Denemarken

Deens modern in Kopenhagen

In Kopenhagen draait het om vorm, functie en gezelligheid. Bruce Schoenfeld gaat er op onderzoek uit en ontdekt de frisse stad. donderdag, 9 november

Door Bruce Schoenfeld
Foto's Van Sisse Brimberg en Cotton Coulson

Het regent in Kopenhagen, dus gaan we niet op de fiets naar het Operagebouw. Rasmus Bo Bojesen vindt dat jammer, maar ik niet. Vanachter de ramen van een auto kan ik op m’n gemak bekijken wat ik me van deze plek herinner. Het is tien jaar geleden dat ik voor het laatst in de Deense hoofdstad was.

Samen met chocolatier en restaurateur Bojesen ben ik in de Axelborg, een voormalig bankgebouw dat door hem is omgetoverd tot een centrum voor congressen en evenementen. Behouden zijn de oude houten liften die onderweg niet stoppen (als bij een skilift), zodat de passagiers met perfecte timing moeten in- en uitstappen.

De laatste keer dat ik Bo ontmoette, trakteerde hij me op de chocolaatjes die hij toen had gecreëerd, met kerrie en saffraan. Tegenwoordig wordt chocolade verrijkt met de gekste ingrediënten – bacon, toast, quinoa – maar dit was in de jaren ’90, lang voordat het tot die modieuze fusie tussen zoet en hartig kwam. Zijn chocolaatjes waren niet zozeer de lekkerste, maar in mijn ogen wel de interessantste. Een paar jaar geleden moest ik aan hem denken, toen het Britse blad Restaurant het Kopenhaagse Noma tot het beste restaurant ter wereld uitriep. Noma serveerde in het wild vergaarde planten op eetbare aarde en betrok zijn ingrediënten alleen uit Noord-Europa.

Met Noma als pionier is het culinaire Kopenhagen nu een must. De stad telt dertien restaurants met één of meer Michelinsterren, die de ene na de andere culinaire grens verleggen. Ik zal er een paar bezoeken, vooral om mijn gevoel te bevestigen dat de gastronomische experimenten in de keukens van Kopenhagen de nieuwste uitingen zijn van de creatieve Deense geest.

De Denen zijn vindingrijk als het erom gaat kunstvormen nieuw leven in te blazen – van culinaire hoogstandjes tot gewaagde meubel- en hightech designs. Kopenhagen kent veel traditionele pracht – van keienstraatjes en robuuste gebouwen tot verweerde kanaalboten – en straalt Noord-Europese degelijkheid uit, maar het is vooral de mix van fantasievolle functionaliteit en speelse kunstzinnigheid waarmee deze ‘stad van de toekomst’ op de rest van de wereld vooruit loopt.

Ik logeer in het historische Hotel Alexandra, dat met zijn retrothema het werk van zeven Deense topdesigners uit de vorige eeuw viert, onder wie Finn Juhl, die zijn leven wijdde aan het heruitvinden van de stoel. Ik krijg kamer 338, de Juhl-suite, ingericht met het strakke meubilair dat in de jaren ’50 in de huiskamers van de betere middenklasse zo populair was. Het lijkt erop dat kunstzinnigheid zowel in een gerecht als een meubelstuk geuit kan worden; beide hebben een duidelijk doel en een geaccepteerde vorm, maar kunnen eindeloos worden opgesmukt en verbeterd.

Dat geldt ook voor chocolade. Bojesen voegt er geen rare smaken meer aan toe – dat is zó 1995... Inmiddels gebruikt hij cacaoplanten die hij op eilanden in de Amazone heeft ontdekt. Hij houdt me een chocolaatje voor. Normaliter eet ik ’s middags geen zoetigheid, maar hij stopt het in m’n mond.

‘Het is er de tijd voor,’ zegt hij. ‘Al sinds vanochtend.’

Ik proef.

Vervolgens legt hij me uit hoe het in Kopenhagen tot de huidige boom van toprestaurants is gekomen. Omdat de consument steeds vaker naar de supermarkt ging, hadden traditionele Deense producten het zwaar. En alleen bij bijzondere gelegenheden ging men uit eten. Ik luister, maar in gedachten ben ik bij de chocolade, die dieper, puurder en rijker is dan ik ooit heb geproefd. Voor de tweede keer heeft Bojesen me getrakteerd op het intellectueel meest intense snoep dat ik ooit heb gegeten – en ditmaal is het ook nog heerlijk.

Dineren bij de opera

De veranderingen in Kopenhagen zijn tastbaar. Op een naburige oever glanst het nieuwe Deens koninklijk theater, dat in 2008 zijn deuren opende, en pal daarachter verrijst de imposante Kongelige Bibliotek, de koninklijke bibliotheek, die met zijn kubistische gevels van donker graniet de bijnaam Zwarte Diamant kreeg.

Maar de opmerkelijkste aanwinst is het Operagebouw, ontworpen door de veelgeprezen Deense architect Henning Larsen, die skylines overal ter wereld – van Reykjavik tot Riyad – heeft veranderd. Zijn opera, op een eiland naast de oude dokken, doet denken aan een ultramodern cruiseschip: een en al gebogen vormen, onder een ver uitstekend dak van metaal. Als Bojesen en ik bij het gebouw aankomen, lijkt het bijna uit te varen.

We nemen de lift naar het terras op de vierde etage, dat Bojesen mag uitbaten. Aan de railing kijk ik uit over het ruimtelijke interieur onder mij, geaccentueerd door de eivormige schaal die de concertzaal in het midden van het theater omsluit. Op dit moment zit de opera vol sponsoren voor een nieuwe productie. Buiten de glazen façade zie ik Kopenhagens compacte stadscentrum liggen. We gaan naar het restaurant, dat een kwart van de rondgang om het theater in beslag neemt; de afstand tussen de keuken en het verste tafeltje bedraagt zo’n 850 meter.

Het diner telt zeven gangen. Als ik begin te eten, gaan de deuren van de concertzaal beneden ons open voor de pauze en stromen de bezoekers naar buiten. De tafeltjes rondom ons raken snel bezet. Ik zie dat voor de meeste van deze ‘vrienden van de opera’ een toetje en koffie klaarstaat. Wie vóór de voorstelling bestelt, legt Bojesen uit, mag zijn of haar tafeltje de hele avond houden. En wie nog niet klaar is met dineren, kan tussen de akten door verder eten. Jaloers zie ik hoe de gasten aan hun tafeltjes terugkeren en er schoon bestek, schone servetten en hete koffie aantreffen. Dit is een staaltje van comfortabele Deense gezelligheid – oftewel hygge, het idee dat je in goede handen bent.

De volgende dag loop ik van het centrum naar het noordwestelijk gelegen Nørrebro. Deze wijk is niet het sjiekste deel van de stad, noch het meest historische. Maar het is wel een échte buurt. Het is vandaag een van de eerste mooie lentedagen, en de bewoners hebben hun woonflats van vier, vijf verdiepingen verlaten voor een uitje met de kinderwagen of een bezoek aan het café. De meesten moeten vreemden voor elkaar zijn – Kopenhagen telt immers één miljoen inwoners –, maar door de vriendelijke knikjes en glimlachjes die worden uitgewisseld lijkt het alsof iedereen elkaar kent.

Ik loop door een smal straatje bij een kerkhof en vind een woonflat die ik volgens velen moest bekijken: Birkegade 4-6. Ik kies een naambordje en bel aan. Tot voor kort werden de bewoners van dit slanke gebouw uit de jaren ’50 geplaagd door een lekkend dak. En ze wilden een tuin. Iemand had het lumineuze idee om beide problemen te combineren tot één oplossing: de bewonersraad liet boven op het gebouw een parkje aanleggen, betaald met de aanbouw van drie extra woningen.

Birkegade 4-6 is particulier, en bij toeval heb ik op de bel van een van de leden van de bewonersraad gedrukt. Als ik uitleg dat ik weleens een park boven op een woonflat zou willen zien, zoemt de deur open. Ik loop de trappen op, open een deur en sta dan op een grasheuveltje. Ik zie een tafel met stoelen, om buiten te eten, en een speeltuintje voor de kinderen. En ik geniet van een weids uitzicht over naburige daken en gevels. Opnieuw een voorbeeld van vindingrijke Deense hygge.

Weer op straat loop ik westwaarts naar Manfreds & Vin, een wijnbar met ‘natuurlijke wijnen’, die alleen met wilde gisten en zonder zwavel zijn bereid. Terwijl ik dagdroom en een antwoord probeer te formuleren op de vraag hoe het zou zijn om hier te wonen, groet ik iedereen met een glimlach, alsof we elkaar kennen van de yogaklas of de school van de kinderen. Iedereen – man, vrouw, kind – knikt terug.

Na enkele nachten in de suite van Finn Juhl verhuis ik naar een kamer met meubilair van Verner Panton, het enfant terrible van het Deense design. Zijn ontwerpen van buisstaal en plastic zijn niet veel ouder dan die van Juhl, maar stammen duidelijk uit de culturele revolutie van de jaren ’60. Panton creëerde pootloze stoelen en kartonnen huizen en introduceerde het avantgardedesign bij het grote publiek, met eenvoudig en goedkoop te produceren meubels.

Op mijn hotelkamer lees ik, zittend in een originele Panton-stoel (de ‘S-stoel’), op een ochtend een artikel over een prijsvraag van een Deense kunststichting, bedoeld om het door Juhl ontworpen meubilair van het VN-gebouw in New York te vervangen. De winnaar: het Deense bureau Salto & Sigsgaard. Hun baanbrekende ontwerpen van gebogen hout en leer zullen binnenkort gepresenteerd worden.

Panton had het niet zo op ceremonies, en ik ook niet. Dus zoek ik het adres van Salto & Sigsgaard op en ga op pad. Ik verwacht een hoog gebouw met een receptionist, maar het kantoor van dit hemelbestormende designbureau is een winkelpandje met een gesloten deur. Als ik wil weglopen, scheurt een witte auto het parkeerterrein op. Kasper Salto en Thomas Sigsgaard stappen uit. De plaatselijke beroemdheden komen terug van een reeks tv-interviews, maar hun atelier doet denken aan de ijssalon verderop. ‘We hoeven niet vijftig medewerkers te hebben,’ zegt Salto nadat hij me heeft binnengelaten. ‘Die ambitie hebben we niet. Onze ambitie is om perfecte dingen te maken.’

Salto’s samenwerking met architect Sigsgaard begon in 2003, toen ze de bureaulamp Nosy ontwierpen. Zeven jaar later kwam de lamp in productie. Een paar jaar later ontwierpen ze nog een lamp. En weer wat later een stoel. Je zou nu een tafel of een serie tafels verwachten, maar dat is niet de manier waarop de Denen werken, legt Salto uit. Ze wachten liever op het volgende designprobleem dat zich aandient en om een elegante oplossing vraagt.

‘Als het om geld zou gaan’, zegt Salto, ‘zouden Thomas en ik een ramp zijn. Maar er is nog geen dag geweest waarop ik tegen mezelf zei: ‘O nee, ik moet aan het werk.’ Dat is meer waard dan geld.’

Als je die houding vermenigvuldigt met het inwonertal van Denemarken, dan krijg je naar Amerikaanse begrippen een tegenvallend resultaat, maar ook een samenleving die zijn plek in de kosmos kent. Meer nog dan de fietspaden en deobsessie met recycling en schone energie, vormt deze afwijzing van het ‘produceren om te produceren’ de kern van de Deense miljøvenlighet of milieuvriendelijkheid.

‘Het duurzaamste wat je kunt doen, is niets maken’, legt Sigsgaard uit. “Het op één na duurzaamste is dingen maken die erg nuttig zijn, iets oplossen waar nog geen oplossing voor is.’

Hij gebaart naar een uiterst functionele stoel, die er bovendien uitziet als een beeldhouwwerk. ‘Dát is wat we proberen te doen.’

Nieuw leven

Tijdens mijn verblijf in Kopenhagen zou ik steeds weer door dezelfde straten kunnen lopen, dezelfde musea kunnen bezoeken en zelfs in dezelfde restaurants kunnen eten. Zoals elke stad met een bont weefsel van geschiedenis en contexten, toont Kopenhagen zich naarmate je ermee vertrouwd raakt. Maar mensen blijven me vertellen over Brygge in het zuiden van de stad, op tien minuten fietsen van het centrum. ‘Ga daar eens kijken!’ De laatste keer dat ik hier was, was Brygge een woestenij van lege fabrieken en pakhuizen. Nu tref ik een trendy buurt van jonge professionals, gezinnen, kunstenaars en ambachtslui aan. De oude fabrieken zijn verbouwd tot woningen met helderwitte kozijnen. De nieuwe glazen dozen die als kantoren dienstdoen, sluiten wonderwel aan op de oude gebouwen.

‘Er stonden hier alleen maar fabrieken, maar nu zitten er reclamebureaus, grafisch ontwerpers en ateliers’, zegt Lars Lyng, een piloot die ik in een café in Brygge spreek. Als een van de eerste bewoners van de opgeknapte buurt was hij enthousiast over de pluspunten van Brygge: dichtbij het centrum, veel winkeltjes en cafés, en een lint van woningen aan het water.

‘Die strook had ook bebouwd kunnen worden, maar een plaatselijk initiatief zorgde ervoor dat het voor recreatie werd bestemd’, vertelt hij. ‘De politici hebben geluisterd, en dat was cruciaal voor het hele project.’

Van Brygge wandel ik naar het noorden en kom uit op een parkeerplaats aan een kanaal. Daar, op een stuk land dat wordt gepacht door een Deense corporatie, zie ik een doorschijnend, geodetisch bouwwerk tegen de hemel afsteken: de ‘Dome of Visions’. Binnen staat een huisje dat door de firma Tejlgaard & Jepsen is opgetrokken uit gifvrij grenenhout. De tijdelijke expo laat zien hoe goedkoop Deense huizen kunnen zijn als ze niet tegen de kou geisoleerd hoefden te worden. Maar ik ben vooral gefascineerd door Kristoffer Tejlgaard en Benny Jepsen, die zichzelf als ‘architecten/ ondernemers’ omschrijven.

‘Ons voorbeeld is Open Source-software’, zegt Jepsen. ‘Kom met goede ideeën. En geef ze dan weg.’ De idealist in mij vraagt zich af of zulke corporaties de stad van de toekomst zullen volbouwen, hoewel me niet duidelijk is hoe Tejlgaard & Jepsen zakelijk kunnen overleven. Jepsen weet dat ook niet.

‘We reden rond en deden van alles, zoals het ophangen van schommels voor kinderen,’ zegt hij. ‘We merkten dat veel mensen wilden meedoen, dus we dachten: “Hé, dit kan een bedrijf worden.’’’ Hij haalt z’n schouders op. ‘Voorlopig werkt het. Ik wordt betaald. En ik vind het leuk. Als het niet leuk is, is het niet de moeite waard.’

Ik moet de volgende middag aan Jepsen denken wanneer ik door de Nansengade loop, een mooie, oude straat die zich door een woonbuurt slingert. Het is zondag, dus is het stil. Het zal niet verbazen dat de 24-uurseconomie niet aan de inwoners van Kopenhagen is besteed. Sterker nog, ze hebben het geprobeerd, maar weer afgewezen.

‘Voor mij hoeft niet elk plekje New York te zijn,’ zegt René Red- zepi van Noma. ‘Ik wil niet dat de zondag een maandag is.’

Ik begrijp waarom. Binnen twee stratenblokken, aan één kant van de Nansengade, zie ik een schoenenwinkel, een keramiekatelier, een lijstenmaker en een wijnbar – allemaal voorzien van een uithangbordje met de bedrijfsnaam in één lettertype. Wie langs deze bordjes loopt, waant zich in een museum. Doordeweeks werken hier ambachtslieden, met hun handen en hoofd. Vandaag is alles dicht, op één winkel na.

Jarenlang publiceerde uitgeverij Brøndum Deense vertalingen van beroemde schrijvers in speciale edities. ‘We drukten de boeken hier, nu doen we dat ergens anders’, vertelt eigenaar H.J. Brøndum. Hij is half met pensioen, maar kan het niet laten naar z’n winkel te gaan en het leven langs te zien komen. Kopenhagen is veranderd – de wereld is veranderd – maar zijn plekje niet. Hij laat me een zeldzame, Spaans-Deense uitgave van Llanto por Ingna­cio Sánchez Mejías zien, van Federico García Lorca. Al bladerend verdwaalt hij in het verleden.

Buiten raak ik gebiologeerd door het heden – of is het toch de toekomst? Ik zie gearmde stelletjes, fietsende gezinnen, een idyllisch stadslandschap met een menselijke maat. Ik bekijk het menu bij de ingang van een nieuw Scandinavisch restaurant en wijzig mijn eetplannen. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel verdampt in de lentelucht. In mijn jaszak vind ik een van de chocolaatjes van Bojesen, de ideale accessoire voor een zondagmiddag. Ik stop het in m’n mond.

Waarom niet? Het is er de tijd voor.

Lees meer