China

Shangri-La: Voorbij de horizon

Een schrijver gaat op zoek naar de sporen van zijn grootvader die naar China trok om fortuin te maken, maar die nooit meer terugkeerde. donderdag, 9 november

Door Scott Wallace
Foto's Van Michael Yamashita

‘Kan dit ’m zijn?’ vraagt Na Niu, tempelbeheerder in het gehucht Tong Dui, in China’s ruige provincie Yunnan. Met zijn knokige handen vouwt hij een zijden sjaal open. Er verschijnt een oude, verweerde zwart-witfoto met een gekarteld randje, typisch voor de jaren ’30. In die tijd reisde mijn eigenzinnige opa van moederskant rond in dit grensgebied, waar de bergen van Yunnan tegen Tibet aanschurken.

Ik bekijk de foto aandachtig. Vijf gezichten staren me uit het verleden aan, als gezanten van een verdwenen rijk: drie boeddhistische lama’s in gewaden, en twee westerlingen in colberts. Teleurgesteld zie ik dat geen van de westerlingen gelijkenis vertoont met mijn grootvader: Francis Kennedy Irving Baird. In deze contreien – de bergen en ravijnen van de oostelijke Himalaya – beweerde Baird in 1931 een ‘verloren volk’ te hebben ontdekt, vooruitlopend op het niet-bestaande Shangri-La, dat James Hilton twee jaar later zou beschrijven in zijn roman Lost Horizon (in het Nederlands verschenen onder de titel Het verloren paradijs).

In mijn jeugd was er weinig bekend over Baird – en er werd nog minder over gesproken. Mijn moeder had wel een foto van hem tussen de familieportretten op de muur in de ouderlijke slaapkamer opgehangen. Die kamer glipte ik dan binnen om het portret van mijn knappe opa met zijn ruige haardos te bestuderen. Hij poseerde op een berg in een gebied dat héél ver weg moest zijn. Ik was gefascineerd door deze raadselachtige foto. Waar was hij gemaakt? Onder welke omstandigheden? Was mijn opa een ervaren ontdekkingsreiziger? Of een charlatan? Hij leek me een man die zó van reislust bezeten was dat hij een gewoon leven als gevangenschap moet hebben beschouwd. Of was dat mijn eigen fantasie?

Mijn moeder was amper 5 jaar toen ze hem op een pier aan de Hudson vaarwel zwaaide. Hij vertrok in 1930 op een oceaanstomer naar Azië, met de belofte rijk en beroemd terug te keren. Maar hij kwam nooit terug.

Mijn moeder zou nooit weten hoe het hem verging, en of hij überhaupt nog leefde. Toen ik ouder werd en zelf reizen naar steeds afgelegener streken begon te maken, zei ze altijd dat ik naar haar vader aardde. Of Baird een ‘verloren stam’ had ontdekt, is de vraag. Mijn eigen reizen zouden me uiteindelijk naar een soortgelijke, in isolatie levende stam in het hart van de Amazone voeren. Hoe waren die vreemde parallellen te verklaren: tussen mijn leven en dat van een man die ik slechts van oude foto’s kende? Tussen onze gedeelde passie voor het reizen en onze weerzin tegen een gesetteld bestaan? Onze zoektochten naar ‘verloren stammen’? Wat trok hem in de Himalaya en het Tibetaanse Plateau zo aan waardoor hij huis en haard in de steek liet? En in hoeverre heeft hij mijn eigen reislust beïnvloed? Ik zocht antwoorden. En dat doe ik hier, in deze uithoek in het zuidwesten van China.

Ik geef de oude foto terug aan Niu. M’n opa staat er niet op. Maar dit gehucht met zijn boeddhistische heiligdom heeft iets van de mystiek die hij moet hebben gezocht. Misschien is de foto van Baird in de ouderlijke slaapkamer wel op deze plek gemaakt, uitkijkend over tarweterrassen met daarachter de witte pieken van het Hengduangebergte, dat zich eindeloos in de verte uitstrekt. Een landschap dat tot een passage als deze, uit Lost Horizon, kan hebben geïnspireerd: ‘Tot in de verste verte (...) strekten zich besneeuwde en met gletsjers behangen pieken uit, ogenschijnlijk zwevend op enorme wolkenlagen.’ Als ik Niu bedank en wil opstappen, begint hij te praten. ‘Het vliegtuig van de buitenlanders maakte een noodlanding in de bergen. Daarna kwamen ze naar dit klooster.’ Ik sta als aan de grond genageld. Mijn tolk, Liming Jia, onderbreekt de vertaling van Niu’s Chinees en stamelt: ‘Hij heeft het over Lost Horizon! Ze kennen het boek niet, maar het maakt deel uit van hun geschiedenis. Ongelooflijk!’

De hoofdpersoon in Lost Horizon, Hugh Conway, overleeft een noodlanding in de Himalaya en trekt door de bergen naar een afgelegen Tibetaans klooster genaamd Shangri-La. Verlichting en harmonie heersen in dit mythische oord, waar de bewoners uitzonderlijk oud worden. Ik luister aandachtig, want nog voordat Hiltons boek de wereld fascineerde, lijkt mijn opa op zoek te zijn geweest naar een soort Shangri-La. In een verslag in 1931 in The New York Times beweerde Baird dat de stam die hij had ontdekt, in harmonie leefde en uit een fontein der jeugd dronk, waardoor de leden meer dan 100 jaar oud werden.

Ik begon de zoektocht naar mijn grootvader een paar dagen eerder, in het plaatsje Zhongdian, dat zich sinds 2001 – na een lobbycampagne bij de Chinese overheid – Shangri-La mag noemen. Aan de rand van het dorp staat een klooster met vele bouwlagen, als een replica van het Potalapaleis in Lhasa. In het oude centrum staan talloze herbouwde houten huizen, en overal bieden krakkemikkige winkeltjes met namen als Thousand Joy Supermarket hun waar aan drommen toeristen aan.

Er moet ergens een authentieker Shangri-La bestaan, en dus keer ik terug in de voetsporen van mijn grootvader en ga op weg naar het afgelegen Yunnan, in het zuidwesten van China. Omdat ik geen mandarijns spreek en het gebied niet ken, reis ik met Songtsam, een touroperator die vijf comfortabele huisjes in bewust afgelegen gehuchten runt.

Mijn reis zal me noordwaarts brengen, naar een van China’s ruigste wildernissen: het beschermd gebied van de drie parallelle rivieren, waar de Salween, de Mekong en de Jangtsekiang zich met donderend geweld van het Tibetaanse Plateau storten en zich, door ravijnen die tweemaal zo diep zijn als de Grand Canyon, een weg slijpen door de bergen van Yunnan. Het grootste deel van mijn route ligt binnen de Autonome Tibetaanse Prefectuur Dêqên, een district van ruim 23.000 vierkante kilometer. Tot ver in de jaren ’30 woonden in dit ruige gebied oeroude en geïsoleerde culturen – de ideale plek om naar de ‘verloren stam’ van mijn opa te zoeken.

‘Voor Tibetanen is Shangri-La geen reële plek, maar een gevoel in ons hart,’ zegt Baima Dorje, de 48-jarige oprichter van Songtsam Lodges op een van mijn eerste avonden in Yunnan. In het hoofdverblijf van Songtsam, aan de rand van het huidige Shangri-La, genieten we van stomende koppen varkenssoep. ‘Iedereen heeft zijn persoonlijke Shangri-La nodig.’

Toen ik hier binnenstapte, waande ik me meteen in de roman van Hilton. De lucht was zwanger van wierook met dennenbomengeur, en kaarsen brandden in urnen gevuld met water. Liming Jia, een tengere vrouw met amandelogen, geeft me een kop gemberthee. ‘Dat helpt om aan de hoogte te wennen.’ Ze is directeur van Songtsam en een ervaren gids. ‘We zitten op ruim 3000 meter.’

Ik herinner me dat Conway, de hoofdpersoon uit Lost Horizon, verbluft was over die combinatie van westerse luxe en oosterse aandacht voor detail die hij in zijn berghut aantrof: ‘Tot dan toe lieten de voorzieningen in Shangri-La niets te wensen over.’

Omdat ik dolgraag de tradities wil leren kennen die mijn grootvader naar dit verre land lokten, reageer ik enthousiast wanneer Tupton, een gids van Songtsam, me voorstelt om zijn ouderlijk huis te bezoeken. Terwijl we met de hotsende Land Rover van het hotel het stadje uit rijden, roept hij lachend: ‘Noem me maar Top-Tien.’ Boven berijpte, glinsterende dakpannen zweven rookslierten in de decemberlucht. In het midden van een rotonde rijst een boeddhistische schrijn op, als een reusachtig schaakstuk. Dan zoeven we langs akkers met nieuwe, blokkige huizen. Yunnan lijkt met de dag welvarender te worden. Maar voor velen blijft het leven hier zwaar, zoals blijkt uit de oude vrouwtjes die gebukt gaan onder hooibalen, en uit aftandse tractors die karren vol krijsende varkens trekken.

We stoppen bij een gebouw met een lemen omheining, waar kleurige bidvaantjes wapperen in de wind. In een ruime kamer op de bovenetage zitten de ouders van Top-Tien voor een smeedijzeren houtbrander. De muren zijn met kleurige boeddhistische motieven beschilderd, waaronder een dharmawiel rondhet yin- en-yangsymbool. De vader van Top-Tien, Nanjie, staat op en begroet ons. Zijn moeder Bancong legt hout in de stoof; met haar hoge jukbeenderen en blauwe hoofddoek lijkt ze een ware dochter van de Aziatische steppe. Nanjie geeft me een kop thee van dikke yakboter. Ook Baird maakte dit soort huiselijke taferelen mee. Jaren later schreef hij in Sipa Khorlo: The Tibetan Wheel of Life: ‘Ik meen dat er duizenden in het Westen zijn die met genoegen hun wereldse bezittingen opgeven voor enkele dagen van het serene geluk dat deze zorgeloze Himalaya-stammen kennen.’

Zo sereen was het hier tijdens de Culturele Revolutie van de jaren ’60 niet. ‘We moesten religieuze symbolen vernielen,’ herinnert Bancong zich, ‘en portretten van Lenin, Marx en voorzitter Mao aan de muur hangen.’ Onder het Achtvoudige Pad van de Boeddha warmen we ons nu aan de vriendschap, zoals mijn grootvader dat tachtig jaar eerder in Tibetaanse huizen moet hebben ervaren. Nu de roerige tijden van Mao in vergetelheid raken, zijn de mensen tevreden. ‘Ons ontbreekt niets,’ zegt Bancong. Bij mijn vertrek knoopt Nanjie een witte kata, een ceremoniële sjaal, rond mijn hals. ‘Dat brengt geluk,’ legt Top-Tien uit. ‘Het is onze manier om je een goed leven te wensen.’

Aan dat goede leven moet Francis Kennedy Irving Baird hebben gedacht toen hij naar de Himalaya en de Oriënt reisde. Niet een leven van materiële rijkdommen, en zeker niet een van plichtsbesef jegens het gezin. ‘In plaats van de studie der medicijnen verkoos hij het najagen van kennis en avontuur in tot dan toe onbereisde en ontoegankelijke streken,’ aldus de inleidende biografie in zijn boek Sipa Khorlo, dat hij samen met reisgenote Jill Cossley- Batt schreef, een echte ontdekkingsreiziger en iemand die een wat schimmige plek in onze familiegeschiedenis inneemt.

Mijn eigen najagen van kennis heeft me naar het dorp Tong Dui gevoerd, waar Jia iemand wil bezoeken. ‘Hier maakt een meester zwart aardewerk,’ vertelt ze. ‘Hij is uniek in deze regio.’ Ze leidt me een trap van boomstammen op, een donkere kamer in. Daar haalt pottenbakker Sun Nou Qiling een paar versgebakken kruiken in de vorm van duiven uit het smeulende houtskool.

‘Die zijn voor het schenken van tarwewijn,’ zegt de 64-jarige Qiling, een korte, kalende man met een gebogen rug. Hij kneedt een klomp klei en maakt een kunstwerk, waarna hij het procédé toont door de vorm in de as te begraven.

‘Mijn familie doet dit al vijf generaties.’ Dat betekent dat zijn voorvaderen dit ambacht uitoefenden toen mijn grootvader hier rondreisde. Kan hij hier langs zijn gekomen en een souvenir hebben meegenomen? Wie weet. Mijn moeder erfde niets. Omdat ik mijn kinderen en kleinkinderen graag wat tastbaarders wil nalaten, vraag ik Qiling om de kruikjes in te pakken. Dat doet hij met zichtbaar plezier. Dan omvat hij mijn uitgestoken hand met beide handen en zegt: ‘Kom nog eens langs.’

Als Shangri-La een reële plek was, zou het heel goed in de Meilibergen kunnen liggen. In het vale ochtendlicht van mijn vijfde reisdag kijk ik, vanuit de Meili Lodge van Songtsam, op tegen vijf kolossale besneeuwde toppen, onderdeel van het Meili-Sneeuw-gebergte. Jia warmt haar handen aan een kolenkomfoor en wijst op de hoogste piek. ‘Kawagarbo, een heilige berg voor Tibetaanse boeddhisten.’ Zijn grandeur herinnert me aan de Karakal, de ijzige piek in Hiltons Lost Horizon: ‘Het was een welhaast perfecte kegel van sneeuw (...) zó blinkend en majesteitelijk oprijzend dat hij zich kort afvroeg of dit alles wel echt was.’

De Meilibergen vormen het noordelijke eindpunt van mijn reis; op de verste flank van de Kawagarbo begint Tibet, waar grootvader Baird ook rondreisde. Gesterkt door een ontbijt van gerstpannenkoeken en wilde honing nemen Jia en ik afscheid van het vriendelijke personeel van de lodge en reizen zuidwaarts, naar de bovenloop van de Mekong: onze doorgangsroute naar stedelijk gebied. De weg gaat langs een panorama met dertien glimmende stoepa’s, één voor elke piek van de Meilibergen. Dit is ons laatste weidse uitzicht over de scherpe toppen van deze stralend witte bergketen. In een kiosk kopen we wierook en dennentakken om Kawagarbo gunstig te stemmen. Terwijl ik mijn offergaven in een ceremoniële oven naast de stoepa’s schuif, prevel ik een gebed voor mijn grootvader, wensend dat hij de gemoedsrust heeft gevonden die hij in deze afgelegen bergen zocht.

Twee dagen later neem ik afscheid van Jia en reis naar het historische stadje Lijiang, ooit een beroemde pleisterplaats op de route tussen de theeplantages in het zuiden van Yunnan en de steden Lhasa en Kathmandu in het westen. Het oude centrum van Lijiang staat op Unesco’s werelderfgoedlijst, maar ik ben hier vooral uit respect voor de Oostenrijks-Amerikaanse botanicus en ontdekkingsreiziger Joseph Rock, een kluizenaar die bijna dertig jaar in het dorpje Yunu woonde, even buiten Lijiang.

Ik vind zijn huis van steen, hout en dakpannen – nu een museum – ergens in een wirwar van steegjes tussen lemen muren, in de schaduw van de Jadedraak-Sneeuwberg. Van hieruit verkende Rock in de jaren ’20 en ’30 de uitzonderlijke variëteit van landschappen in Yunnan – van warme, subtropische valleien tot ijskoude bergflanken – en onderzocht exotische planten en lokale culturen, die hij in National Geographic Magazine beschreef. Bij het schrijven van Lost Horizon putte James Hilton inspiratie uit Rocks artikelen en foto’s.

Zouden die verslagen ook mijn grootvader hebben aangespoord? Ik moet denken aan een brief die Baird vanuit deze bergen naar huis stuurde, waarin hij schreef over de aanschaf van pistolen en de gevaren die hem te wachten stonden. De verloren stam die hij zocht mag dan een harmonische gemeenschap van lang levende mensen zijn geweest, in het gebied dat hij doorkruiste heerste onrust.

Op onze laatste middag samen had Jia gegrapt dat ze me naar het dorp van een ‘verloren stam’ zou brengen, een plek waar grootvader Baird zeker van gehoord moest hebben. Onze auto volgde een weg die was uitgehakt in de klif van een ravijn; tijdens onze klim overstemde het gebulder van het riviertje beneden ons de protesterende versnellingsbak. De weg werd vlak toen we bij een drie meter hoge houten cilinder binnen een dieprode pagode kwamen. ‘Een gebedsmolen,’ zei Jia. ‘Aangedreven door water.’ Via een smalle geul stroomde het water onder de molen door, waar schoepen het Achtvoudige Pad van de Boeddha deden draaien.

Bij dit relict uit een ver verleden besefte ik dat onze voorouders nog ontzag voelden voor simpele zaken als het wisselen der seizoenen of de bloei van een bloem. Een tijd die – bijna – is vergeten. Bij elke omwenteling van de molen klonk een zacht belgerinkel, dat zich mengde met het gelach van kinderen uit een school, hogerop in de heuvels. De ondergaande zon wierp lange schaduwen over de kloof.

Ik dacht aan mijn eerste avond in Yunnan, toen ik met Baima bij een ziedend haardvuur zat. ‘Ik geloof dat in deze gebieden nog altijd verloren stammen voorkomen,’ had hij me gezegd.

Toen ik naar de auto liep, bedacht ik me dat hij misschien gelijk had, dat er voorbij die bergkam, in de volgende vallei, een onbekend volk zou kunnen wonen. En heel misschien heeft mijn grootvader in dit mysterieuze land de harmonie en verlichting gevonden waarin hij zo graag wilde geloven. En woont hij daar, bij dat volk.