Geschiedenis

12 theorieën over het ontstaan van menselijkheid en waarom ze niet kloppen

Moordenaar? Hippie? Werktuigmaker? Experts worstelen met de vraag wat ons menselijk maakt – en wanneer en hoe we die eigenschap verwierven.

Door Mark Strauss
Foto's Van Kenneth Garrett, National Geographic Creative

12 september 2015

Wat een bijzonder schepsel is de mens toch! Daar is iedereen het tenminste wel over eens. Maar wat is het precies dat Homo sapiens zo uniek onder de dieren, ja zelfs onder mensapen, maakt? En wanneer en hoe maakten onze voorouders zich die unieke kenmerken eigen? In de afgelopen eeuw is daarover een scala van theorieën ontwikkeld. Sommige verraden minstens evenveel over de opvattingen van de tijd waarin ze werden opgesteld als over het ontstaan van de mens.

1. We maken werktuigen:

“Het is in het vervaardigen van werktuigen waarin de mens uniek is”, schreef de antropoloog Kenneth Oakley in een artikel in 1944. Apen gebruiken voorwerpen die ze toevallig vinden ook als werktuigen, zo legde hij uit, “maar het bewust vormgeven van stokken en stenen voor een specifiek gebruik was de eerste, herkenbaar menselijke activiteit.” In de vroege jaren zestig van de vorige eeuw schreef Louis Leakey het ontstaan van werktuigvervaardiging, en dus van menselijkheid, toe aan een soort die hij Homo habilis (“de handige mens”) noemde en die rond 2,8 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika leefde. Maar zoals Jane Goodall en andere onderzoekers sindsdien hebben aangetoond, geven ook chimpansees vorm aan stokjes voor een specifiek gebruik – door bijvoorbeeld de bladeren eraf te ritsen om er daarna mee naar verborgen insecten te ‘vissen’. Zelfs kraaien, die geen handen hebben, kunnen heel handig zijn.

2. We zijn moordenaars

Volgens antropoloog Raymond Dart onderscheidden onze voorouders zich van andere levende mensapen omdat ze echte ‘killers’ waren – vleesetende wezens die “met geweld hun levende hulpbronnen grepen, deze doodsloegen, hun gebroken lichamen aan stukken scheurden, een voor een hun ledematen afsneden en hun roofzuchtige dorst lesten met het warme bloed van de slachtoffers en vol begeerte levend, spartelend vlees verorberden.” De tekst mag inmiddels overkomen als een goedkope horrorroman, maar na de afgrijselijke slachting van de Tweede Wereldoorlog raakte Darts artikel (in 1953) over zijn theorie van de “moordende aap” duidelijk een gevoelige snaar.

 

 

3. We delen ons voedsel

In de jaren zestig van de vorige eeuw maakte de theorie van de moordende aap plaats voor de hippie-aap. Antropoloog Glynn Isaac stuitte op bewijs dat kadavers van dieren bewust waren verplaatst van de plek waar ze waren gedood naar plekken waar, zo nam hij aan, het vlees kon worden gedeeld met de hele gemeenschap. Volgens Isaac leidde het delen van voedsel tot de behoefte om informatie te delen over de plekken waar dat voedsel gevonden kon worden – en dus tot de evolutie van taal en ander typisch menselijk sociaal gedrag.

4. We zwemmen naakt

Enige tijd later, in het tijdperk van Aquarius, beweerde Elaine Morgan, een schrijfster van tv-documentaires, dat de mens zo verschilt van andere primaten omdat onze voorouders in een andere omgeving evolueerden, namelijk langs en in het water. Door hun lichaamsbeharing kwijt te raken werden ze snellere zwemmers, terwijl het rechtop lopen de mens in staat stelde door diep water te waden. De hypothese van de “aquatische aap” wordt nu alom door de wetenschappelijke wereld afgewezen. Maar in 2013 kreeg de theorie de steun van David Attenborough.

5. We gooien met dingen

Archeoloog Reid Ferring meent dat onze voorouders pas echte kerels, eh... mensen werden nadat ze het vermogen ontwikkelden om stenen met grote snelheid weg te gooien. In Dmanisi, een 1,8 miljoen jaar oude vindplaats van mensachtigen in de voormalige Sovjetrepubliek Georgië, vond Ferring aanwijzingen voor de stelling dat Homo erectus de openbare steniging uitvond om roofdieren bij hun gedode prooien weg te jagen. “De Dmanisi-mens was klein,” zegt Ferring. “En in hun gebied wemelde het van grote katachtigen. Dus hoe hebben deze mensachtigen overleefd? Hoe slaagden ze erin helemaal uit Afrika tot daar te emigreren? Het gooien van stenen kan een deel van het antwoord zijn.” Het stenigen van dieren maakte ons ook socialer, betoogt hij, omdat het een gezamenlijke inspanning vereiste om succesvol te zijn.

6. We jagen

De jacht inspireerde de mens niet alleen tot samenwerking, stelden de antropologen Sherwood Washburn en C. S. Lancaster in 1968 in een artikel: “ons intellect, onze interesses en gevoelens, ons alledaagse sociale leven – het zijn allemaal producten van onze succesvolle aanpassing als jagers.” Zo ontwikkelden de grotere hersenen van de mens zich vanuit de behoefte om meer informatie op te slaan over plekken en tijdstippen voor het jagen op wild. De jacht zou ook hebben geleid tot een arbeidsdeling tussen de seksen, waarbij de vrouwen zich op het verzamelen richtten. Wat ons op de vraag brengt: waarom hebben vrouwen dan óók grotere hersenen?

7. We ruilen voedsel voor seks, vooral voor monogame seks

Het cruciale keerpunt in de ontwikkeling van de mens, althans volgens de theorie die in 1981 werd voorgesteld door C. Owen Lovejoy, was de opkomst van de monogamie, zo’n zes miljoen jaar geleden. Tot dan toe kregen brute alfamannetjes die hun rivalen verjoegen de meeste seks. Maar monogame vrouwen gaven de voorkeur aan mannen die het best in staat waren om hun vrouw en kroost van voedsel te voorzien en in de buurt bleven om bij de opvoeding te helpen. Volgens Lovejoy begonnen onze voorouders rechtop te lopen omdat ze daarmee de handen vrij hadden en zo meer boodschappen meer naar huis konden nemen.

8. We eten (gekookt) vlees

Grote hersenen zijn hongerig – grijze materie heeft twintigmaal meer energie nodig dan spierweefsel. De hersenen zouden zich nooit op een vegetarisch dieet hebben kunnen ontwikkelen, beweren sommige onderzoekers; ze werden daarentegen pas groter nadat we, zo’n twee tot drie miljoen jaar geleden, vlees begonnen te eten, een voedingsbron die rijk is aan proteïnen en vet. En volgens antropoloog Richard Wrangham verspilde de mens minder energie aan het kauwen of vermalen van vlees nadat onze voorouders het koken hadden uitgevonden – een activiteit die uitsluitend bij de mens voorkomt en waardoor voedsel veel gemakkelijker is te verteren; zo hield de mens meer energie over voor de groei van de hersenen. En uiteindelijk was het menselijke brein groot genoeg om de bewuste beslissing te nemen vegetariër te worden.

9. We eten (gekookte) koolhydraten

Misschien werden onze grote hersenen mogelijk gemaakt door het stevig inslaan van koolhydraten, althans volgens een recente studie. Toen onze voorouders eenmaal het koken hadden uitgevonden, bleken knolgewassen en andere planten met veel zetmeel uitstekend breinvoedsel te zijn, dat ook nog eens gemakkelijker verkrijgbaar was dan vlees. Een enzym in ons speeksel genaamd ‘amylase’ helpt bij het afbreken van koolhydraten tot de glucose die onze hersenen nodig hebben. Evolutiegeneticus Mark G. Thomas van University College London benadrukt dat ons DNA meerdere kopieën van het gen voor amylase bevat, wat erop kan wijzen dat dit enzym – en knolgewassen – hebben bijgedragen aan de explosieve groei van het menselijk brein.

10. We lopen op twee benen

Kwam het doorslaggevende moment in de evolutie van de mens toen onze voorouders uit de bomen klommen en rechtop begonnen te lopen? De pleitbezorgers van de “savannehypothese” zeggen dat de aanpassing werd gedreven door klimaatverandering. Toen Afrika rond drie miljoen jaar geleden steeds droger werd, slonken de wouden en begonnen savannes het landschap te overheersen. Dat bleek in het voordeel van primaten die rechtop konden staan en boven het lange gras konden uitkijken en roofdieren konden zien aankomen; ook konden ze zich op twee benen efficiënter door het open landschap verplaatsen, waar voedsel en water over grote gebieden verspreid lagen. Deze hypothese kwam in 2009 in de problemen door de ontdekking van Ardipithecus ramidus, een mensachtige die 4,4 miljoen jaar geleden leefde in wat nu Ethiopië is. Maar die regio was destijds vochtig en bebost, terwijl “Ardi” al op twee benen kon lopen.

11. We passen ons aan

Richard Potts, directeur van het Human Origins Program van het Smithsonian Institution, opperde de mogelijkheid dat het ontstaan van de mens werd beïnvloed door talloze veranderingen in het klimaat, in plaats van door één enkele klimaattrend. De verschijning van het geslacht Homo, bijna drie miljoen jaar geleden, viel volgens hem samen met enorme schommelingen tussen droge en natte klimaten. Door de natuurlijke selectie waren die primaten in het voordeel die zich konden aanpassen aan voortdurende en onberekenbare veranderingen, aldus Potts: aanpassingsvermogen is op zichzelf het allesbepalende kenmerk van de mens.

12. Samen zijn we sterker

Antropoloog Curtis Marean stelt een visie op het ontstaan van de mens voor die heel goed past in deze tijd van globalisering: we zijn bij uitstek een invasieve soort. Na tienduizenden jaren op één enkel continent te hebben geleefd, begonnen onze voorouders de hele wereld te koloniseren. Hoe speelden ze dat klaar? De doorslag gaf volgens Marean een genetische aanleg voor samenwerking – een aangeboren trekje dat evenwel niet uit altruïsme voortkwam, maar uit conflict. Primaatgroepen die samenwerkten, kregen een competitief voordeel op rivaliserende groepen, waardoor hun genen werden doorgegeven. “Het samengaan van deze unieke neiging tot samenwerken met onze al voortgeschreden cognitieve vermogens leidde ertoe dat de mens zich behendig aan nieuwe omgevingen kon aanpassen”, schrijft Marean. “De combinatie bevorderde ook vernieuwing, wat leidde tot een baanbrekend nieuwe technologie: geavanceerde werpwapens.”

Welnu, wat is er mis met al deze theorieën?

Veel ervan zijn zeker plausibel, maar ze hebben allemaal één soort vooringenomenheid gemeen: het idee dat onze menselijkheid door één enkel, welomschreven kenmerk of cluster van kenmerken kan worden gedefinieerd en dat zich één enkele episode in de menselijke evolutie heeft voorgedaan die een cruciale doorbraak betekende in de onvermijdelijke ontwikkeling naar Homo sapiens.

Maar onze voorouders waren geen opeenvolgende softwareversies die steeds beter werden ontwikkeld. Ze evolueerden zich niet in een bepaalde richting, want ze waren gewoon bezig met overleven, bijvoorbeeld als Australopithecus of Homo erectus. Er was niet één specifiek kenmerk dat hen de ‘beslissende’ voorsprong gaf, omdat de uitkomst van welke ontwikkeling dan ook helemaal niet vastlag: een werktuig vervaardigende, met stenen gooiende, vlees-met-aardappelen etende, uiterst coöperatieve en flexibele, bloeddorstig moordende aap met een enorm stel hersenen – kortom wij. Die op dit moment nog altijd bezig is zich te ontwikkelen.