Ierland

The Old Ireland

Woeste landschappen, steile kliffen en de Atlantische Oceaan die altijd dichtbij is: een tocht door het traditionele westen van Ierland. donderdag, 9 november

Door Ralf Groothuizen
Foto's Van Jonathan Andrew

Trappelende voetjes onder zwarte badpakjes. Klapperende tandjes in sproetengezichtjes. Even uit het water om een slok appelsap te nemen, een biscuitje van oma, en dan in volle sprint weer naar de trapjes van de gele pijler die de zee insteekt. Catherine Moore zit op een rots bij Black Rock Salthill, net buiten de Ierse stad Galway. Black Rock is een duikplatform waar in het weekend, bij weer of geen weer, Ierse families neerstrijken. Hier geen bikini’s of topless zonaanbidders, maar goedlachse vrouwen in oerdegelijke zwarte badpakken en mannen in lange shorts met daarboven weinig opgepompte lijven, maar spieren ontstaan door rauwe arbeid. Jongens in wetsuits maken salto’s en potloodduiken van de duikplank. Papa’s snorkelen. Honden blaffen naar meeuwen. Mama’s maken foto’s. Opa’s lezen de krant. En oma’s zitten met tassen koffie, thee en koeken op een rots de boel in de gaten te houden.

Zo’n vrouw is ook Catherine. Ze heeft 5 kinderen, en 22 kleinkinderen. ‘Inderdaad, behoorlijk groot, naar goed katholiek recept.’ Met haar jongste dochter en dier drie dochters is ze naar het graafschap Galway gekomen. De familie woont in County Wicklow, 300 kilometer van Galway vandaan. In de familie is afgesproken dat de kleinkinderen jaarlijks een maand in County Galway verblijven. ‘Wij vinden het belangrijk dat onze kinderen zich Iers blijven voelen. Dat ze Iers-Gaelisch leren spreken. En niet alleen Engels. Ze gaan hier een maand per jaar naar school en praten alleen maar Gaelisch. The Old Ireland, daarvoor moet je hier zijn.’ 

Via de M6-snelweg zoef ik eerder die dag vanuit Dublin, in gezelschap van fotograaf Jonathan Andrew, in drie uur dwars door Ierland. We gaan op zoek naar het oorspronkelijke Ierland, een dunbevolkte regio, met op wat visvangst en turfstekerij na amper bedrijvigheid. Toen de Engelsen over dit land heersten, was het juist deze regio waarnaartoe de Ieren werden verdrongen. Juist daarom komen we hier veel Ierse toeristen tegen die tegenwoordig elders in de wereld wonen. Mensen op zoek naar hun wortels.

We rijden van de oostkust naar de westkust door heuvelachtig groen. Jonathan, geboren in de buurt van Manchester en al jaren woonachtig in Nederland, eet plakkerige, mierzoete mueslirepen met fluorescerende wikkels. ‘Dit is het eerste wat ik doe als ik aan de overkant van de Noordzee ben,’ zegt hij. ‘Zo’n reep voelt als thuis-komen.’

To Hell or to Connaught

In regenponcho’s en met stevige bergschoenen aan onze voeten staan we de volgende ochtend na een full Irish breakfast (inclusief black pudding) te wachten voor Abbeyglen Castle in Clifden. Gerry McCloskey is de komende dagen onze gids. Hij heeft een grote rugzak tussen zijn benen staan. Op de vraag wat hij in godsnaam heeft meegenomen antwoordt hij: ‘You’ll see, you’ll see.’ Gerry, een zestiger, is geboren in het Noord-Ierse Londonderry. Al zou hij, katholiek, het nooit Noord-Ierland noemen. ‘Het is gewoon Ierland. De Engelsen houden een stuk van ons land al jaren bezet.’ Maar laten we niet teveel verzanden in een nog steeds actuele politieke kwestie. Het regent. Dat doet het hier veel en vaak. En dat is niet erg. Daar kun je je namelijk prima op kleden. Ierland in de volle zon, het past niet. Als je hier in het gras gaat zitten, dan hoor je een natte kont te krijgen. Als de zon schijnt en de hemel strakblauw is, horen er in de verte donkere wolken op de loer te liggen. 

Een rammelend Ford Transitbusje komt aanrijden. Chauffeur Paddy is niet het type om ruzie mee te krijgen, getuige zijn dikke stevige vingers die het stuur even later omklemmen. Volgens Gerry is Paddy een van de beste Gaellic Football-spelers van de regio. Gaellic Football is een kruising tussen rugby en voetbal. Paddy heeft de eigenaardige eigenschap dat hij op de net te smalle wegen langs de bergketen Twelve Bins netjes de voet van het gaspedaal haalt als hem een auto met Iers nummerbord tegemoetkomt. Rustig passeren de auto’s elkaar dan, en Paddy groet de bestuurder. Maar komt een auto met Engels nummerbord ons tegemoet, dan drukt Paddy het gaspedaal stevig in. De ander kan niets anders doen dan remmen en uitwijken. Stoïcijns voor zich uitkijkend zoeft Paddy de tegenligger dan voorbij. Maar goed, we zouden niet verzanden in politiek. Volle kracht vooruit door de landstreek Connemara.

Eindhalte is Killary Harbour, een piepkleine haven gelegen in de enige fjord van Ierland. We lopen achter de grote rugzak van Gerry aan de fjord in. In het water beneden ligt een uitgestrekte mosselfarm. Een groep meeuwen vliegt boven het fjord met ons mee. ‘Daar heb je mijn vrienden,’ zegt Gerry. We stappen over stenen. Het lijkt een soort geïmproviseerde weg. Gerry vertelt dat deze weg in de negentiende eeuw is aangelegd door straatarme Ieren die niks te eten hadden. De aard-appeloogst in 1845 mislukte: meeldauw. ‘Kijk,’ wijst hij naar de heuvel aan overkant van de fjord, ‘daar in de verte zie je nog de sporen van de aardappelen. Die groeiden daar tegen de heuvel op.’ In ruil voor arbeid kregen de Ieren voedsel van de Engelsen. ‘Nutteloze wegen zijn het, want die wegen zijn nog nooit gebruikt!’ We lopen verder over stenen die schots en scheef liggen. Het valt op hoe ontzettend verlaten het hier is. Ooit was dat anders, vertelt Gerry. ‘Wij gebruiken nog steeds het spreekwoord To Hell or to Connaught.’ Deze uitspraak stamt uit de 17de eeuw. Connaught was de westelijke provincie van Ierland. De Engelse militair Oliver Cromwell greep de macht en dwong de Ierse bevolking steeds verder naar het westen. Zijn regime pakte land van de Ierse katholieke bevolking af en gaf het aan protestante migranten en oorlogsveteranen. De katholieken hadden de keuze: gedood worden of vertrekken naar onvruchtbaar gebied, oftewel: To Hell or to Connaught. In het westen werd het drukker, er kwamen meer mensen te wonen. Maar toen in de negentiende eeuw de meeldauw de aardappeloogst verwoestte en een strenger winter volgde, ontvolkte het westen en zochten velen hun heil in het buitenland. Aan de overkant van de grote oceaan lag immers het grote Amerika. 

Als we op een bruggetje staan met aan de ene kant een water-val en aan de andere kant een steile klif, zet Gerry eindelijk zijn rugtas neer. ‘Lunch break!’ roept hij. Uit zijn tas haalt hij drie flessen koude witte wijn, limoentjes, aardbeien, yoghurt en appels. Gezeten op een muurtje begint hij de limoen te snijden. Als hij als laatste drie gerookte zalmen tevoorschijn haalt, is in een klap duidelijk waarom we geschaduwd werden door meeuwen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is scheurt Gerry repen zalm af. Achteloos steekt hij ze in zijn mond alvorens er een beetje limoen op te hebben gespritst. In een wijnglas schenkt hij een flinke slok. Achter hem gaapt de grote weidse mond van de fjord. Jonathan en ik proberen ook zo gewoon mogelijk te doen. Een reep wilde zalm, een slok witte wijn, maar als we elkaar aankijken, beginnen we te lachen. Man, wat is het leven hier goed langs de enige fjord van Ierland.

Storm op komst

Nog geïsoleerder dan Connemara is het eilandje Inishbofin. Vanuit het haventje van Cleggan vertrekt een boot. Er zit bijna niemand op, een man of tien hooguit. Twee vrienden uit Kilkenny zijn op weg naar het eiland. Een jonge Ierse folkartiest treedt vanavond op in een bar. Ze gaan kijken. En bier drinken. Aan de horizon verschijnen witte huisjes. Een paar schapen staan op groene hellingen te grazen. We passeren Cromwell’s Castle, een ruïne. In de zeventiende eeuw gebruikte Cromwell het fort als een opvangplek voor Ierse mannen en vrouwen die naar West-Indië werden getransporteerd om daar als slaaf te werken, zij aan zij met de inheemse bevolking.  

Op Inishbofin wonen vandaag de dag 200 mensen. Er zijn twee hotels, een kruidenier, een café, een postkantoortje, maar vooral veel mooie wandelpaden. Van ergens voor ons klinkt het geluid van een Irish flute, een kruising tussen een blok- en dwarsfluit. Een man zit op een rots te spelen. Een tiental meters onder ons ligt Tra Ghael Beach. Hoewel de golven met geweld het strand opbeuken, kan een duik niet uitblijven. Jonathan en ik rennen door de branding en duiken tegelijk onder in de witte schuimkoppen. IJskoud en verkwikkend. Oerkreten uitslaand trekken we wild een paar baantjes om daarna in de wind op het strand op te drogen. Even later proosten we in de bar van het Doonmore Hotel de kou uit onze lichamen.  

De tv-zenders maken er geen melding van, maar er is storm op komst, beweren de inwoners van het eiland die hun eigen weerstations gebruiken. ‘Misschien moeten we nog een dag extra blijven,’ zegt Gerry ’s ochtends aan de ontbijttafel van het hotel, terwijl hij zijn toast belegt met plakken gebakken ham en gepocheerd ei. Nog een nacht op Inishbofin. Geen ramp. Andrew Murray, de eigenaar van het hotel, en zijn zoon zijn ware vertolkers van het Ierse levenslied. In de aangrenzende pub komen zo nu en dan banjo en trekzak tevoorschijn. Uit de tap stroomt donker goud en er is vis in overvloed.   

’s Middags geeft de havenmeester toch het sein dat de boel veilig is en mag de veerboot vertrekken. De twee jongens uit Kilkenny zitten ook weer op de boot. Hun gezichten in de kreuk van de Guinness van gisteravond. Ze kauwen op sea pickle, zeewier, een lokale snack. In de verte storten jan-van-genten zich loodrecht in het ijskoude zeewater. Langzaam, terwijl de boot heftig heen en weer schommelt, beseffen we dat ons zo meteen de M6-snelweg weer wacht in de richting van het vliegveld van Dublin. De voorspelde storm had wat ons betreft best de kop op mogen steken.

Lees meer