Geschiedenis en Cultuur

Deze beroemdheden werden na hun dood opgegraven

Veel beroemde personen – van presidenten tot bandieten – zijn na hun dood uit het graf gelicht om antwoord te geven op vragen over hun leven en dood. donderdag, 9 november 2017

Door Erika Engelhaupt

De laatste rustplaats van de surrealistische schilder Salvador Dalí blijkt achteraf wat minder rustig te zijn. Onlangs werd zijn lichaam op rechterlijk bevel opgegraven voor een vaderschapstest. Daarmee is Dalí de laatste in een verrassend lange rij van beroemdheden die in naam van de wetenschap uit hun graf zijn gelicht.

Onder de beroemdheden die werden opgegraven, bevinden zich veel personen die waarschijnlijk werden vermoord – of van wie werd vermoed dat ze zelf moordenaars waren geweest. Anderen hadden niet-erkende erfgenamen achtergelaten. En soms wilden de autoriteiten gewoon weten of ze wel echt dood waren.

Tegenwoordig kunnen veel van dit soort vragen, ook jaren of zelfs eeuwen na iemands dood, worden beantwoord, dankzij recente verbeteringen in de DNA-analyse.

In het geval van Dalí beweert een Spaanse vrouw zijn dochter te zijn. Eind juni beval een rechter om het lichaam van de schilder op te graven voor een DNA-test. De Fondació Dalí wil de beschikking aanvechten, maar als de opgraving inderdaad doorgaat, is er volgens experts waarschijnlijk voldoende DNA aanwezig om een test uit te voeren, want Dalí overleed in 1989 – mits de DNA-monsters van de juiste lichaamsdelen worden genomen.

DNA begint meteen na de dood te vergaan, dus richten wetenschappers zich op afgesloten gedeelten die in het haar, de kiezen en het rotsbeen bij het binnenoor bewaard zijn gebleven. Forensisch onderzoekers zullen waarschijnlijk op die plekken zoeken naar DNA waarmee het vaderschap van Dalí al dan niet kan worden bewezen.

Hieronder volgen enkele andere beroemde en fascinerende gevallen waarbij beroemdheden werden opgegraven, samen met de onthullingen die het wetenschappelijk onderzoek naar hun stoffelijke resten opleverde.

Kapitale fout

Zelfs de lichamen van beroemde mensen kunnen op de verkeerde plek eindigen.

De astronoom Nicolaas Copernicus overleed in 1542, kort na de publicatie van zijn beroemde boek waarin hij de zon in het centrum van het universum plaatste. Hij werd begraven in de kathedraal van Frombork (Frauenburg) in Polen, maar ondanks zijn grote roem destijds werd zijn graf niet duidelijk aangegeven.

In de twee eeuwen daarna zochten archeologen tevergeefs naar de laatste rustplaats van Copernicus. Maar in 2005 werd met behulp van scans van de graven onder de vloer van de kathedraal de schedel van een man gevonden die Copernicus zou kunnen zijn. In het Centraal Forensisch Laboratorium van de Poolse politie werd op basis van de schedel een gezichtsreconstructie gemaakt, en die vertoonde inderdaad opvallend veel gelijkenis met een zelfportret van de astronoom.

 

De wetenschappers namen ook DNA-monsters, maar ze hadden niets om het DNA mee te vergelijken, want directe nazaten van Copernicus waren niet bekend.

Maar het team gaf niet op. Uiteindelijk vond een bibliothecaris meerdere haren in een kalenderboek dat de astronoom lange tijd in zijn bezit had gehad. Uit genetisch onderzoek bleek dat het DNA in de haren overeenkwam met dat van de schedel, waarna Copernicus werd herbegraven, ditmaal in een graf waarop duidelijk zijn naam stond.

Dood of levend

De lichamen van enkele van de beruchtste figuren uit de geschiedenis zijn op last van de autoriteiten opgegraven, om er zeker van te zijn dat ze hun dood niet in scène hadden gezet en zo aan de lange arm der wet konden ontkomen.

Uit historische bronnen blijkt dat de moordenaar van president Lincoln, John Wilkes Booth, in 1865 in een schuur in het nauw werd gedreven en doodgeschoten. Maar in de vier jaar daarna werd zijn lichaam tot tweemaal toe opgegraven en onderzocht. Beide keren werd zijn identiteit bevestigd.

Toch beweerde een advocaat genaamd Finis Bates in 1907 dat de verkeerde man was doodgeschoten. De échte Booth, zo zei hij, hield zich schuil onder de naam ‘John St. Helens’, die in 1903 zijn ware identiteit aan Bates had verklapt en vervolgens zelfmoord gepleegd. Het gebalsemde lichaam van ‘St. Helens’ ging zelfs op tournee door de VS als ‘de man die Lincoln doodschoot’. Historici haalden er hun schouders over op.

Om de zaak definitief af te sluiten kregen Booths verwanten uiteindelijk toestemming voor de opgraving van diens broer Edwin, om zijn DNA te vergelijken met dat van Booths rugwervels, die na de autopsie in 1865 waren bewaard en in het National Museum of Health and Medicine in Maryland liggen opgeslagen.

Maar tot dusver weigert het museum de wervels beschikbaar te stellen, die door de DNA-tests beschadigd zouden worden, en hebben rechtbanken geen gehoor gegeven aan pogingen om het lichaam van Booth nogmaals op te graven.

Vergiftigde president?

Toen Zachary Taylor, de twaalfde president van de VS, plotseling overleed, meenden sommige artsen dat hij aan cholera was bezweken, terwijl andere aan een hittesteek dachten. Maar historica Clara Rising denkt dat Taylor de eerste Amerikaanse president was die werd vermoord, mogelijk door vergiftiging met arsenicum, vanwege zijn verzet tegen de uitbreiding van de slavernij naar de westelijke staten van de VS.

In 1991 kreeg Rising toestemming om het lichaam van de president te laten opgraven, waarna het Oak Ridge National Laboratory neutronen-activeringstests mocht uitvoeren om de eventuele aanwezigheid van arsenicum vast te stellen. Hoewel de tests sporen van arsenicum opleverden, was de hoeveelheid veel te klein om dodelijk te zijn.

Ook de patholoog-anatoom van de staat Kentucky analyseerde de stoffelijke resten die bij die opgraving tevoorschijn waren gekomen en stelde vast dat Taylor zeer waarschijnlijk aan gastro-enteritis is overleden, een infectie die vaak wordt veroorzaakt door bacteriën of virussen in besmet eten of drinken. Historische bronnen melden dat de president zich kort voor zijn dood tegoed had gedaan aan kersen en koude melk, wat zijn dood kan verklaren.

Een moordkerel?

Geen ander moordproces fascineerde het Amerikaanse publiek in de jaren vijftig meer dan dat van Sam Sheppard, een gerespecteerd arts die ervan werd beschuldigd zijn vrouw te hebben doodgeslagen.

Sheppard kreeg tien jaar gevangenisstraf, maar bleef beweren dat hij zich op de avond van de moord had verweerd tegen een ‘indringer met een wilde haardos’. De veelbesproken zaak vormde de basis voor de latere tv-serie en film The Fugitive.

Het proces was een waar mediacircus, waardoor het Amerikaanse Hooggerechtshof uiteindelijk oordeelde dat de rechtszaak overgedaan moest worden en Sheppard uiteindelijk werd vrijgesproken. Maar in die tijd waren er nog geen DNA-tests beschikbaar om een verdachte te kunnen ontmaskeren op basis van bloedmonsters van de plaats delict

Sheppard overleed in 1970 en in 1997 vroeg zijn zoon toestemming om het lichaam van zijn vader op te laten graven en eindelijk de waarheid te achterhalen. Uit de analyse bleek dat het DNA van Sheppard niet overeenkwam met het bloed op de plaats delict. Dat bloed was van Richard Eberling, een voormalige ramenwasser die later werd veroordeeld voor de moord op een andere vrouw. Eberling had geen wilde bos haar, maar bekend was wél dat hij soms een toupet droeg.

De zaak speelde een grote rol in het toenemende gebruik van bewaard DNA-materiaal voor het oplossen van oude moordzaken.

Het raadsel Evita

Sommige beroemdheden worden na hun dood nóg beroemder. Dat geldt ook voor Eva Perón, de flamboyante presidentsvrouw van Argentinië die in 1952 op slechts 33-jarige leeftijd aan kanker overleed.

Peróns perfect gebalsemde lichaam werd met röntgenstralen onderzocht en daarna om politieke redenen twintig jaar lang op verschillende geheime plaatsen verborgen. Uiteindelijk werd haar lichaam, na vele jaren in Italië begraven te zijn geweest, opgegraven en naar Argentinië teruggebracht, waar Eva Perón in Buenos Aires onder drie stalen platen haar laatste rustplaats vond.

Maar die begrafenis nam de vragen over de populaire ‘Evita’ niet weg. In 2012 publiceerden een neurochirurg en andere experts een rapport dat was gebaseerd op de oude röntgenfoto’s. De foto’s leken erop te wijzen dat Perón kort voor haar dood een lobotomie had ondergaan.

Bij een lobotomie wordt de verbinding tussen de prefrontale cortex en de rest van de hersenen doorgesneden, een ingreep die destijds werd uitgevoerd om psychische stoornissen te behandelen of om het lijden van terminale patiënten te verlichten. De enige manier om erachter te komen of Perón inderdaad een lobotomie had ondergaan, is door haar lichaam op te graven. Maar na alle omzwervingen van de voormalige presidentsvrouw zal dat waarschijnlijk niet opnieuw gebeuren.

Gorilla’s in de mist

Forensische tests zijn niet alleen nuttig voor het oplossen van moordzaken. Deze wetenschappelijke methoden kunnen ook worden toegepast om meer over de natuur te weten te komen.

Enkele van de beroemdste dieren die met dit doel werden opgegraven, zijn de gorilla’s die in de jaren zeventig van de vorige eeuw werden onderzocht door National Geographic-onderzoekster Dian Fossey. Fossey, die deze mensapen achttien jaar lang in Rwanda bestudeerde, werd in 1985 vermoord nadat ze zich actief had verzet tegen de macht van stropers in de regio.

Nu zijn enkele van de gorilla’s die zij bestudeerde, voor nader onderzoek opgegraven. Samen met de gedetailleerde gegevens van Fossey en andere wetenschappers kunnen de skeletten een ongekend inzicht bieden in de wijze waarop veranderingen in het milieu of in sociale groepen de gezondheid en groei van de dieren hebben beïnvloed.