beroemde geiserveld El Tatio, gelegen op 4300 meter hoogte. We zijn uren onderweg, maar komen echt niemand tegen, behalve dan een groepje van zo’n twintig vicuñas die zich tegoed doen aan coiron, hard, felgroen kleverig gras – die onwerkelijk lege ruimte blijft op mij, afkomstig uit een drukbevolkt landje, altijd indruk maken.

De beminnelijke Krasna doceert intussen over de eerste bewoners van dit onherbergzame gebied, de rol van de Andes als grens, de vulkanen die hier als een trits zandgebakjes de horizon bepalen, maar ook over de trots die de Chilenen voelen. ‘Ons land is als een eiland, ver weg, omringd door zee en bergen. Maar dankzij de wijn, deze woestijn en Patagonië is Chili op de kaart gezet.’

Heel bewust verblijf ik hier in hetzelfde hotel als Miles, dat hij immers omschrijft als ‘un-fucking-be-liev-a-ble’. ‘Tierra Atacama is a luxury resort just outside San Pedro de Atacama, the main town that services the tourists who come from all over the world to see the desert’s unique beauty.’ Vanuit mijn inderdaad uiterst comfortabele kamer in dit boutiquehotel zie ik in de verte Licancabur liggen, een ruim 5900 meter hoge vulkaan waaruit pluimpjes rook opstijgen – een herinnering aan de onrustige geologie van de Andes. De bodems rond het gebergte zijn volgens Miles ‘amazing – alluvial, granite, volcanic, really mineral rich’ en voeden het leven hier, waaronder ook de druiven die Chili tot een van de spannendste wijnlanden van dit moment maken. Ik begrijp nu waarom Rex Pickett, de schepper van mijn papieren reisgenoot, voor het derde deel van zijn wijnromans Chili als decor koos.

Rafael Riquelme, de ober in Bocanáriz in Santiago, waar dit verhaal begon en waar ik mijn rondreis eindig, brengt me mijn tweede reeks glaasjes wijn, waaronder een verrukkelijke Lapostolle Malbec. Buiten en in de wijnbar zie ik vooral jonge Chilenen, lachend, kletsend, elkaar omarmend. Rafael maakt bij een ander tafeltje een praatje met wat vrienden. Geluk in de grote stad. In deze ontspannen ambiance voel ik hoe de wijn – en daarmee de Andes en dus ook Chili – door mijn aderen begint te stromen. Voor Miles Raymond was het bezoek aan dit land ‘the journey of my life’, en ja, ik geloof dat ik inmiddels ook inzie wat het betekent om de ziel van Chili te proeven.

Mijn reis is voorbij, ik sla het boek dicht.

Paul Römer en Raymond Rutting maakten voor Traveler eerder ook reportages in Panama, Brazilië, Argentinië en Zuid-Afrika. Sinds deze reis staat Lapostolle Malbec op hun lijstje van favoriete wijnen. 

Lees meer