Clotilda, het laatste slavenschip naar de VS

Het laatste slavenschip naar de VS legde aan in 1860. Dit is het verhaal van de 108 mensen aan boord en van hun afstammelingen.

Tuesday, September 22, 2020,
Door Joel K. Bourne, Jr., Sylviane Diouf, Chelsea Brasted
Foto's Van Elias Williams
Afrikaanse gevangenen worden per boot vervoerd naar het slavenschip Clotilda in 1860, vanuit een slavenbolwerk in ...

Afrikaanse gevangenen worden per boot vervoerd naar het slavenschip Clotilda in 1860, vanuit een slavenbolwerk in het huidige Benin.

Foto van Schilderij Kadir Nelson

Het populaire tv-programma Drain the Oceans onthult de geheimen en verloren werelden van de oceaan, door het gebruik van baanbrekende technologie, adembenemende fotografie en inzichten van top marien archeologen. Een nieuw seizoen is vanaf 5 oktober tijdens History Month te zien. Iedere werkdag om 20:00 op National Geographic.

Dit verhaal verscheen in National Geographic Magazine.

Vorig jaar mei, vier eeuwen na aankomst van de eerste geketende Afrikanen in de Engelse kolonie Virginia, werd bekend dat onderwaterarcheologen bij Mobile (Alabama) de verkoolde resten hadden gevonden van de Clotilda, het laatste slavenschip dat de Amerikaanse kust bereikte.

In 1860, toen de import van slaven in de VS al 52 jaar verboden was, had een rijke grondbezitter de schoener gecharterd om ruim honderd Afrikanen naar Alabama te halen. Omdat hij voor dat misdrijf de strop kon krijgen, werd het schip na de smadelijke missie verbrand om de sporen uit te wissen.

De 108 gevangen waren de laatsten van de circa 307.000 Afrikanen die sinds begin zestiende eeuw als slaven naar het Amerikaanse vasteland werden gehaald. De Amerikaanse Burgeroorlog, die vier jaar lang het land had verscheurd en die onder meer was gevoerd om afschaffing van de slavernij te bewerkstelligen, was de straf van de Almachtige geweest voor die zonde, zei president Lincoln in 1865. 

Na de oorlog en de afschaffing van de slavernij in datzelfde jaar, werden de ontwortelde Afrikanen van de Clotilda vrije Amerikaanse burgers, maar ze bleven trouw aan hun Afrikaanse identiteit. Ze vestigden zich ten noorden van Mobile in zelfgebouwde huisjes met tuinen en leefden van akkerbouw, veeteelt, jacht en visserij. Ze stichtten een kerk en begonnen een school. En ze noemden hun hechte, zelfvoorzienende gemeenschap Africatown.

Veel van hun nazaten wonen er nog steeds. Zij zijn trots op het verhaal van hun bijzondere voorouders, hun beproevingen en verdriet, hun sores en successen, en vechten voor het behoud van hun nalatenschap.

Hoofdstuk 1

HARVOCHTIGE HANDEL

Door Joel K. Bourne, Jr.

Hij was negentien toen hij geketend op de Clotilda aankwam. Maar Kossola, die later de naam Cudjo Lewis aannam, vergat nooit waar hij vandaan kwam. Toen hij weer vrij man was, bouwde hij met andere opvarenden een eigen dorp waar veel Afrikaanse tradities in ere werden gehouden. 

Foto van Schilderij: Sedrick Huckaby

 ‘Het is voor ons heel emotioneel, heel beladen,’ zei zijn nakomeling Altevese Lumbers-Rosario na de vondst van het scheepswrak. Op het T-shirt dat haar nichtje Ralphema Lumbers draagt, prijkt een foto van Lewis die rond 1927 is gemaakt.

Foto van Elias Williams

In 1860 waren slaven de kurk waarop de Amerikaanse economie dreef; ze waren meer waard dan al het kapitaal in de spoorwegen, industrie en bankensector bij elkaar. De katoen was goed voor 35 tot 40 procent van de export, volgens historicus Joshua Rothman, een slavernijexpert die is verbonden aan de University of Alabama.

‘Banken uit binnen- en buitenland pompten geld in Alabama, Mississippi en Louisiana, en ze belegden in plantages, plaatselijke banken en slaven,’ zegt Rothman. ‘Je kon zelfs een hypotheek op ze afsluiten.’

In 1859 waren slaven door het importverbod uit 1808 zo duur geworden dat de winst van de plantagehouders onder druk stond en er stem men opgingen om de internationale handel weer toe te staan.

Een van de fanatiekste voorstanders daarvan was Timothy Meaher. Deze in Maine geboren zoon van Ierse immigranten was met zijn broers naar Alabama verhuisd. Ze bezaten er plantages waar slaven het zware werk deden.

Tijdens een verhitte discussie met een stel zakenlieden uit de noordelijke staten, waar slavernij al grotendeels was uitgebannen, wedde Meaher om duizend dollar dat het hem zou lukken een vrachtschip vol Afrikanen naar Mobile te halen, onder de neus van de autoriteiten.

De middelen voor zijn illegale plan kreeg hij moeiteloos bij elkaar. De bevriende scheepsmagnaat William Foster had een paar jaar eerder een slanke, snelle schoener gebouwd, de Clotilda, voor het vervoer van onder meer hout door de Golf van Mexico. Meaher huurde het schip voor 35.000 dollar, met Foster als kapitein.

Eind februari of begin maart 1860 vertrok Foster naar Ouidah, een berucht slavenbolwerk in het huidige Benin.

Foster liet een handgeschreven reisverslag na, terwijl Meaher en enkele Afrikanen hun verhalen lieten optekenen door journalisten en schrijvers. Twee voormalige slaven verschenen in de jaren dertig in korte films.

Hoofdstuk 2

REIS ZONDER TERUGKEER

Door Sylviane Diouf

De oudste opvarende van de Clotilda, Oluale, later Charlie Lewis geheten, vestigde zich op een plek die nu Lewis Quarters heet. 

Foto van Schilderij: Sedrick Huckaby

Een deel van zijn ruim tweehonderd nakomelingen woont nog steeds in Lewis Quarters. ‘De verhalen over de Clotilda waren vaste prik bij ons thuis,’ zegt Lorna Gail Woods. ‘Opgroeien in Africatown was iets om trots op te zijn.’

Foto van Elias Williams

De 110 jonge mannen, vrouwen en kinderen die in mei 1860 werden ingescheept op de Clotilda waren afkomstig uit Bantè, Dahomey, Kebbi, Atakora en andere delen van Benin en Nigeria. Ze hoorden tot verschillende volken, zoals de Yoruba, Isha, Dendi, Nupe en Fon.

Sommigen hadden veel rondgetrokken als handelaar in bijvoorbeeld zout, koper en stoffen. Mogelijk beheersten ze ambachten als ijzermaker, wever, yamteler of palmolieperser. Er waren ook getrouwde vrouwen bij, met kinderen, die misschien wel boerin of marktkoopvrouw waren geweest.

Een van de mannen, Kupollee, droeg oorringen ten teken dat hij was ingewijd in het Yorubageloof. Ossa Keeby kwam uit het Kebbi-koninkrijk in Nigeria, dat beroemd was om zijn goede vissers. De negentienjarige Kossola (later Cudjo Lewis genoemd) was een van de mensen die in handen waren gevallen van slavenhalers uit het koninkrijk Dahomey. Kossola vertelde dat hij van eenvoudige komaf was, maar zijn grootvader had een hoge positie in het leger van een Bantèkoning. Zelf had hij op zijn veertiende een soldatentraining gevolgd, waarna hij was toegetreden tot de Yoruba-oro, een geheim mannengenootschap. Een jong meisje, Kêhounco (Lottie Dennison) was een van de velen die waren ontvoerd. Uiteindelijk kwamen ze samen in een slavenverblijf in Ouidah terecht.

In die miserabele omstandigheden vonden de gevangenen steun bij elkaar en werden ze elkaars nieuwe familie, totdat ook die door buitenlandse slavenhandelaren ruw uiteen werd gereten. Uit kranteninterviews en overgeleverde verhalen, die elders uitgebreid zijn beschreven, weten we dat de gevangenen door kapitein Forster in groepjes van tien werden verdeeld. Na inspectie van hun huid, gebit, handen, voeten, armen en benen koos hij 110 mensen uit. Die hoorden ’s avonds dat ze de volgende dag zouden vertrekken. Veel mensen huilden de hele nacht. Ze hadden geen idee wat er ging gebeuren en wilden niet opnieuw van hun dierbaren worden gescheiden.

’s Ochtends waadden de mismoedige gevangenen naar de kano’s waarmee ze door de levensgevaarlijke branding naar de Clotilda werden gebracht. De vernedering die toen volgde, zouden ze nooit meer vergeten: ze moesten bij aankomst op het schip al hun kleren uittrekken. Dat was gebruikelijk bij slaventransporten, met als onzinnig argument dat dat hygiënischer zou zijn. De laatste overlevenden van de Clotilda vertelden nog vele jaren later hoe grievend ze het vonden om voor naakte wilden te worden uitgemaakt door Amerikanen die dachten dat naaktlopen normaal was voor Afrikanen.

 

Nog voordat iedereen was ingescheept, zag Foster stoomschepen naderen. Uit angst te worden betrapt voer hij meteen weg; de laatste vijftien mensen liet hij op het strand achter. De eerste dertien dagen van de overtocht lagen de gevangenen opgesloten in een hok. Toen Abache (Clara Turner) in 1906 over het vuil, de duisternis, de hitte, de ketenen en de dorst vertelde aan een verslaggever van Harper’s Magazine, ‘brandden haar ogen en sneed de onuitsprekelijke herinnering door haar ziel’. De lijdensweg was nog erger voor ouders die hun kinderen niet tegen angst en pijn konden beschermen. Een vrouw, later Gracie genoemd, had vier kinderen aan boord, van wie de jongste, Matilda, maar een jaar of twee was. Er was een nijpend watertekort. Twee keer per dag kregen ze ‘één slok’ drinken, dat naar azijn smaakte. Er braken ziekten uit, twee mensen stierven.

Het laadruim van de Clotilda was een helse kerker voor 110 Afrikaanse gevangenen. Twee van hen stierven tijdens de zes weken durende oversteek van de Atlantische Oceaan, anderen hoopten op de genade van de dood. Alleen al de stank ‘was moordend’, vertelde overlevende Redoshi jaren later.

Foto van ILLUSTRATIE: THOM TENERY, BRON: JAMES DELGADO, SEARCH, INC.

De slavenschepen waren varende gruwelkampen. Solidariteit was van levensbelang, en mensen die de helletocht samen hadden doorstaan, sloten vriendschappen voor het leven. Die werden doorgegeven aan volgende generaties, als ze tenminste niet wéér werden gescheiden. Ook op de Clotilda, die anderhalve maand onderweg was, ontstond zo’n hechte gemeenschap.

Op 8 juli kwam er land in zicht. De opvarenden hoorden iets wat klonk als een zwerm bijen, maar het was het geluid van de sleepboot die de Clotilda door de Baai van Mobile loodste. Vervolgens werden ze overgeladen naar een rivierstomer van Timothy Meahers broer Burns, die ze naar de plantage van John Dabney bracht. Foster voer intussen met de Clotilda naar Twelve Mile Island. Om de sporen uit te wissen van het slaventransport, waarop de doodstraf stond, liet Foster het schip in vlammen opgaan.

De slavenhouders in de Deep South (staten als Alabama, Texas, Georgia en Louisiana), waar arbeidskrachten voor plantages schaars waren, kochten slaven in de Upper South (onder meer Kentucky, Virigina en Tennessee). Maar die waren volgens hen schandalig duur. Het nieuws over het ‘geheime’ transport ging snel rond in Alabama en bereikte binnen een dag of twee de pers. De jonge Afrikanen waren inmiddels aangekomen op Dabneys plantage in een van muggen vergeven uithoek van Virginia. Om ontdekking te voorkomen werden ze daarna van de ene plek naar de andere gesleept. Ze leefden op vlees en maismeel en werden ziek. Wel waren ze blij dat ze zich weer konden kleden, al was het met lompen, jutezakken en dierenhuiden. Tegen de tijd dat de federale politie een opsporingsteam had opgetuigd, zaten de Afrikanen al op Burns’ plantage. Daar ‘gingen ze bijna dood van verdriet’, vertelden ze een halve eeuw later.

Bij Twelve Mile Island werden de Afrikanen overgebracht naar een rivierstomer die hen naar de zompige binnenlanden bracht. Ze werden er verborgen gehouden tot ze onder de samenzweerders werden verdeeld of verkocht. De kapitein stak de Clotilda in brand om alle sporen uit te wissen.

Foto van ILLUSTRATIE: THOM TENERY, BRON: JAMES DELGADO, SEARCH, INC.

Toen Timothy Meaher het tijd vond om zijn handel te gelde te maken, werden de lotgenoten opnieuw van elkaar gescheiden. Diepbedroefd zongen ze een afscheidslied, waarin ze elkaar een ‘behouden reis’ wensten. Zo’n tachtig mensen gingen terug naar Mobile, maar op 23 juli 1860 schreef de krant Mercurydat er ‘onlangs negers die nooit Engels hebben geleerd langs de Spoorweg zijn gezien.’ Toen ze onderweg langs een circus kwamen en de Afrikanen een olifant hoorden, riepen ze: ‘Ile, ile, ajanaku, ajanaku!’ (‘thuis’ en ‘olifant’ in het Yoruba en Fon). Ze zouden voorgoed op verschillende plekken in Zuidoost-Alabama blijven. Gracie werd met twee van haar dochters verkocht, maar hoorde nooit wat er met de andere twee was gebeurd.

Timothy Meaher werd gearresteerd, berecht en vrijgesproken. De aanklachten tegen Burns Meaher en Dabney werden ingetrokken, omdat de ‘bewuste negers’ nooit waren gevonden. Foster kreeg een boete van duizend dollar wegens ontduiking van ‘invoerrechten’. Meaher beloonde zichzelf met zestien mannen en zestien vrouwen; Burns nam er twintig, onder wie Kêhounco, en James Meaher kreeg Kossola en zeven anderen. Zestien gingen er naar Foster, onder wie Abile (Celia Lewis). De Afrikanen die in Ouidah honderd dollar per persoon hadden gekost, waren nu duizend dollar waard.

VERWANTSCHAP

Toen wachtte devolgende beproeving: de kennismaking met de harde plantagewereld waarin iedereen vreemd was, ook de andere slaven. Tot dan toe waren ze Yoruba, Dendi, Nupe of Fon geweest, met hun eigen taal en cultuur. Nu werden ze tot ‘Afrikanen’ bestempeld, terwijl het voor hen net zo ongewoon was als voor Europeanen om zich met een continent te identificeren. Maar ook al keken anderen op hen neer, ze aanvaardden hun nieuwe identiteit met trots. Noah Hart, een van de andere slaven op Timothy Meahers plantage, vertelde later dat de Afrikanen er vervaarlijk uitzagen, maar dat ze nooit onderling ruziemaakten. Ze vormden één front en ‘pikten geen slaag’ van blanken of zwarten. Meer dan eens kwam de hele groep in verzet, zonder angst voor de gevolgen.

Toen een van de meisjes eens een klap kreeg van Meahers kokkin, Polly, krijste ze volgens Hart als ‘een wilde kat in het donker’. Meteen kwamen alle Afrikanen van het veld af gestormd, gewapend met rieken, schoppen en stokken. Polly rende de trap op naar de kamer van Mary Meaher, maar ze kwamen haar achterna en begonnen op de deur te bonken. Het eindigde ermee dat Polly vertrok. Op een dag wilde Burns’ opzichter een jonge vrouw te lijf gaan met een zweep. Prompt werd hij besprongen door de anderen, die hem met zijn zweep afranselden. Voortaan liet hij zoiets wel uit zijn hoofd. Maar de Afrikanen die maar met enkelen op een plantage zaten, werden vaak slecht behandeld. Redoshi (Sallie Smith) vertelde later tegen burgerrechtenactiviste Amelia Boynton Robinson dat ze ‘om het minste al slaag kregen als we hun Amerikaans niet verstonden’.

Geraldine Hunter (links) en Carolyn Harris geven de collecteschaal door tijdens de jaarlijkse herdenkingsdienst in de Union Missionary Baptist Church in Africatown. De opvarenden van de Clotilda hebben de kerk, toen nog Old Landmark Baptist Church geheten, in 1872 zelf gebouwd. Ondanks de naamsverandering is het nog dezelfde parochie.

Foto van Elias Williams

De Afrikanen gingen vooral met elkaar om en hielden vast aan de gebruiken waarmee ze waren opgegroeid. De mensen uit Atakora (nu Benin) wikkelden hun doden in boomschors en legden hen in diepe graven. De Yoruba dompelden hun kinderen na de geboorte in een kreek om te zien of ze levenskrachtig waren. Een Fon-stel tatoeëerde een zichzelf in de staart bijtende slang op de borst van hun zoontje, een heilig symbool uit het koninkrijk Dahomey.

Vijf jaar lang zwoegden de Afrikanen op de katoen-, rijst- en suikerrietvelden. Sommige mannen werkten vanuit Mobile op de rivierschepen als ketelstoker en sjouwer bij het laden en lossen van balen katoen. In de Burgeroorlog legden ze versterkingen rond de stad aan en leefden ze onder erbarmelijke omstandigheden.

Maar op 12 april 1865, toen het leger van de noordelijke staten binnentrok, kregen de Afrikanen eindelijk hun vrijheid terug. Ze vierden het met feestelijk tromgeroffel.

Een stel vrienden is bij elkaar gekomen vanwege het overlijden van Henry Galloway (64), die zijn leven lang in Africatown heeft gewoond. Zijn zus Mattie zegt dat hij bijna met pensioen ging toen hij stierf. ‘Wat mij betreft had hij een langer verblijf op aarde verdiend, maar God vergist zich nooit.’

Foto van Elias Williams

DE STICHTERS VAN AFRICATOWN

De mannen vonden werk in de hout- en kruitfabrieken of bij overslagterreinen aan het spoor. De vrouwen teelden groenten die ze huis aan huis verkochten. Om hun herenigde gemeenschap structuur te geven, kozen ze een leider, Gumpa (Peter Lee), een adellijk familielid van de koning van Dahomey, en twee rechters, Charlie Lewis en Jabe Shade, een kruidengenezer. En als een echte familie haalden ze de banden aan met hun reisgenoten die 250 kilometer verderop waren beland in Dallas County.

Ze leefden zuinig om voor de terugreis te sparen, maar kregen niet genoeg geld bijeen. Ze gooiden het roer om. Kossola stapte op Meaher af: ‘Kapitein Tim’, zei hij, ‘u hebt ons weggehaald uit ons eigen land, waar we onze eigen grond hadden. U hebt slaven van ons gemaakt. We zijn nu wel vrij, maar we hebben geen land, geen grond of een eigen plek. Geef ons een stuk grond om een Afrikaans dorp op te bouwen.’ Ze wilden niets meer of minder dan schadeloos worden gesteld, maar Meaher was woest.

Daarop kochten de Afrikanen zelf maar grond, ook van de Meahers. Vier gezinnen vestigden zich op een terrein van drie hectare, dat nog steeds Lewis Quarters heet, naar Charlie Lewis. Drie kilometer verderop werd het grootste perceel aangekocht, twintig hectare tussen de sparren, cipressen en coniferen. Naar Afrikaans gebruik bouwden ze alle ruim dertig houten huizen samen. Elk huis had een border van bloemen, een moestuin en fruitbomen. Later bouwden ze ook een school en een kerk. De Old Landmark Baptist Church stond naast de grond van Abile en Kossola en was gericht naar het oosten, naar Afrika. Even verderop kwam een kerkhof. Ze noemden hun dorpje Africatown. Ze zouden nooit meer weggaan uit Mobile, hoe graag ze ook terug wilden naar Afrika.

In de eerste jaren na de Burgeroorlog profiteerden de vrijgemaakte slaven van het vooruitstrevende wederopbouwbeleid, maar al snel kwam er een omslag. In de aanloop naar de Congresverkiezingen van 1874 vroeg de krant Mobile Daily Register zijn lezers om ‘gehoor te geven aan de roep van de blanke suprematie’.

Timothy Meaher had de Afrikaanse mannen, die in 1868 genaturaliseerd waren, onder druk gezet om op de Democraten te stemmen, de partij die voorstander was van slavernij. Maar hij was er niet gerust op dat ze dat echt zouden doen. Daarom loog hij tegen de ambtenaren van het stembureau dat ze geen Amerikanen waren. Charlie, Pollee en Cudjo werden weggestuurd. Toen de mannen vervolgens naar Mobile liepen, acht kilometer verderop, moesten ze een dollar de man neertellen om te mogen stemmen, bijna een dagloon. Maar ze betaalden. Het schriftelijke bewijs dat ze hadden gestemd, zouden ze tientallen jaren bewaren.

Kêhounco sloot zich met haar man, James Dennison uit North Carolina, aan bij de eerste beweging die ijverde voor herstelbetalingen. Na James’ dood stond ze erop dat zij zijn soldatenpensioen van het noordelijke leger zou krijgen. Matilda liep op haar 72ste vanuit Dallas County bijna 25 kilometer naar de rechter in Selma om te vragen waar de compensatie bleef voor de mensen die uit Afrika waren weggehaald.

Begin twintigste eeuw waren de opvarenden van de Clotilda langer in Amerika dan dat ze in Afrika hadden gewoond. De meesten hadden Amerikaanse achternamen aangenomen en zich tot het christendom bekeerd. Sommigen waren met Afro-Amerikanen getrouwd. Ze hadden naast hun gekoesterde eigen cultuur ook Amerikaanse gebruiken overgenomen. De kinderen gingen naar school en groeiden op in twee werelden. Sommigen leerden de taal van hun ouders; Matilda fungeerde bijvoorbeeld als tolk voor haar moeder. Allemaal hadden ze een Amerikaanse naam voor de buitenwereld, waar ze vaak met dedain werden behandeld en uitgescholden voor apen en wilden. In eigen kring hielden ze hun Afrikaanse namen aan.

‘We waren één grote familie,’ vertelde Helen Jackson, een kleindochter van Ossa Keeby. ‘We kregen van thuis mee dat alle Afrikanen van onze generatie neven en nichten waren. We wisten dat zij net zo waren als wij, en dat wij anders waren dan iedereen buiten onze kring.’ De kinderen voelden zich beschermd. ‘We hadden land, we hadden familie,’ zei Abaches achterkleindochter Olivette Howze in 2003 in een kranteninterview. ‘We hadden een fijn leven. Ik ben blij dat ik hier ben opgegroeid.’

Hun dorp was een veilige oase, maar Afrika was het paradijs waarvan hun ouders droomden. ‘Ze vertelden ons hoe fijn het daar was,’ zei Kupollees dochter Eva Allen Jones daarover. ‘Soms zag ik ze huilen. Mijn vader en oom Cudjo waren in tranen als ze het er samen over hadden hoe graag ze terug wilden.’

Kossola stierf in 1935, Redoshi in 1936, anderen hebben misschien nog wat langer geleefd. De Afrikanen bleven zich altijd tegen onderdrukking verzetten, ook toen ze geen slaven meer waren. In Africatown, dat nog altijd bestaat, creëerden ze een plek waar ze veilig waren voor de Amerikanen, blanken én zwarten. Ze pasten zich aan, maar hun dorp kwam tot bloei dankzij het Afrikaanse principe dat familie en gemeenschap altijd voorgaan.

De opvarenden van de Clotilda kwamen het drama uit hun jeugd nooit te boven. Maar ze behielden hun waardigheid, hun eendracht en hun trots op wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Hun verhaal getuigt van een onvoorstelbare veerkracht en van grootse prestaties, maar nog het meest van een onherstelbaar verlies. Zoals Ossa Keeby decennia na zijn reis met de Clotilda nog verzuchtte: ‘Ik ga elke nacht terug naar Afrika. In mijn dromen.’

Hoofdstuk 3

DE REDDING VAN AFRICATOWN

Door Joel K. Bourne, Jr.

De Afrikanen kregenal snel gezelschap van een paar Afro-Amerikaanse families die werk zochten in de nabijgelegen fabrieken en de haven. In 1910 richtten de dorpelingen de Mobile County Training School op. Tientallen predikanten, leerkrachten, ondernemers en beroepssporters werden er op het leven voorbereid. Zoals de honkballers Cleon Jones en Tommie Agee, die de New York Mets in 1969 aan hun zege in de World Series hielpen.

In de jaren zestig was Africatown uitgegroeid tot een stadje met twee grote papierfabrieken, er was werk in overvloed en er woonden meer dan twaalfduizend mensen. Anderson Flen, die in die bloeitijd opgroeide, weet nog goed dat kinderen altijd de volwassenen die op hun veranda zaten gedag zeiden, en dat die volwassenen ervoor zorgden dat er nooit een kind honger leed.

Flen rijdt me rond in zijn pick-uptruck door Africatown, dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgeslokt door Mobile. Hij vertelt dat ze vroeger een stuk makkelijker bij de rivier konden komen. ‘We vingen brasem, pos, barbeel, meerval, bot en zwemkrab. Er waren fruitbomen, bessenstruiken en vijgen. Het was hier fantastisch voor kinderen.’

De Training School was het hart van de gemeenschap, vertelt Flen. Altijd als er iets aan de hand was, werd de klok geluid, of de footballclub nu had gewonnen, er ergens een huis in brand stond of iemand werd begraven. De leerlingen werden gevormd tot goedgeklede, welbespraakte, erudiete, bereisde en evenwichtige burgers, vertelt Flen. Zelf was hij klassenvertegenwoordiger, nu is hij voorzitter van de vereniging van oud-leerlingen van de Training School.

Mardi Gras-vieringen, zoals het Grand Marshal Ball, zijn nog steeds gesegregeerd. Ondanks het bewogen verleden hopen veel mensen dat de vondst van het laatste slavenschip een stimulans zal zijn om samen stil te staan bij de gedeelde geschiedenis, zodat de oude wonden kunnen genezen.

Foto van Elias Williams

Maar het huidige Africatown is vooral vergane glorie. In sommige straten staat tussen de krotten maar een enkel goed onderhouden huis met bloemen in de tuin. Nog maar de helft van alle huizen wordt bewoond, de rest staat leeg of is onbewoonbaar verklaard. Een flatgebouw met sociale woningen uit de jaren zestig, ooit optimistisch Happy Hills genoemd, wacht dichtgetimmerd op de sloopkogel. Zware industrie – chemische fabrieken, een olieopslagbedrijf en de enige overgebleven papierfabriek – ontsiert de rivieroever en slokt een steeds groter deel van het dorp op. Tussen de fabrieken staat de Africatown Bridge, een vierbaans viaduct uit 1991.

Het historische deel van het dorp is al jaren inzet van milieurechtszaken, zegt Joe Womack. De oud-marinier is oprichter van een plaatselijke organisatie die zich inzet voor een schoon, gezond, veilig en duurzaam Africatown. De industrie bracht behalve werkgelegenheid ook ellende, vertelt Womack. Hij spreekt van een erfenis van vervuiling en kankergevallen, die volgens veel inwoners zijn veroorzaakt door bedrijven in en rond het stadje, zoals de papierfabrieken.

Een paar jaar geleden wisten bewoners van Africatown de komst van een tweede olieoverslagbedrijf tegen te houden. Ook lopen er procedures tegen International Paper vanwege bodem-, lucht- en watervervuiling door de inmiddels gesloten fabriek. Maar intussen probeert de plaatselijke kamer van koophandel nieuwe bedrijven aan te trekken in het kader van de zogeheten Alabama Gulf Coast Chemical Corridor.

‘Dat is onderdeel van een gigantisch plan om een brug van twee miljard dollar te bouwen en de tunnels onder de rivier op te ruimen, zodat supertankers tot hier kunnen komen,’ zegt Womack. ‘De stad doet niets voor onze gemeenschap, omdat ze er hier één groot industriegebied van willen maken. Ze willen gewoon geld verdienen. Maar dat kan evengoed met toerisme. We moeten ze alleen wel even een zetje de goede kant op geven.’

Volgens Womack en anderen is de vondst van de Clotilda een mooie stimulans om oude wonden te helen en de gemeenschap nieuw leven in te blazen. Er lopen al projecten om de oever van de rivier opnieuw toegankelijk te maken en de verbinding tussen de woonwijken terug te brengen. Ook zijn er plannen voor de aanleg van een park.

Daarnaast is er een internationale ontwerpwedstrijd uitgeschreven voor een nieuw bezoekerscentrum, de renovatie van een school en een museum aan het water, waar een replica van de Clotilda kan worden gebouwd. Verder pleiten plaatselijke historici, met steun van het National Museum of African American History, voor de bouw van een nationaal monument in Africatown ter herinnering aan de slaventochten.

‘Dit is een belangrijk deel van onze geschiedenis,’ zegt Lorna Gail Woods (70), historica en een nazaat van Charlie Lewis, een van de stichters van Africatown. ‘Er zijn reizende tentoonstellingen over de Amistad en de Titanic, waarom dan niet over de Clotilda? Ze hebben in Washington een compleet nieuw gebouw neergezet,’ zegt ze, doelend op het National Museum of African American History and Culture. ‘Zoiets kan toch ook rond de Clotilda? Er ligt hier een belangrijk stuk geschiedenis, daar moet de hele wereld kennis van kunnen nemen.’

Anderson Flen is het daar roerend mee eens. ‘Er zit nog steeds een hoop pijn in ons land. Die gaat niet over zolang we de kern van het rassenprobleem niet aanpakken en alleen aan de oppervlakte blijven. De wonden kunnen pas helen als we die pijn aanpakken.’

Epiloog

HET VERLEDEN ONDER OGEN

Door Chelsea Brasted

Robert Meaher kent de verhalen over zijn overgrootvader Timothy Meaher. Die organiseerde het laatste slaventransport naar Amerika en liet het schip, de Clotilda, bij Mobile tot zinken brengen. Maar hij vraagt zich af of het wrak wel echt de Clotilda is: de afgelopen decennia is de ontdekking wel vaker gemeld. Hij wijst erop dat zijn voorvader nooit is veroordeeld, en dat er ook anderen bij betrokken zijn geweest, zoals de mensen in Benin die de slaven hebben verkocht, en William Foster, de kapitein.

‘Slavernij deugt natuurlijk niet,’ zegt Meaher, ‘maar als je broer iemand vermoordt, is dat ook niet jouw schuld. Toch wil ik best excuses maken. Want wat er is gebeurd, deugt niet.’

Meaher zegt dat hij door eigen speurwerk het nodige over de Clotilda en de opvarenden te weten is gekomen. Zo heeft hij de hand gelegd op een artikel uit 1931 in de Mobile Register over Cudjo Lewis, waarin hij een uitspraak van Lewis heeft gemarkeerd: ‘Maar toch ben ik blij dat ik hier ben, want toen ik daar was wist ik niet dat er een God bestond.’ Voor Meaher, zelf gelovig, is dat een belangrijke uitspraak. Zijn familie heeft een kerkgebouw geschonken aan Africatown en grond beschikbaar gesteld voor de aanleg van een park. Ook heeft hij geld gegeven aan een stichting die ziekenhuisschepen naar verre landen stuurt, waaronder Benin.

Meaher (73) vertelt dat hij al zo’n twintig jaar geen bemoeienis meer heeft met het onroerend goed van de familie en dus niets weet van eventuele plannen met hun grond in en rond Africatown. Op de vraag of hij nazaten van de opvarenden wil ontmoeten, antwoordt Meaher resoluut: ‘Daar heb ik geen behoefte aan.’

Jocelyn Davis, die afstamt van Clotilda-opvarende Charlie Lewis, vertelt dat ze vast weleens een van de Meahers in de supermarkt heeft gezien, of met ze in de rij heeft gestaan voor een beker koffie. Gesproken heeft ze hen nooit. Maar ze weet wel wat ze de Meahers zou vragen als ze de kans kreeg. ‘Als ze ons gewoon eens het verhaal zouden vertellen dat zij te horen hebben

gekregen, want zij hebben natuurlijk hun eigen verhaal,’ zegt ze. Davis heeft ook overwogen om contact te zoeken met Fosters nazaten, of met de afstammelingen van de mensen in Benin die haar voorouders aan de slavenhandelaren hebben verkocht. ‘Het gaat om zo veel meer dan genoegdoening, om zo veel meer dan geld.’

Zo’n ontmoeting tussen nakomelingen van mensen die tegenover elkaar stonden in de pijnlijkste periode van rassenscheiding in Amerika, kan heilzaam uitpakken. In 2009 richtten nazaten van Homer Plessy en rechter John Howard Ferguson, naamgevers van de beruchte rechtszaak Plessy versus Ferguson, waarin het Hooggerechtshof in 1896 de segregatie legitimeerde, samen een stichting op die voorlichting geeft over de gevolgen die de zaak tot op de dag van vandaag heeft. Toen de achter-achterkleindochter van de rechter, Phoebe Ferguson, erachter kwam welke rol haar familie had gespeeld, zocht ze contact met Keith Plessy, een achterkleinzoon van een neef van Homer Plessy.

‘Dat wij elkaar hebben gevonden, is op zichzelf al symbolisch, daar hoeven we verder niets voor te doen behalve vrienden zijn,’ zegt Ferguson. ‘Natuurlijk heb ik er zelf geen schuld aan gehad, maar mijn familie wél. Dat we nu in de 21ste eeuw leven, betekent niet dat we het er maar bij moeten laten zitten.’

Het begint ermee, zeggen Ferguson en Plessy, dat we niet wegduiken voor het verleden. ‘In deze tijd is het ónze verantwoordelijkheid om iets aan het onrecht te doen,’ zegt Plessy. Afro-Amerikanen zijn ‘met de nek aangekeken, tot arbeid gedwongen, gemarteld, vermoord, noem het maar op, en het is ons aangedaan’. Vergeving is pas mogelijk, aldus Plessy, als er erken- ning is van dat onrecht en er excuses worden gemaakt.

Joel K. Bourne jr. schreef in mei 2019 als eerste op de website van National Geographic over de ontdekking van de Clotilda. Historica Sylviane Diouf schreef het boek Dreams of Africa in Alabama. Chelsea Brasted is schrijfster en columniste en woont in New Orleans.
Dit verhaal is mede-gefinancierd door de National Geographic Society.
Dit verhaal verscheen in National Geographic Magazine.
Lees meer