Geschiedenis en Cultuur

Werkelijke ouderdom van het mogelijke graf van Jezus onthuld

Recent gevonden bouwmateriaal dateert uit de Romeinse tijd, wat erop wijst dat het oorspronkelijke graf de verwoesting van duizend jaar geleden heeft overleefd. dinsdag, 28 november 2017

Door Kristin Romey

In de loop der eeuwen raakte de Heilig Grafkerk in Jeruzalem zwaar beschadigd door plundering, brand en aardbevingen. In 1009 werd de kerk volledig verwoest en daarna weer herbouwd. Veel moderne wetenschappers achten het onwaarschijnlijk dat dit de plek is die zo’n zeventien eeuwen geleden door een delegatie uit het keizerlijke Rome werd geïdentificeerd als het graf van Christus.

Maar de resultaten van wetenschappelijke tests waarover National Geographic beschikt, lijken te bevestigen dat de resten van een kalksteengrot onder de kerk inderdaad de overblijfselen zijn van het graf dat door de Romeinen werd gevonden.

Monsters van het mortel tussen het oorspronkelijke kalksteen van de grot en de marmerplaat die het graf bedekt, dateren uit de tijd rond 345 na Chr. Volgens de historische bronnen werd de tombe in 326 na Chr. door de Romeinen ontdekt en vervolgens tot een schrijn omgebouwd.

Het vroegste architectonische bewijs dat tot nu toe bij de tombe was gevonden, dateert uit de tijd van de Kruistochten en is niet ouder dan duizend jaar.

Hoewel het onmogelijk is om vast te stellen of deze plek daadwerkelijk het graf is van de Joodse man met de naam Jezus van Nazareth, die volgens berekeningen op basis van het Nieuwe Testament in het jaar 30 of 33 in Jeruzalem werd gekruisigd, blijkt uit de nieuwe dateringen dat het oorspronkelijke grafcomplex dateert uit de tijd van Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse Rijk.

De tombe werd in oktober 2016 voor het eerst in eeuwen weer geopend, toen de schrijn die om het graf is heengebouwd (de Aedicula), uitgebreid werd gerestaureerd door een interdisciplinair team van de Nationale Technische Universiteit van Athene (NTUA).

De ouderdom van mortelmonsters die tijdens die restauratie op verschillende plekken in de Aedicula werden genomen, is vastgesteld en het wetenschappelijk hoofd van het restauratieteam van de Aedicula, Antonia Moropoulou, heeft deze gegevens aan National Geographic ter hand gesteld.

Toen afgezanten van Constantijn rond 325 in Jeruzalem arriveerden om de locatie van Jezus’ graf vast te stellen, werden ze volgens de overlevering gewezen op een Romeinse tempel die tweehonderd jaar eerder op die plek was gebouwd. De tempel werd afgebroken en men begon aan opgravingen, waarbij een graf werd ontdekt dat in de kalksteenrots was uitgehouwen. De bovenkant van de grot werd afgegraven om het interieur van het graf bloot te leggen, waarna een Aedicula om de tombe heen werd gebouwd.

De tombe bevatte een lang in kalksteen uitgehouwen ‘doodsbed’; volgens de traditie het ‘grafbed’ waarop het lichaam van Jezus Christus na de kruisafname te ruste werd gelegd. Dit soort uitgehakte banken en nissen zijn gebruikelijk voor tombes van vooraanstaande Joden in het Jeruzalem van de eerste eeuw na Chr.

Het marmer waarmee het grafbed is bekleed, moet uiterlijk 1555 maar waarschijnlijk eerder zijn aangebracht; halverwege de veertiende eeuw maakten pelgrims hier in hun verslagen al gewag van.

Bij de opening van het graf op de avond van 26 oktober 2016 waren de wetenschappers verrast door wat ze onder de marmeren bekleding aantroffen: een oudere en gebroken marmerplaat met een ingegraveerd kruis die direct op het oorspronkelijke kalkstenen grafbed lag.

Sommige onderzoekers meenden dat deze oudere plaat al in de periode van Kruistochten is aangebracht, anderen dachten aan een vroegere datering: de marmerplaat zou al ten tijde van de verwoesting in 1009 aanwezig zijn geweest en toen beschadigd zijn geraakt. Maar niemand wilde de conclusie trekken dat dit het eerste materiële bewijs was voor de oorspronkelijke schrijn uit de Romeinse tijd.

De resultaten van de nieuwe tests laten nu zien dat de steenplaat waarschijnlijk halverwege de vierde eeuw na Chr. op aanwijzingen van keizer Constantijn is aangebracht.

“De datering komt overeen met Constantijns betrokkenheid,” zegt archeoloog Martin Biddle, die in 1999 een baanbrekende studie over de geschiedenis van de tombe publiceerde. “En dat is zeer opmerkelijk.”

Tijdens de één jaar durende restauratie van de Aedicula stelden de wetenschappers ook vast dat een aanzienlijk deel van de grafgrot binnen de schrijn bewaard is gebleven. Uit mortelmonsters van de zuidelijke grotwand kwamen dateringen van 335 en 1570 naar voren, wat aanvullend bewijs oplevert voor bouwwerkzaamheden in zowel de Romeinse tijd en als de goed gedocumenteerde restauratie in de zestiende eeuw. Monsters van het mortel dat bij de ingang is gebruikt, zijn afkomstig uit de elfde eeuw, wat strookt met de herbouw van de Aedicula na de verwoesting in 1009.

De mortelmonsters werden in twee afzonderlijke laboratoria onafhankelijk van elkaar gedateerd met behulp van optisch gestimuleerde luminescentie (OSL), een techniek waarmee wordt bepaald wanneer kwartsafzettingen (van zand of steen) voor het laatst aan daglicht zijn blootgesteld. Moropoulou en haar team zullen de wetenschappelijke resultaten in een komend nummer van het Journal of Archaeological Science: Reports publiceren.

Tijdens de één jaar durende restauratie van de Aedicula stelden de wetenschappers ook vast dat een aanzienlijk deel van de grafgrot binnen de schrijn bewaard is gebleven. Uit mortelmonsters van de zuidelijke grotwand kwamen dateringen van 335 en 1570 naar voren, wat aanvullend bewijs oplevert voor bouwwerkzaamheden in zowel de Romeinse tijd en als de goed gedocumenteerde restauratie in de zestiende eeuw. Monsters van het mortel dat bij de ingang is gebruikt, zijn afkomstig uit de elfde eeuw, wat strookt met de herbouw van de Aedicula na de verwoesting in 1009.

De mortelmonsters werden in twee afzonderlijke laboratoria onafhankelijk van elkaar gedateerd met behulp van optisch gestimuleerde luminescentie (OSL), een techniek waarmee wordt bepaald wanneer kwartsafzettingen (van zand of steen) voor het laatst aan daglicht zijn blootgesteld. Moropoulou en haar team zullen de wetenschappelijke resultaten in een komend nummer van het Journal of Archaeological Science: Reports publiceren.

In het National Geographic Museum in Washington DC is nog tot en met de herfst van 2018 de 3D-ervaring Tomb of Christ: The Church of the Holy Sepulchre Experience te zien.

Noot van de redactie: Alle onderzoeken werden uitgevoerd in het kader van het project ‘Conservering, versterking en reparatiemaatregelen ter herstel van de Heilige Aediculavan het Heilig Graf in de Allerheiligste Kerk van de Wederopstanding te Jeruzalem, onder supervisie van het interdisciplinaire team ter bescherming van monumenten van de Nationale Technische Universiteit van Athene (NTUA). Het NTUA-team bestond onder anderen uit Em. Korres, A. Georgopoulos, A. Moropoulou, C. Spyrakos en Ch. Mouzakis en stond onder wetenschappelijke leiding van A. Moropoulou.

De gedateerde mortelmonsters werden geanalyseerd in het Laboratorium voor Materiaalwetenschappen en -techniek van de School voor Chemische Techniek van de Nationale Technische Universiteit van Athene (onderzoekers: A. Moropoulou, E. Delegou, M. Apostolopoulou en A. Kolaiti) en het Laboratorium voor Archeometrie van de Faculteit Geschiedenis, Archeologie en Cultuurbeheer van de Universiteit van de Peloponnesos (onderzoekers: N. Zacharias en E. Palamara).