Waarom vinden we het zo belangrijk om lekker te ruiken? In de afgelopen eeuwen hebben verschillende factoren ertoe geleid dat we ons bewuster zijn geworden van onze lichaamsgeur. Terwijl het gebruik van parfum en andere verzorgingsproducten ooit alleen was besteed aan de allerrijksten, is het tegenwoordig voor velen dagelijkse kost.
Maar hoe komt het eigenlijk dat we iets doodgewoons als lichaamsgeur zijn gaan beschouwen als iets ongewensts? Dit is de evolutie van onze hedendaagse verzorgingsrituelen.
Vieze aristocraten
Mensen experimenteren als duizenden jaren met geur: van de romige zalfjes uit het oude Egypte tot de dure extracten uit het Romeinse Rijk. ‘Mensen begrepen al vroeg dat bepaalde geuren (zoals die van parfum, azijn en wierook) andere, gevaarlijke geuren (zoals die van de pest, rottend materiaal en moerasgas) konden verdringen,’ zegt historicus Kathleen Brown van de University of Pennsylvania.
In de zeventiende eeuw werd er, in elk geval in het Westen, veel meer belang gehecht het wassen van kleding dan aan het wassen van het lichaam, vervolgt Brown. Een Fransman uit de hogere klasse onderscheidde zich misschien met hagelwitte linnen overhemden, die vaak werden gewassen en verschoond, maar nam zelf zelden een bad. ‘Vieze aristocraten waren een beetje de norm,’ bevestigt ook Katherine Ashenburg, auteur van het boek The Dirt on Clean: An Unsanitized History.
Baden als statussymbool
In de achttiende en negentiende eeuw werd het voor de gegoede burgerij steeds normaler ook het lichaam schoon te houden. Daardoor ontstonden er negatieve associaties met lichaamsgeur: het zou duiden op armoede en ziekte. ‘Toen hoger opgeleide mensen in welgestelde kringen zich begonnen te wassen, werden ze zich ervan bewust dat de arbeidersklasse stonk,’ zegt Ashenburg. Zo werd baden een statussymbool.
Tegen de tijd dat de miasmatheorie – die inhield dat ziekten als cholera en de pest door giftige dampen werden veroorzaakt en een van de redenen waarom artsen vroeger vogelmaskers droegen tijdens pestuitbraken – door de kiemtheorie werd ontkracht, werd persoonlijke hygiëne iets universeels. Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg deze culturele verschuiving ook een financieel staartje. Adverteerders begonnen in te spelen op ‘onze angst om onaangenaam te ruiken’, zegt Brown.
Lichaamsgeur? O nee!
Zo introduceerde het Britse zeepbedrijf Lifebuoy de term ‘lichaamsgeur’ (of body odor) en beloofde met hun zeep uitkomst te bieden. Of neem de vroege antitranspirant Odorono, een verbastering van het Engelse ‘odor, o no’ of ‘geur, o nee’, waarmee vrouwen werden gewaarschuwd dat ze met een onaangename okselgeur nooit een man zouden vinden. Op dezelfde manier werden ook lichaamshaar en ademgeur geproblematiseerd, met scheermessen en mondwaters als zogenaamde oplossingen.
En dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Hoewel onze afkeer van onaangename luchtjes een natuurlijke reactie is, is onze intolerantie jegens lichaamsgeur grotendeels een product van sociale conditionering. Vandaag de dag is de persoonlijke verzorgingsindustrie bijna dan een half biljoen euro waard – en dat bedrag groeit nog steeds.
Nog niet uitgelezen? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief van National Geographic en ontvang de favoriete verhalen van de redactie wekelijks in je mail.











