Daphne Bunskoek: Op zoek naar het ware Curaçao

Daphne Bunskoek reisde naar de Antillen en ging er op zoek naar het ware Curaçao.donderdag 9 november 2017

Door Daphne Bunskoek
Foto's Van David de Jong

Op het bordje van sloophout lees ik dat ik goed zit. ‘Tortuga Trail’ staat er. Nadat ik omhoog ben geklauterd via een touw en een geïmproviseerde trap, bewandel ik het pad dat me naar de rand van de ruige noordkust van Curaçao brengt – en met enig geluk ook naar de zeeschildpadden. De lucht is strakblauw, de sterke, warme wind blaast door de metershoge kadushicactussen. Zover het oog reikt strekken scherpe rotsformaties van verkalkt koraal en vulkanisch gesteente zich voor me uit. Golven slaan spectaculair stuk op de rotsen. Dichter bij zee zitten twee mannen die met verse krab grote vissen vangen uit het water tientallen meters beneden hen. Als de een beet heeft, haalt de ander de buit binnen door een dreganker te gooien waaraan de vis vastgespiest en omhooggetrokken wordt. De kunst is hier niet het vangen, maar het binnenhalen van de buit. Groeten doen de mannen niet. Wel wordt er gesproken over een geheimzinnig dodelijk ongeval, jaren geleden. Iets met de rotsen, een valpartij, een echtgenoot en een net afgesloten levensverzekering. Je kunt het je hier voorstellen.

Ik bevind me halverwege het eiland bij Boca Ascencion. Een gebied dat naar het noorden overloopt in nationaal park Shete Boka, met negen vergelijkbare baaien met elk zijn eigen indrukwekkende staaltje natuurgeweld. De kustlijn van het park beslaat meer dan tien kilometer, en in de uren die ik er rondrijd en wandel kom ik nauwelijks andere bezoekers tegen. Aangrenzend ligt het bekendere Christoffelpark met het hoogste punt van Curaçao, de 375 meter hoge Christoffelberg.

Rosa van Frente Al Mar verwent haar gasten met authentieke gerechten, zoals verse rode snapper.

Het is mijn tweede bezoek aan Curaçao. De eerste keer deed ik wat de meeste toeristen doen en waarvoor ze ook de reis naar de Antillen ondernemen: bijkleuren op het strand, snorkelen langs koraalriffen en boekjes lezen in de schaduw van een palmboom. Curaçao, twee keer zo groot als Terschelling, is een laagdrempelig eiland. Als je wilt, kan alles hier zoals het thuis gaat: Nederlands spreken, Nederlands eten, Nederlands bier drinken, er zijn Nederlandse kranten, in de auto klinkt de Nederlandse radio en als je niet uitkijkt, sta je ineens bij een concert van een Nederlandse volkszanger. Contact met de lokale bevolking is er dan nauwelijks. Verraderlijk on-Nederlands is de tropische zon in combinatie met de verkoelende zeewind. Zodoende herken je veel Nederlanders dan ook aan hun roodverbrande lijven. Afijn, die kant van het eiland kende ik dus al. Dat contact is nu, tijdens mijn tweede bezoek, juist waarnaar ik op zoek ben. En ik wil die ‘andere kant’ graag zien en beleven. Daarom laat ik de stranden ten oosten van Willemstad rond de Jan Thielbaai voor wat ze zijn en volg ik de weg naar Westpunt, noordwaarts. Op zoek naar die zeeschildpadden dus.

Wie het vliegveld Hato passeert, reist een andere wereld binnen. De natuur is er wilder, de bomen hoger, er is meer groen en vooral: er zijn hier veel minder mensen. De noordkust van Curaçao kan onder de bijna vier miljoen toeristen die het eiland jaarlijks bezoeken rekenen op beduidend minder aandacht dan de zuidkust. Ook de meeste van de 137.000 eilandbewoners komen er niet of nauwelijks. Aan deze kant zijn er geen stranden, je vindt er bijna geen bebouwing, af en toe staat ergens verdwaald een huisje, in de verte zie je wat windmolens. De wegen zijn hier paadjes, hobbelig en kronkelend tussen de knoek (platteland).

Het ziet er woest en aantrekkelijk uit. Links van mij stroomt het water zo’n 500 meter landinwaarts. Van waar ik sta spot ik na enkele minuten vijf waterschildpadden die zich in deze betrekkelijk veilige haven tegoed doen aan het overtollige zeewier. Hun enige vijanden zijn hier schijnbaar de Chinezen, want in enkel de Chinese taal wordt op grote borden aangegeven dat je de schildpadden niet mag meenemen. Althans, dat maak ik op uit de tekeningen die de tekst vergezellen.

Ik hobbel terug naar de ‘weg naar Westpunt’ en vervolg mijn rit gadegeslagen door de traag bewegende, groene leguanen die zich prima thuis voelen in dit weinig genereuze landschap. Ik zie ze zich beminnelijk vasthouden aan cactussen, zonnebadend op de rotsen, maar nog vaker zie ik ze platgereden op de weg. Op de meeste Caribische eilanden zijn de leguanen een beschermde diersoort. Niet op Curacao. Dat weten ook de warawara’s, de plaatselijke roofvogels die lui over de wegen stappen, na elke passerende auto zoekend naar een smakelijke roadpizza.

Wie in het westen van Curaçao richting westpunt rijdt, komt langs landhuis Ascension, een van de oudste plantagehuizen. Een zandweg brengt de bezoeker naar de ruige kustlijn.

Ik heb een afspraak met Tirzo Martha, volgens mij een van de meest getalenteerde kunstenaars van het eiland. Hij woont op een heuvel in de buurt van Cas Abou, waar tekkels en fox terriërs rond het huis rennen (onderdeel van een sociaal adoptieprogramma van zijn vrouw) en van waaruit hij een prachtig uitzicht heeft op de lager gelegen huizen en het groene dal.

Martha is ervan overtuigd dat kunst veel kan betekenen voor de nieuwe generatie van Curaçao, maar, vertelt hij: ‘Je echt uiten hier op het eiland is voor veel mensen een groot probleem. Alles is gericht op de buitenkant. De binnenkant houden we liever voor onszelf. Praten is slechts één vorm van communiceren. Via kunst leren we onszelf beter kennen.’

Maar omdat er vrijwel geen basis was op Curaçao om je toe te leggen op de kunsten, richtte hij in 2006 samen met kunstenaar David Bade Instituto Buena Bista, op, een vooropleiding voor jonge Curaçaoenaren die in het buitenland een kunstopleiding willen volgen. ‘We moeten op zoek naar onze identiteit. We zijn zoveel meer dan ons slavernijverleden en onze huidskleur – die bepalen toch niet wie we zijn?’

Een groot schilderij met de tekst ‘The difference between me and black’ onderstreept zijn woorden. Er is een zwart, Afrikaans masker op bevestigd, op een Hollands aandoend gehaakt wit kleedje. Met zijn kunst wil Tirzo inzicht bieden in de complexe  structuur van de Curaçaose maatschappij. Overal in het huis hangen of staan zijn grote, kleurrijke werken. Er is op geschilderd, getekend, er zijn flesjes rum op getaped, een rij gekleurde bezems door het doek gestoken. Aan de achterkant hangen kluwen snoeren of verfrommelde kranten. ‘Zo is het ook bij Curaçaoenaren; de voorkant is netjes en gepolijst en aan de achterkant is het een rommeltje,’ zegt hij met een brede lach.

Die nette en gepolijste voorkant kom ik ook tegen als ik die avond rondloop door de straten van de wijk Otrobanda, letterlijk ‘de andere kant’ van het centrum van Willemstad. Alle huizen lijken pas geverfd en zelfs de meest onooglijke bouwval is van een lik pastelverf voorzien. Dat blijkt het werk van onder anderen Kurt Schoop, een van de betrokken bewoners uit de wijk die de wandeling deze avond hebben georganiseerd om te laten zien hoe de wijk is opgeknapt.

De wijk Otrobanda in Willemstad.

De kleuren van de huizen die zo kenmerkend zijn voor het eiland kennen trouwens een geestige geschiedenis. Albert Kikkert,  in 1816 benoemd tot Gouverneur-Generaal van Curaçao, vaardigde een decreet uit dat de witgekalkte huizen op het eiland zo snel mogelijk in pasteltinten geverfd moesten worden. Het wit van de gekalkte huizen zou tot blindheid leiden en voor algehele gezondheidsproblemen zorgen. Toen deze grote operatie was voltooid, werd pas duidelijk dat Kikkert de eigenaar van de enige verffabriek op het eiland was. De doctrine van Kikkert geeft nog steeds elk bouwval kleur.

Voor zijn werk kwam Schoop zo’n tien jaar geleden in Otrobanda terecht, en hij was op slag verliefd op de mensen en hun levensinstelling. ‘De relaxte sfeer die hier heerst aan de ene kant en de daadkracht van de bewoners aan de andere, trok me enorm aan. Ik voelde me gelijk thuis.’ Destijds waren de meeste huizen in Otrobanda verkrot en criminaliteit vierde er hoogtij. Samen met buurtgenoten verfde Kurt de leegstaande panden, werden afvaldumpplekken midden in de wijk omgetoverd tot kinderspeelplaatsen en is de veiligheid door middel van betere verlichting en buurtbewaking enorm verbeterd. En nu is hij eigenaar van drie aaneengeschakelde panden in de Ferdinandstraat die hij grondig verbouwde en verhuurt aan toeristen en stagiares.  Het liefst had hij het hele complex in zijn favoriete kleur geschilderd, aquablauw, maar zoals de geschiedenis dicteert kleurde hij het middelste huis in een andere kleur: oudroze.

De volgende ochtend zet ik mijn wandeling door Willemstad voort. De binnenstad staat sinds 1997 op Unesco’s werelderfgoedlijst. Dat was duidelijk geen garantie voor het behoud ervan, en het is te danken aan bewoners als Kurt Schoop en Jan Peltenburg, naar wie ik op weg ben, dat die binnenstad weer leefbaar is.

Kleurrijk is Curaçao zeker: van turquiose in de zogeheten ‘blawe kamer’ en de pasteltinten in Willemstads opgeknapte wijk Pietermaai tot bonte vegetatie in het bekende Christoffelpark.

Ik loop van Otrobanda, over de Pontjesbrug, met het uitzicht op de kleurige panden aan de Handelskade, via Punda naar Pietermaai. Peltenburg verhuisde circa dertig jaar geleden naar Curaçao, en inmiddels is ook hij bezig de bouw van zijn eigen huis in Pietermaai te voltooien. In deze wijk vestigden zich in de 18de eeuw kapiteins en eigenaren van de grote schepen. Zij wilden wel in Willemstad wonen, maar liever buiten de destijds bedompte, dichtgebouwde binnenstad. In de jaren ’80 en ’90 werd Pietermaai vervolgens bevolkt door drugsverslaafden, zwervers en prostituees, en geen Curaçaoenaar die eraan dacht hier te gaan wonen. Peltenburg voelde zich wel aangetrokken door deze ‘spookstad’ en samen met twee vrienden knapte hij meer dan veertig panden op in de binnenstad van Willemstad. ‘De zaken die ik hier heb kunnen uitproberen,’ vertelt hij, ‘dat was in Nederland nooit mogelijk geweest. Op Curaçao kun je nog creatief omgaan met de regels.’

Inmiddels is Pietermaai een opkomende, hippe buurt, waar je voor het eerst sinds jaren je hotel uit kunt lopen om een drankje te drinken of een hapje te eten. ‘Je hebt hier geen grote materiële behoeften. Het leven speelt zich buiten af, en het is onmogelijk je hier af te sluiten voor de wereld.’ Dat bevalt hem zichtbaar goed.

Als ik terug kom bij mijn huurauto, zie ik een feloranje sticker op mijn raam geplakt waarop te lezen valt: ‘E tin klem di wil Pega.’ Zelfs met mijn bescheiden kennis van het Papiaments is het me snel duidelijk: een wielklem. De conclusie dringt zich op dat men hier niet met alle regels creatief omgaat. Ik vrees een eindeloos wachten, maar na tien Hollandse minuten ontdoen twee alleraardigste mannen mij van de last en ben ik weer op weg.

Ik zet koers naar een van de vele gratis toegankelijke stranden aan de zuidkant van het eiland richting westpunt, die in het weekend vooral door Curaçaoenaren worden bezocht om bij te kletsen en te barbecueën. Ik ga op bezoek bij Captain Goodlife, die het tot zijn levenswerk heeft gemaakt toeristen met zijn eigen bootje naar de mooiste plekjes van Curaçao te varen. In grote zwierige letters staat over zijn gehele rug ‘Santa Cruz’ getatoeëerd, de naam van het strand waar links op een smalle strook tegen een rotsachtig heuveltje zijn levenswerk ligt: het enige huis in de baai, dat hij erfde van zijn vader en dat hij sinds 1991 aan het renoveren is.

Binnen is het een bonte verzameling van gedroogde kreeftenskeletten, een 3D-afbeelding van het laatste avondmaal, zelf geknutselde spinnen aan het plafond en een open keuken waar zijn naar eigen zeggen befaamde oranje frieten al 120 duizend keer werden geserveerd.

Op Curaçao wordt vrij relaxed omgegaan met de verkeersregels.

Henri Juni Obersi, de echte naam van Captain Goodlife, praat graag en veel. Vooral over zichzelf maar ook over zijn liefde voor Hugo Chavez, over de kleine, blauw gekleurde mozaïektegels (gekregen van mijnheer Wang die hij redde van de verdrinkingsdood) en over zijn dochtertje Antonella Victoria die op 3-jarige leeftijd stierf aan leukemie. Hij heeft vijf kinderen bij drie verschillende vrouwen. ‘Er was een weg, ze konden weg en ze gingen weg.’

We gaan op pad naar Boca Fluit, de blauwe kamer, en Playa Pretu, het zwarte strand. ‘Een experience’ in zijn eigen woorden. Voor zo’n twintig dollar per persoon vaart hij ons in tien minuutjes naar één van de mooiste duiklocaties van Curaçao. Nadat we aan boord onze snorkeluitrusting hebben aangetrokken,  zwemmen we vijf meter onder water en komen omhoog in de grot die zo’n honderd vierkante meter beslaat. Niet iedereen ervaart die zwempartij als prettig en met opkomende gevoelens van claustrofobie verlaten sommigen de grot net zo snel als ze gekomen zijn.

Kijkend naar de ingang zorgt de weerspiegeling van de zon in het water voor een stralende, blauwe gloed. De silhouetten van de medereizigers met hun snorkels en de scholen vissen in het waanzinnig heldere, turquoise water zorgen voor een prachtig, poëtisch beeld. Ik geniet stiekem ook van de rust nu Captain Goodlife zijn verhalen voortzet aan de andere kant van de rots, tegen de enkeling die is achtergebleven op de boot.

Na een halfuurtje meditatief rond te hebben gedobberd varen we langzaam terug. We zwemmen wat bij het zwarte strand en snorkelen rond een gezonken boot van zo’n twintig meter lang waar een kleine betonnen piramide is bijgezet. Het bevat de as van zijn overleden dochtertje. Zijn droom is dat hier honderden piramides gestort zullen worden, waarop koraal zal groeien zodat dit een van de mooiste begraafplaatsen ter wereld wordt. In zijn familie stroomt Libanees  en Cubaans bloed en ook Bonairiaans en Dominicaans. Maar Curaçao is de plek om zulke dromen uit te laten komen en de liefde voor het eiland zit diep. ‘Er is geen plek op de wereld waar we vrijer zijn dan hier. Ik geef mijn leven voor Curaçao,’ zegt hij niet zonder enig gevoel voor dramatiek.

Ik rijd voor de laatste keer voor mijn vertrek over het eiland, raampje open, op de radio een wedstrijdverslag in zangerig Nederlands. Een oudere tegemoetkomende automobilist steekt bij wijze van richtingaanwijzer zijn hand uit het raam. Ik denk aan de woorden van een van Curaçao’s populairste schrijvers, Boeli van Leeuwen. Eind jaren ’80 benoemde hij de essentie van de Curaçaoenaar als volgt: ‘Wij zijn een volk van ongedisciplineerde, inventieve, natuurlijk begaafde mensen, die op geen enkele manier gebundeld kunnen worden tot een regiment. All chiefs, no Indians.’

Ik heb nu een paar van die chiefs ontmoet, en mijn verblijf op Curaçao smaakt naar meer. Wie de tijd neemt het eiland te ontdekken en de mensen te leren kennen. wordt beloond met een ongekende schoonheid, kracht en diversiteit. Ik heb het gevoel dat onze voorzichtige eerste kennismaking is omgezet in vaste verkering. Ik zet de radio wat harder en steek mijn hand uit het raam. Op naar de andere kant.

Bij dit reisverhaal is ook een reiswijzer gemaakt. Lees deze hier.

Lees meer