Op een koude wintermiddag in januari 1807 wandelt hoogleraar en uitgever Jean Luzac langs de Steenschuurgracht in Leiden. Het is even na vieren en rustig op straat. Schepen liggen stil in het water, dienstbodes haasten zich naar huis en karren ratelen over de kade. Dan scheurt een verwoestende explosie de stilte aan flarden. Uren later worden tussen het puin slechts een schoengesp en een handschoen van Luzac teruggevonden. Wat gebeurde er die dag in Leiden?
Een explosie die heel Leiden opschrikte
Op 12 januari 1807 wordt Leiden getroffen door een van de zwaarste explosies uit de Nederlandse geschiedenis. De wijken rond de Steenschuurgracht veranderen in een rokende puinhoop. Huizen storten in, ramen springen kilometers verderop uit hun sponningen en dakpannen vliegen door de lucht. Tussen het puin liggen verbrande en verminkte slachtoffers; honderden anderen raken gewond.
Leestip: De Toengoeska-explosie, het grootste natuurmysterie van de moderne tijd
Het stadsbestuur grijpt direct in en laat het rampgebied afzetten. Nieuwsgierigen worden geweerd: alleen bewoners en hulpverleners mogen de wijk nog in. Maar de reddingsoperatie verloopt moeizaam. Veel blusmiddelen zijn vernietigd en er zijn op dat moment slechts drie politieagenten beschikbaar.
Koning Lodewijk Napoleon schiet te hulp
Hulp komt uit onverwachte hoek. Koning Lodewijk Napoleon, die pas een jaar eerder door zijn broer Napoleon Bonaparte tot koning van Holland is benoemd, reist haastig naar Leiden. Daar bezoekt hij persoonlijk de rampplek en ontfermt zich over de vijfjarige Willem de Vroede, die onder het puin vandaan kruipt.
Lodewijk wil zich profileren als een betrokken vorst, en de ramp grijpt hem zichtbaar aan. Hij neemt direct de leiding over de hulpoperatie. Uit eigen zak doneert hij dertigduizend gulden en hij organiseert een landelijke inzamelingsactie, de eerste grootschalige nationale collecte in Nederland.
Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!
Ook zet hij de koninklijke garde in om slachtoffers te bergen, branden te blussen en puin te ruimen. Zijn persoonlijke lijfarts moet de gewonden behandelen, terwijl het militair hospitaal en Paleis Huis ten Bosch worden opengesteld voor slachtoffers. Zijn snelle optreden levert hem later de bijnaam ‘Lodewijk de Goede’ op.
Brood, soep en noodopvang
De ramp legt een groot deel van de stad stil. Vrijwel alle bakkerijen en graanvoorraden in Leiden zijn beschadigd of verwoest. Daarom geeft Lodewijk de bakkers van Haarlem, Delft, Den Haag en omliggende dorpen opdracht om brood naar Leiden te sturen. In de weken na de ramp worden meer dan 19.000 broden de stad binnengebracht.
Daarnaast worden er gaarkeukens geopend die soep serveren en worden de ontheemden op kosten van het stadsbestuur elders in de stad ondergebracht.
Het vrachtschip Delfts Welvaaren
Al snel wordt duidelijk waar de explosie vandaan kwam: het vrachtschip Delfts Welvaaren, dat voor anker lag in de Steenschuur-gracht. Het schip was onderweg naar Delft en vervoerde ongeveer 369 vaten buskruit, goed voor zo’n 17.000 kilo springstof. Aan boord bevonden zich de 25-jarige Salomon van Schie, zijn jongere broer Adam en een knecht.
Hoe het schip precies kon ontploffen, is tot op de dag van vandaag niet volledig opgehelderd. Ooggetuigen verklaarden later dat er vlak voor de explosie aan boord werd gekookt. Op het dek stond een emmer geschilde aardappelen en uit een open luik zou de geur van gebakken vis zijn gekomen. Van het schip zelf werden uiteindelijk slechts dertien brokstukken teruggevonden.
Een stad in puin
Pas in de dagen en weken na de explosie wordt duidelijk hoe groot de schade is. Zeker 158 mensen komen om het leven en duizenden anderen raken gewond. Meer dan 200 huizen zijn volledig verwoest of zwaar beschadigd.
Leestip: Na de zomerstorm van 1925 stroomden mensen massaal naar Borculo. Het leidde tot een nieuw fenomeen
Dankzij de landelijke inzamelingsactie ontvangen veel getroffen Leidenaren financiële steun. Het stadsbestuur koopt de zwaarst beschadigde huizen op om de wijk opnieuw in te richten.
Van ruïne naar stadspark
Op de plek van de verwoeste huizen verrijzen later onder meer het Kamerlingh Onnes Laboratorium en het Van der Werfpark, dat vandaag nog altijd aan de ramp herinnert.
Een jaar na de explosie, op 12 januari 1808, wordt aan de Steenschuur de eerste steen gelegd voor een herdenkingsmonument. De rest van het monument zou volgen zodra een nieuw universiteitsgebouw gereed was.
Maar het project loopt vertraging op en het gereserveerde geld wordt uiteindelijk gebruikt voor herstel van de kade. In 1837 besluit koning Willem I definitief dat het monument, ooit bedacht door Lodewijk Napoleon, er nooit zal komen.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!














