Engeland

Groot-Brittannië: Avontuur in stilte

Avonturier Jolanda Linschooten ging op zoek naar rust en ruimte. Daartoe volgde zij wekenlang, in haar eentje, de langeafstandspaden van Groot-Brittannië. ‘Hier heeft het land nog een geheugen.’ donderdag, 9 november

Door Jolanda Linschooten
Foto's Van Jolanda Linschooten

Wie een blik op de autokaart van Engeland en Wales werpt, ontwaart een spaghettiklont van wegen. Wat in hemelsnaam denk ik daar te vinden? Niemand die het me rechtstreeks vraagt. Maar zo’n vraag stelt zich ook nonverbaal, middels een combinatie van wenkbrauwen en mondhoeken. Avontuur op een overbevolkt eiland, uh huh... Groot-Brittannië is heus niet klein, maar zoeken naar intense natuurbeleving op een eiland waar 63 miljoen mensen wonen lijkt bij voorbaat gedoemd te mislukken. Daarnaast ontbeert het Britse eiland onmiskenbaar de afgelegenheid van Nova Zembla, de ontoegankelijkheid van Antarctica en het exotische van de Galápagoseilanden.

Naar de laatste wildernis ben ik niet op zoek. Ook hoef ik geen roofdieren te villen of brandnetelsoep te eten. Wat ik wil, is simpel: overweldigende natuur waar ik in alle stilte doorheen kan lopen. Niet een ochtendje, maar wekenlang. Met terugkerende regelmaat heb ik dat nodig – zeg maar het gevoel op de juiste tijd op de juiste plek te zijn. En in Groot-Brittannië ben ik daarvoor – ik weet het zeker – aan het juiste adres. Weinig landen waar de wandelcultuur zo doorontwikkeld is. Waar public footpaths dwars door privéterreinen slingeren, voorzien van trappetjes om steenmuren te passeren en wegwijzers die de indruk wekken dat het heel normaal is om door iemands achtertuin te banjeren. Waar bordjes met teksten als ‘Muddy Boots Welcome’ de toegang tot pub of Bed & Breakfast versoepelen. Waar zo’n 5000 kilometer aan gemarkeerde wandelroutes verdeeld is over een netwerk van maar liefst twintig langeafstandspaden. Zo’n infrastructuur schreeuwt erom gebruikt te worden: oude spoorwegtrajecten, voormalige veedrijverroutes, kanaaltjes met jaagpaden, open velden, veengebieden, bergdalen en bergpassen – dit alles dwingt precies de vertraging af die ik zoek.

Nooit geweten dat gaspeldoorn zo zalig ruikt, zoet en kruidig tegelijk. Urenlang begeleiden mij vanmorgen hele parfumwolken langs de South West Coast Path, die met een lengte van 1061 kilometer Groot-Brittanniës langste National Trail is. Zo zonder een zuchtje zeewind lijkt de lucht boven de gele prikkelstruiken te trillen van genot. Ik heb geluk met deze ansichtkaartdag, want de zee kleurt mooier en zelfs de meeuwen krijsen aangenamer.

Drie dagen lang, sinds mijn vertrek vanaf Land’s End, joeg een chagrijnige zuidwester mij en mijn kleine rugzak met liefst acht Beaufort over de kliffen. Ik was nog nauwelijks begonnen – de eerste onzekere stappen van mijn voetreis naar John O’ Groats, in het uiterste noorden van Groot-Britannië – of daar drong zich de vraag op waar ik eigenlijk mee bezig was. Wist ik veel wat 2000 kilometer te voet werkelijk betekende? 2000 was geen gevoel maar een getal, een lijn van zuid naar noord, End-to-End op de Britse autokaart. Zo goed en zo kwaad als het ging boog ik meemet de wind, probeerde niet te denken aan die oneindige reeks van langeafstandspaden, maar concentreerde me in plaats daarvan alleen op de volgende stap. En de volgende. Mijn hoofd raakte sneller leeg dan verwacht, maar de voldoening die daar doorgaans voor in de plaats komt, bleef uit.

Tot het stille vakantieblauw van vanochtend. Ineens is elke stap een feestje en is de South West Coast Path de mooiste trail ter wereld. Ik dank de smokkelaars die hier al eeuwenlang de kliffen afstruinden op zoek naar baaien waar kleine schepen zich met hun verboden handel schuilhielden. Ik dank ook de kustwacht die tot in de 18de eeuw ijverig over de klifpaadjes patrouilleerde. De South West Coast Path is door al die voeten geduldig uitgesleten en volgt de grillige kustlijn zo avontuurlijk mogelijk door zich van de ene zandbaai naar de volgende te slingeren langs dramatische kliffen en plateaus vol gaspeldoorn. Maar vóór alles ben ik dankbaar dat in 1825 de wet werd afgeschaft die iedereen verbood zich binnen vijf mijl van de Britse zuidwestkust op te houden.

Kijk ik op de kaart, dan zie ik landinwaarts een wirwar aan wegen die via kleine dorpen naar serieuze steden leiden, maar zo dicht bij de beukende zee is het alsof dat alles niet bestaat. De National Trails van Groot-Brittannië staan garant voor rust en ruimte. Met een overdaad aan groen, vaak voorzien van sporen van vroeger, zoals de mijnschachten van Cornwall, de muur van Hadrianus of de steencirkels van Schotland. Deze langeafstandspaden zijn verbindingsroutes waar geen bulldozer bij kon – alleen hier heeft het land nog een geheugen.

Dikke slierten mos hangen als kerststukjes aan de graven van Forrabury Cross bij Bocastle. Op het verlaten kerkhof, zomaar tussen rijen vreemde doden, zit ik tegen plotselinge tranen te vechten. Niet dat mijn voorouders hier liggen. Zelfs geen naaste familie, ik ken hier nog geen hond. Maar plekken als deze dwingen tot stilstand en dan ineens voel ik een bizarre onrust vanbinnen. Net zoals musici een zekere ‘nagalmtijd’ kennen voordat een akkoord een fiks aantal decibellen afgezwakt is, zo roert zich zwakjes in mijnog altijd de controlfreak. Bijna was ik namelijk aan deze magische rustplek voorbij gerend. Te vaak nog heb ik haast. Dénk ik dat ik haast moet hebben. Dat is natuurlijk belachelijk op een voetreis die vermoedelijk anderhalve maand gaat duren en die juist begonnen was vanwege de zoektocht naar wat ik vooraf met een mooi woord ‘intense natuurbeleving’ noemde. Moet ik vooral zo doorgaan. Met oogkleppen op voortjakkeren richting de eindstreep is wel het laatste wat ik wil. Maar bij elk klaterbeekje een vers bakkie koffie zetten, bij elke zingende veldleeuwerik halt houden en zijn vlucht omhoog nastaren, bij elk kerkhof de graven bestuderen? Dan haal ik John O’ Groats nooit. Mijn zorgvuldig voorbereide schema dan?

‘Ya’r allright?’

Licht voorover gebogen staat hij voor me met zijn grijs golvende haar. Ik zag niemand aankomen.

Ik knik, sta op, klop het mos van mijn kleren en sluip stilletjes richting het lage stenen poortje van de uitgang. Het is een oude man maar van een onwaarschijnlijke lengte. Toch zijn het vooral zijn ogen die me niet loslaten. Zo licht. Zo lief – voor zover je dat van een wildvreemde kunt zeggen.

‘Walkin’ far t’day?’

Naar waarheid vertel ik hem dat ik het niet weet. Of ik nog ver ga of dat ik in het eerstvolgende dorp blijf slapen. Ik mag ook bij hem slapen, hij heeft plek zat en als-ie mijn aarzeling ziet, voegt hij er nog aan toe dat al zo veel End-to-Enders bij hem sliepen. Misschien ben ik verbluft (hoe weet hij dat ik niet alleen de South West Coast volg maar van plan ben helemaal tot het uiterste noordoostpuntje te lopen?), misschien ben ik verward (en versta ik hem niet goed), maar in elk geval ben ik verbijsterd. Net het sprookje van Klein Duimpje, alleen ga ik de kruimels mooi niet volgen en met een sprong ben ik de poort uit.

Voor ik het weet ben ik het eerstvolgende dorp, Bocastle, voorbij. Mijn benen voelen verrassend goed ineens, de rugzak licht en de dag nog lang. Nog altijd hele hagen gaspeldoorn. De veldleeuweriken zingen hun kleine longen vol parfum, geen wonder dat hun lied zo allemachtig mooi klinkt.

Op een eiland waar elke centimeter grond aan iemand toebehoort, is het uniek om over die lappendeken van privégrond niet alleen een ongelofelijk aantrekkelijke route te leggen, maar vooral ook een doorgaande. Het recht van overpad is in Nederland een uitzondering en betekent dat je niet gehinderd mag worden bij het oversteken van het stuk grond in kwestie (wat meestal uitsluitend ten doel heeft een verderop gelegen weg te bereiken).

Zo niet in Engeland, Wales en Schotland. Daar is het public rights of way een gemeengoed. Overal langs de wat stillere wegen staan bordjes die wandelaars de weg af wijzen, zo het weiland in. Vaak over paden die al eeuwenlang in gebruik zijn, soms zonder pad een hobbelig knollenveld over, maar het doel is nooit een asfaltweg te bereiken – het gaat er juist om een aaneengesloten achterafroute te creëren. Om de vele hekken een beetje soepel te passeren, verzonnen de Britten diverse trucs, van houten trappetjes tot de zogenaamde kissing gates waarbij een draaideurtje in een ijzeren hek gemonteerd is dat het vee ervan weerhoudt mee te wandelen.

Toch is het idee van officiële langeafstandspaden betrekkelijk nieuw in Groot-Brittannië. Pas in 1965 werd de allereerste geopend, de Pennine Way, een 435 km lange route van Edale in het Peak District over de ruggengraat van Engeland via eenzame hooggelegen veenmoerassen en grillige valleien naar het Schotse Kirk Yetholm, voorbij de Cheviot Hills. Het hele idee om lopend wekenlang een groene route te volgen, had nogal wat voeten in de aarde. Zoiets bestond alleen ver weg, in de VS, daar had je bijvoorbeeld de Appalachian Trail. Doodzonde eigenlijk, zoiets kunnen we wat dichter bij huis toch zeker ook wel realiseren?

‘Wanted: a long green trail,’ schreef journalist Tom Stephenson daarom in de Daily Herald. Hij stelde zich een uiterst dun lijntje op de topografische kaart voor, ‘een route die vanzelf door talloze pelgrimvoeten uitgesleten raakt tot pad’.

Een briljant idee, zo’n gemarkeerd langeafstandspad dwars door het Penninisch Gebergte, al is er tegenwoordig op het 7000 jaar oude veenplateau van Kinder Scout hoog boven Edale bepaald geen sprake meer van een zwak groen lijntje. Granieten tegels liggen als een reddende brug van stapstenen te midden van onafzienbare poelen donkerbruine modder die hier veen heet. Meer een markant vette inscriptie, gegraveerd door de honderden miljoenen wandelaars die er sinds 1965 enthousiast overheen wandelden.

Maar vandaag waagt zich nagenoeg niemand op de Pennine Way boven Edale. Geen wonder, het stormregent en daarbij verdwijnt het tegelpad na 50 meter ook nog eens in dikke mistflarden.

Begrijp me goed: ik loop hier ontzettend te genieten. Krap drie weken ben ik inmiddels onderweg en al die kilometers, al die uren, al die dagen in weer en wind, ik ben dezelfde mens en toch ook niet: dit loopvirus heeft me genadeloos te pakken. Vraag me niet hoe het kan. Mijn heilige schema is allang de prullenbak in. Hoe langer je te voet onderweg bent, hoe minder belangrijk zoiets als tijd wordt. Ik tel in natte schoenen en droge kleren, in aantal repen chocola. Mijn beleving ervan verandert ook. De twee uur hierboven in het noodweer op de Pennine Way lijken eindeloos veel langer te duren dan bijvoorbeeld vijf uren door de zonnige riviervallei van Offa’s Dyke Path.

De magie zit ’m in simpele dingen. De geur van een houtvuurtje waarop de koffie pruttelt. De eerste zonnestraal na een regenbui. Onder de wolken uit lopen en de wereld zien verdiepen als een toneelgordijn dat ineens openschuift. Regelmatig ben ik buiten internetbereik. Als ergens een bom ontploft, weet ik van niets. De nieuwste songs, filmreleases, ebooks: ik download niks. Wel pak ik elke dag bij het eerste ochtendlicht mijn boeltje op, trek ik mijn schoenen aan en ga ik verder– weer of geen weer – en dát is, als je het mij vraagt, de ultieme vrijheid die lopen tot een verslavende vorm van zwerven maakt. Zwerven in de zin van onthechten.

De variatie aan Britse landschappen is verbluffend. Weliswaar geen wildernis in de zin van ongerept of onbetreden maar evengoed met een overdaad aan grootse natuur die klein maakt als je er te voet doorheen reist. Eerst was er die ruige kustroute van de South West Coast Path, toen het lieflijke rivierdal en de bosheuvels van het Offa’s Dyke Path, gevolgd door de eenzame weidsheid van de Pennine Way, de magische pieken langs de Cumbria Way in het Lake District die weer opgevolgd werden door de glooiend groene verstilling van het Hadrian’s Wall Path. Maar het meest van alles verheug ik me op Schotland. Met pakweg 50.000 wandelaars die jaarlijks de West Highland Way wandelen, is deze route van Loch Lomond dwars door de Hooglanden naar Fort William best druk te noemen. Maar fenomenaal. En omdat ik altijd bij het eerste daglicht onderweg ben, zijn er zo veel uren in absolute stilte dat het juist prettig is om rond theetijd eens wat anderen te treffen.

Het populaire Bridge of Orchy Hotel leent zich daar uitstekend voor. Er is geen tafeltje meer vrij maar een oudere dame schuift uitnodigend opzij en wijst op de vrijgekomen plek. Vanachter mijn pot verse muntthee bekijk ik de fitte zestiger die zo te zien ook aan de wandel is. Dagtochtje wellicht. Hoezeer ik me vergis blijkt als ze glunderend met oerschotse tongval verkaarttelt dat ook zij onderweg is naar John O’Groats. Ze wil haar land leren kennen, opnieuw en van dichtbij.

‘Er is werkelijk geen betere manier. Dit langzame lopen is een nieuwe manier van kijken. Ik heb geen haast, weet je.’ Vertrouwelijk buigt ze naar mij over, lacht de breedste lach die ik in dagen gezien heb en verkondigt dan zo zachtjes alsof het een geheim is: ‘Alleen dan leer je kijken met je voeten.’

Ik schenk mijn halfvolle kopje bij. Straks nog een tweede pot, een Sticky Toffeepudding erbij misschien. Aan weerskanten kwebbelen mensen, rinkelen glazen en tikken messen maar ik hoor alleen haar – ‘I’m Kate by the way.’ Ze vertelt over de bergen waar ze allemaal doorheen gelopen is, gisteren, eergisteren. En overovermorgen, dan wil ze Ben Nevis ook nog op. Ik zie een netwerk van kraaienpootjes rond haar ogen, maar het zijn vrolijke groeven rond ogen die stralen.

‘En toch heeft dit niks met lijstjes te maken,’ beweert ze stellig. ‘Ik ben heus geen verzamelaar van hoogste toppen. Het heeft zelfs niks met sport van doen. Natuurlijk, je moet fit zijn maar dat word je onderweg vanzelf wel. Nee, weet je, dit wekenlange lopen gaat om heel iets anders.’

Kate roert bedachtzaam in haar melkthee en het is alsof ik mezelf hoor als ze eraan toevoegt: ‘De bergen zijn op een mooie manier heel rauw. Wil je wel geloven dat ik hier iets terugvind wat ik jaren kwijt was?’

De ontmoeting met Kate was een cadeautje dat ik de dagen erna in de eenzaamheid van de Hooglanden nog herhaaldelijk uitpak. En op dag 48, met de wind in mijn haar boven op de kliffen van Duncansby Head, even voorbij John O’Groats aan het eind van mijn doorkruising, schieten me haar woorden opnieuw te binnen. Vooral die laatste, bij ons afscheid – zij bleef slapen in Bridge of Orchy, ik wilde nog door. Ze gaf me een hug als waren we de beste vriendinnen. Zachtjes, als schaamde ze zich voor haar woorden, fluisterde ze: ‘Als ik anderen over zulke dingen hoorde vertellen, dacht ik, “Ja prachtig, dat wil ik ook, maar…” Altijd was er wel iets.’

Ik knikte. Hoe herkenbaar.

‘This walk is essentially my rebellion against the but, you know!’

Lees meer