Georgië

Een toost op Georgië

Van het dynamische Tbilisi tot afgelegen bergdorpjes: iedereen die dit feest van traditie en wijn viert, is familie. donderdag, 9 november 2017

Door Tara Isabella Burton
Foto's Van Massimo Bassano

De tafel wordt gedekt voor de supra, het traditionele feest waar het Georgische leven om draait. De kop van een speenvarken – gepekeld en gestoofd – staart ons aan vanuit een knappend houtvuur. Op tafel staan meer flessen illegaal gestookte drank dan borden. Hier in Ushguli – een dorp van 200 inwoners, en naar verluidt de hoogstgelegen permanent bewoonde plek in Europa – is traditie alles. Terwijl de rest van Georgië werd gevormd door eeuwen van invasies – van Russen, Turken en Perzen – neemt de afgelegen en afgezonderde provincie Svanetië een mythische plek in de nationale identiteit in: als het echte, tijdloze Georgië.

We zijn te gast bij een echtpaar op leeftijd, de eigenaren van de overvolle herberg Chajashi in Ushguli. Het koppel schreeuwt tegen elkaar in een dialect dat zó onbekend is dat zelfs Giorgi Naveriani, mijn vriend uit Svanetië met wie ik reis, het maar met moeite kan volgen. Ik vraag hem waarover ze ruziën. ‘Ze ruziën niet’, zegt hij. ‘Dit is gewoon Svanetië.’

Het is aan Giorgi om de toost uit te brengen. Een grote eer. De woorden van de tamada – getuige en hogepriester in één persoon – vormen het hoogtepunt van de supra. De volgorde en inhoud van de woorden verbinden elke supra met eeuwen van eerdere supra’s.

De eigenaren van de herberg, Jaroslav Jincharadze en zijn vrouw Rezi (‘Gewiekste Rezi’, in de woorden van haar man), hebben ons nog nooit ontmoet. Maakt niet uit. Giorgi komt uit Svanetië, de traditie zit ’m in het bloed.

Verloren zoon

Giorgi haalt diep adem voordat hij de Maagd Maria vraagt om allen te zegenen. Gewiekste Rezi jammert het uit van afschuw. De Maagd zegent alleen vrouwen, krijst ze. De heilige Joris zegent mannen. Wat spookt hij daar op de Universiteit van Tbilisi uit, dat hij deze tamada-wijsheid is vergeten? Kokend van binnen, en van buiten, begint ze tomaten te snijden.

Giorgi zucht. ‘Zo gaat het hier in Svanetië,’ zegt hij. Soms is het eenvoudiger de toerist uit te hangen dan de last van de ‘verloren zoon’ te dragen.

Yaroslav neemt de toost over. Zijn stem is doordringend, ritmisch en gedragen. Giorgi vertaalt. We toosten op oeroude banden, op geslachten, op het verleden dat ons bindt, op de Svaneti-roots van Georgië en op mijn Amerikaanse afkomst. We toosten op traditie en bloedverwantschap. En op het onvergankelijke, tijdloze Georgië.

In het Georgië van Yaroslav mag de tijd dan stilstaan, in dat van Giorgi gaan de veranderingen razendsnel.

Wanneer ik Giorgi voor het eerst ontmoet, in de Georgische hoofdstad Tbilisi, draagt hij strakke jeans, een gebleekt Tshirt en zijn lange haar in een paardenstaart. Een echte hippie uit Tbilisi: meer op z’n plek als dj in de punkbars van de stad dan als ceremoniemeester van speenvarkens in Ushguli. ‘Als kind in Svanetië werd ik voor duivelsaanbidder uitgemaakt omdat ik van rockmuziek hield,’ vertelt hij. De buren sloten hun katten op. ‘Ik wilde er zo snel mogelijk weg.’

In het artistieke, chaotische, jachtige Tbilisi is Giorgi verlost van traditionele banden. Hij kan zichzelf zijn. Deze stad omarmt elke verandering – misschien zelfs te veel.

Ik reisde al drie jaar heen en weer tussen de Verenigde Staten en Tbilisi, waar ik vanuit een benedenwoning met een tuintje in het oude centrum van de stad als freelancer werkte. Met tegenzin vertrok ik naar Engeland voor mijn promotie. Maar wie eenmaal door Georgië is gegrepen, vertrekt eigenlijk nooit meer, zo luidt het gezegde hier. En dus keerde ik telkens weer terug, op zoek naar de reden waarom dit land me zoveel deed. De stad waarop ik destijds verliefd werd – een doolhof van vervallen stadspaleizen in art nouveau-stijl en verweerde, overwoekerde balkons – is nu een bruisende metropool van 1,2 miljoen inwoners, een stad die bijna van de ene dag op de andere is omgetoverd door buitenlands geld en de agressieve bouwplannen van ex-president Saakasjvili en van zijn rivaal, ex-premier Ivanisjvili. Een nieuwe tandradbaan vervoert toeristen naar de ruïnes van de oude Narikala-vesting. De glazen pui van een casino domineert de Kura en werpt met zijn led-schermen een spookachtig schijnsel over de rivier. Aan het Meidanplein, ooit het domein van zilversmeden en icoonschilders, vind je nu de hipste bars van de stad.

Underground café's

Na al die jaren in Tbilisi dacht ik dat de constante veranderingen me niet meer zouden raken. Nieuwe pop-up-galeries en undergroundcafés openen hun deuren, zijn even in de mode en gaan weer dicht. Straten worden zó vaak afgesloten voor bouwprojecten dat ik ben vergeten waar ze ooit heen leidden. Maar na een jaar weg te zijn geweest, is de sprankelende chaos van de stad schokkend.

Ik krijg het gevoel dat Georgië te snel gaat. Op plekken die een jaar geleden populair waren, wemelt het nu van ‘dat soort Georgiërs’, in de woorden van Giorgi: traditioneel, nationalistisch en homofoob; kunstenaars en activisten hebben hun tenten elders opgeslagen.

Giorgi neemt me mee naar een ‘etnische’ (lees: internationale) bar genaamd Canudos, op een louche plek naast een stripclub in de schaduw van het Radissonhotel. De voortuin, rond een fontein uit de sovjettijd, is een wereld van boeddhistische gebedsvaantjes, gerafelde hangmatten en iets wat op een Star Wars-robot lijkt. Uit de radio klinkt de Georgische elektropunkband Kung Fu Junkie – ‘Mijn vrienden’, grijnst Giorgi. De mensen hier zijn expats en artistiekerige Georgiërs met tatoeages. De dresscode is zwart. Een tienermeisje heeft een straatkatje op schoot.

Een jongeman rent naar binnen, zwaaiend met een pistool. Even houden we de adem in. De herinnering aan het Georgië van tien jaar geleden, met zijn bandieten en wetteloosheid, is voelbaar. Dan barst iedereen in lachen uit. ‘Pang!’ Zijn vrienden doen theatraal alsof ze geraakt worden. ‘Pang!’

‘Natuurlijk is het nep,’ zegt Giorgi, die mijn angst niet begrijpt. ‘Het is een spel.’

De muziek wordt harder. Het katje stapt onverstoord rond. ‘Deze plek is zo gewoontjes geworden’, verzucht Giorgi.

Zeemeerminhuis

Tbilisi is onweerstaanbaar modern. Maar als ik door de steegjes van de 19de-eeuwse Sololakiwijk loop, ontdek ik de schoonheid en geschiedenis die me destijds betoverden. Sommige gebouwen die ik zo mooi vond, zoals het beroemde blauwe huis aan het Gudiasjviliplein, waar de Russische dichter Michail Lermontov ooit woonde, hebben plaatsgemaakt voor nieuwbouwprojecten. Maar andere staan er nog, als ijkpunten van het geheugen: het bakstenen ‘zeemeerminhuis’ in de joodse wijk, met zijn balkons van smeedijzeren vissenstaarten; het gele paleis in Ottomaanse stijl, aan de Lado Asatiani-straat, omringd door granaatappelbomen; de bakstenen badhuizen in de wijk Abanotubani, waar vooral Azeri-moslims wonen. Elk huis getuigt van de eeuwenlange invloed van buitenlanders die hier kwamen om zich thuis te voelen – net als ik.

Tegenover het Ottomaanse paleis ziet een oudere man toe op de renovatie van een herenhuis in art nouveau-stijl. Hij wil op de begane grond een sjiek koffiehuis inrichten, waar hij bereisde Georgiërs ‘het betere spul’ gaat serveren.

De locatie is bijzonder, vertelt hij. Als student huurde hij hier een flat, iets zeldzaams in een cultuur waarin de meeste jongeren thuis wonen totdat ze trouwen. Het maakte hem erg populair, zegt hij knipogend. Jarenlang woonde hij in Duitsland, maar hij kon de aantrekkingskracht van Georgië niet weerstaan.

Ik zeg dat ik hem begrijp.

Zelfs voor Giorgi is Tbilisi niet het echte Georgië. Het wezen van de Georgische cultuur vind je in de bergen, tussen de woeste pieken van de Kaukasus, vereeuwigd door 19de-eeuwse dichters als Alexander Kazbegi, die zijn comfortabele leventje in Tbilisi en St. Petersburg achter zich liet om herder te worden in het bergdorpje Stepansminda.

De mythe van Svanetië berust deels op een berucht verleden. Tot in de late jaren negentig was een bezoek aan deze streek niet verstandig. Wie de gevaarlijke rit van twaalf uur vanuit Tbilisi overleefde, liep de kans beroofd te worden – of erger – door lokale bandieten. Zelfs de Svaneti’s waren niet veilig: de verdedigingstorenswaar de meeste huizen tegen aanleunen, hebben eeuwen van vetes en bloedwraak tussen clans weerstaan. Ja, Svanetië werd weliswaar in liederen bezongen, maar zelden door mensen bezocht.

Giorgi stelt voor om naar Svanetië te gaan.

Halverwege de dagreis van Tbilisi naar de culturele hoofdstad van de streek, Mestia, stoppen we bij het 12de-eeuws Gelatiklooster, dat bij het oude stadje Kutaisi tussen de vijgenbomen ligt verscholen. Dit was Georgiës ‘Nieuwe Jeruzalem’, het middelpunt van een gouden eeuw waarin ’s lands beste dichters, schilders en filosofen onder de aegis van de grote koning David IV ‘de Bouwer’ werkten. Ook vandaag nog is het een van de meest gewijde plekken van Georgië.

Een eredienst begint. Vrouwen steken kaarsjes aan en prevelen gebeden. Een priester zingt de liturgie, weeklagend en uit de toon. Byzantijnse fresco’s glanzen door een nevel van wierook. Het verrast me dat Giorgi voor een icoon van de Maagd Maria knielt en de lijst kust.

Later zoek ik een tactvol moment om hem naar zijn geloof te vragen. Hij ontwijkt de vraag. ‘Het is mijn land,’ zegt hij zacht. ‘Mijn verleden.’

Speeltuin van de Georgische elite

Als we in Mestia aankomen, zie ik dat zelfs Svanetië aan het veranderen is. Een aankomsthal van staal en glas verwelkomt dagelijkse vluchten vanuit Tbilisi, een nieuw skioord prijst zichzelf aan als speeltuin voor de Georgische elite. Op het centrale plein van Mestia wordt het uitzicht op de bergen verstoord door een nieuw hotel in chaletstijl. Een mix van financiële hulp, buitenlandse investeringen en ambitieuze overheidsplannen moet Svanetië tot een ‘Georgisch Zwitserland’ omtoveren en geeft Mestia het vreemde aanzien van een Hollywooddecor. ‘Ik haat het’, zegt Giorgi met een wrange glimlach.

Zelfs het speelgoed uit zijn kindertijd ligt achter glas. Als kind speelde Giorgi in het huis van zijn beste vriend, de zoon van de directeur van het plaatselijke volkenkundig museum. Het museum was in verval geraakt, en de collectie historische wapens uit Svanetië lag, slordig en ongecatalogiseerd, opgestapeld in kisten op zolder bij zijn vriendje. De jongens pasten stiekem de harnassen aan en brachten de zomers al duellerend door, met echte middeleeuwse zwaarden.

Na een jarenlange renovatie is het museum weer open. Nu liggen de maliënkolders, Tsjerkessische zwaarden, het gouden schild bezet met miniatuur-wijnkruiken en vele andere schatten perfect uitgestald in vitrines met klimaatbeheersing en oplettende bewakers, en met bordjes in het Engels.

‘Alles is zo strikt geworden’, zegt Giorgi. ‘Niet zoals het was.’ Het oude Georgië mag hem dan irriteren, sommige aspecten van het nieuwe Georgië doen dat nog meer, zo merk ik.

Giorgi heeft overal familie. Die avond in Mestia zitten we samen met zijn oma, moeder, tante en drie zusters in een weelderige binnentuin, samen met wat kippen, twee katten en een hond. Als we besluiten het naburige Latali aan te doen, herinnert Giorgi zich meteen een tak van zijn familie die hij al tijden niet heeft bezocht: de zuster van zijn oma, Mariko, woont er op een boerderij, samen met haar kinderen.

Vlak voordat we vertrekken, belt hij Mariko. Als we enkele minuten later aankomen, pruttelt een geurige vleespastei op het vuur. Georgische gastvrijheid, legt Giorgi nog eens uit.

Het is goed dat we vandaag zijn gekomen, zegt Mariko. Het is de dag na het feest van Maria’s Ontslaping, wanneer families in heel Georgië de graven van hun dierbaren bezoeken en op het kerkhof de supra met de doden delen.

Latali heeft meer kerkhoven dan normaal. Wanneer Giorgi me over het pad naar het twaalfde-eeuwse kerkje van de Aartsengel leidt, houd ik halt bij de zerken. De doden bestaan grotendeels uit jongemannen: gevallen in de oorlog van 1992-1993 in Abchazië, door interne vetes of door auto-ongelukken op onverharde bergwegen.

Dit gehucht was eens een beroemd centrum van religieuze iconografie: in vrijwel al deze krakkemikkige huisjes hingen één of twee onschatbaar waardevolle iconen, die van generatie op generatie werden gekoesterd. Zelfs de directeur van het dorpsmuseum kon ze niet kopen. ‘Ze verkopen nog eerder familieleden dan hun iconen’, zegt Giorgi.

Te paard door de bergen

De volgende dag trekken we dieper de bergen in, naar Ushguli, waar Jaroslav en Gewiekste Rezi ons verwachten bij de supra, de toosts. De drie uur durende rit voert ons langs velden van wilde bloemen, bruisende beken en beboste hellingen die onmogelijk hoog lijken te liggen, totdat ik in de verte de besneeuwde berg Sjkhara zie, die zich boven alles verheft. Tussen woeste rotspartijen glinstert gouden gras in de avondschemer. Stormwolken werpen kille schaduwen over de bergflanken. We stoppen voor Jaroslavs herberg en verruilen onze terreinwagen voor een traditioneler transportmiddel: een stel knappe paarden uit Ushguli, die Jaroslav voor ons heeft geregeld.

Te paard volg ik Giorgi door de steegjes. Onder ons verdringt zich een groep ruziënde biggen, honden gappen naar onze stijgbeugels.

Als we de weg achter ons laten, voelen de paarden zich vrij en zetten het op een draf door bloemrijke weiden. Na jaren in Tbilisi zijn Giorgi’s instincten niet afgestompt: hij en zijn paard draven als één door de vallei. We zijn, zo blijkt, de enige ruiters in de wijde omtrek.

‘Dit is mijn lust en mijn leven’, zegt Giorgi. Als tiener wilde hij – ‘zoals eigenlijk iedere Georgiër’ – deze plek voorgoed verlaten. Maar nu droomt hij ervan om ooit in het rustieke Svanetië een houten huis te bouwen en zich in harmonie met de natuur voorgoed te settelen.

Dit is per slot van rekening mijn thuis, zegt hij.

Terug in tbilisi staat er voor Giorgi en mij nog een laatste supra op stapel, op de avond vóór mijn vertrek. In zijn onafscheidelijke, gebleekte T-shirt en jeans verschijnt Giorgi in restaurant Phaetoni, beroemd om zijn optredens van volksdansers. We krijgen al gauw gezelschap van mijn goede vriendin Ana, die na een studie in het buitenland terug is in Tbilisi.

Ana en Giorgi nemen elkaar op, wisselen punkcafés en demonstraties uit en komen tot de conclusie dat ze progressieve Georgiërs ‘van hetzelfde slag’ zijn. Ze bespreken hun tweeslachtige opinie over het ritueel van de supra: zó kitscherig en ouderwets, met die ellenlange en onoprechte toosts. Zij toosten liever onder vrienden dan te worden gekapitteld omdat ze de Maagd Maria aanroepen in plaats van de heilige Joris.

Maar wanneer de gerechten op tafel komen, de wijn begint te vloeien, de muzikanten het populaire lied ‘Lertsamisa Khesao’ inzetten en de dansers in hun zwarte chokhas de vloer opgaan, begint hun hedendaags cynisme weg te ebben. De dansers tonen hun acrobatische techniek en werken naar een wervelend duel van zwaarden en schilden toe: een traditionele pas de deux uit de bergen.

Families applaudisseren op de maat van de muziek, en Ana en Giorgi klappen mee.

‘Weet je’, zegt Giorgi terwijl de musici een andere Georgische evergreen inzetten, ‘ik denk erover om er een technoversie van te maken.’

We eten met onze vingers, schenken de glazen te vol. Natuurlijk. Een groep feestvierders stuurt stukken verjaardagstaart naar ons tafeltje, een Armeense familie zingt mee op een popklassieker uit de sovjettijd.

Dit is niet de supra van Gewiekste Rezi, noch de supra van het kerkhof, op de dag na Maria Ontslaping. We hebben geen tamada, brengen geen toosts uit. We roepen noch de Maagd noch de heilige Joris aan. We spreken Engels. We dragen Europese kleren. We gieten geen slokjes wijn op de grond, voor de doden. Maar terwijl we drinken, zingen, het glas heffen en luidkeels ‘gaumarjos!’ roepen, creëren we ons eigen feest. Uit een versplinterd samenraapsel van tradities ontstaat iets nieuws, iets dat van ons is: een minder traditioneel maar zeker niet minder ‘echt’ Georgië.

Wil je ook prachtig Georgië ontdekken? Gebruik onze reiswijzer voor de beste tips over eten, drinken en overnachten!

Lees meer