India

India: Het land dat The Beatles inspireerde

Peter McBride trekt op zijn motor langs de oevers van de Ganges. De stad Rishikesh, beroemd door een bezoek van The Beatles, brengt de yogascepticus verlichting. donderdag, 9 november

Door Peter McBride
Foto's Van Peter McBride

Hoog boven het zilveren water van de Ganges, op een wiebelende hangbrug, besef ik hoe ver ik ben afgedwaald van mijn doel. Het gelijkmatige gebrom van de Royal Enfieldmotor onder mij is hiervoor de reden. Ik was afgereisd naar het afgelegen Rishikesh, de toegangspoort tot de Himalaya, in de hoop op verstilling en doelbewuste yoga. Maar iets – was het karma? – heeft me van mijn pad gebracht.

Rishikesh in India is een spirituele supermarkt aan weerszijden van de Ganges, ten noordoosten van New Delhi. De helende kracht van de Ganges trekt elk jaar honderdduizenden bezoekers, hopend op verlichting of avontuur – van hippies en toeristen op zoek naar spirituele diepgang tot pelgrims en watersporters. Met als gevolg dat het in Rishikesh en buurstad Haridwar wemelt van de asjrams, yogascholen, reisbureaus voor wildwatervaren en veganistische restaurants (de regio is bij wet vegetarisch en alcoholvrij).

In 1968 kwamen The Beatles naar deze uithoek van India om er aan transcendentale meditatie te doen. Ringo vertrok al snel weer, maar John, Paul en George verbleven weken in de asjram van de Maharishi Mahesh Yogi en schreven hier zo’n veertig songs. Vele daarvan zouden op The White Album uit 1968 uitkomen. Maar ik ben hier niet gekomen om over muziek te schrijven, maar vanwege de valse noten in mijn rug.

In mijn jeugd op een veehouderij in Colorado ontwikkelde ik bij het laden van hooibalen – en door het beoefenen van ijshockey, skiën en mountainbiken – een stel sterke maar stramme spieren. Als stretchoefening tikte ik wel eens staande mijn tenen aan (of mijn scheenbenen). Ik deed af en toe aan yoga en volgde een paar vinyasa-yogaseries en bikram-lessen, bij een kamertemperatuur van 37 °C. Het Amerikaanse yogawereldje was een goede sportschool, maar er was ook veel afleiding. Ik was die zwetende kerel achterin, die de les nauwelijks kon bijhouden en meer aandacht had voor de mooie lichamen vóór me dan voor mijn ademhaling. En de yoga nam mijn klachten niet weg.

Door de vele jaren van sport, en met het ouder worden, kreeg ik last van een snijdende, aanhoudende pijn in mijn onderrug. Na talloze bezoeken aan ‘krakers’ (chiropractors), ‘prikkers’ (acupuncturisten) en ‘kneders’ (rolfingmasseurs), onthulde een röntgenfoto dat mijn ruggengraat op een toren uit het stapelspel Jenga leek, met mijn rugwervels als houtblokjes. Eén wervel was naar binnen verschoven. Als ik m’n onderrug niet versterkte met rug- en buikspieroefeningen en stretching, zou de ruggengraat operatief vastgezet moeten worden (spondylodese). Misschien kon yoga helpen, zeiden de artsen. En zo kwam ik in Rishikesh terecht, het mekka van de yoga. Ik zette m’n vleesetende, koffieleutende en wijnslurpende levensstijl opzij en vervoegde me bij een asjram in India. Ik was klaar om lichaam en geest te stretchen en mijn innerlijke klank te vinden. Ik had niets te verliezen, afgezien van die kans op een rugoperatie...

Yoga zonder pretenties

Het brommende geluid van een rijdende motor was niet de helende klank die ik zocht. Maar, zo hield ik mezelf voor, de lokroep van een klassiek Brits product (uit India) zou me niet al te zeer van mijn doel afleiden.

In de tweede versnelling laveer ik door het drukke verkeer op de hangbrug. Voetgangers – sommige blootvoets, andere op kleurige sandalen onder ruisende gewaden, en met sierraden rond de tenen – fluisteren terwijl ik me door het verkeer van brommers en ossen wurm. Iedereen is zich zó goed bewust van de drukte dat koehoorns en brommersturen elkaar nét niet raken. Vanaf de stalen hangerkabels boven ons loeren resusaapjes op een kans om voetgangers voedsel en glanzende spullen afhandig te maken.

Aan de overzijde rijd ik door een steeg en draai de achterplaats van de asjram van Parmarth Niketan op. Ik woon hier nu drie dagen en ben in m’n sas. Ik ben geheel gericht op het hier en nu. De keuze voor Parmarth was duidelijk: de school is niet streng en de gasten mogen komen en gaan wanneer ze willen, als ze maar op tijd terug zijn voor de avondklok. Ook sprak de missie van de school me aan: gratis medische zorg voor mensen in nood. Parmarth vangt zo’n tweehonderd jongens (rishikumar) op, onder wie wezen, en geeft ze onderdak, eten, basisscholing en spiritueel onderricht.

De volgende dag, om tien voor zeven ’s ochtends, zit ik in een eenvoudige kamer met een houten vloer, witte muren, een metalen dak en zwart-witte posters van Pujya Swamiji, die minzaam ons clubje studenten overziet. Pujya verliet op z’n achtste het ouderlijk huis om in de Himalaya te gaan studeren. Nu is hij de spiritueel leider van Parmarth. Hoewel hijzelf geen lesgeeft, komt hij ’s avonds af en toe langs. (Tweemaal tijdens mijn verblijf had ik de eer om met hem te spreken.)

Terwijl ik naar mijn Amerikaanse yogaleraar luister, werk ik aan een ademhalingstechniek waarbij ik telkens door één neusgat in- en uitadem.

Geduld. Ademhalen.

Ik ga rechtop zitten, in de berghouding. Ik richt me op leegte. Hier klinkt geen new age-muziek uit verborgen speakers. Je ziet geen opvallende yogakleding. Het is hier niet warm en er is geen wierook.

Er zijn geen pretenties. Alleen studenten en een leraar. Ik neem mijn houdingen aan in een gewatteerd jack en een lange broek. Bijna het hele jaar door is het in Rishikesh heet, soms verstikkend. Maar nu, in december, zijn de ochtenden kil. In het begin mis ik de muziek, maar al snel ga ik op in de ritmes van de Himalaya om ons heen: het geschuifel van apen op het dak, het geklapper van de houten luiken in de ijzige wind.

In de eetzaal onderga ik mijn eerste yogatest buiten het leslokaal: eten. Mijn eetlust moet zich voegen naar een vedisch menu van alkalisch voedsel: linzen, rijst, gekookte groente en specerijen. Al gauw geniet ik van de voorgeschreven stilte tijdens de maaltijden, slechts onderbroken door de kakofonie van bestek op metaal en de mantra’s die uit een radio achter de balie klinken.

De afwezigheid van koffie was eerst een gruwel. Ook een uitdaging is het eten in kleermakerszit. Mijn heupen protesteren. Tafeltjes van twintig centimeter hoog worden als luxe vooral aan westerlingen aangeboden, maar ze bieden weinig comfort.

Tijdens een maaltijd wijst een geregelde asjrambezoeker uit Brazilië met de naam Abrau mij erop hoe vreselijk snel ik eet.

‘Ik at vroeger ook zo snel, zodat ik aan een volgende gang kon beginnen.’

‘Ik weet het, mijn lintworm is heel actief,’ lach ik. Hij lacht niet. ‘Grapje. Ik eet zo snel omdat mijn heupen en knieën zich niet aan de vloer aanpassen.’

Hij lacht. ‘Oké. Maar bedenk dat de spijsvertering geen haast heeft.’

‘Staat genoteerd, bedankt.’ Ik wil Abrau er eigenlijk op wijzen dat er tijdens maaltijden stilte moet heersen.

Geduld. Ademhalen.

De volgende dagen laat ik me leiden door het ritme van de asjram: om vijf uur ’s ochtends opstaan met de klanken van meditatieve mantra’s, kille yogalessen vóór het ontbijt, en eten in stilte. Ik ga steeds vaker op onderzoek uit in Rishikesh en Haridwar.

Maar ik ontdek mijn geheime meditatietechniek buiten de asjram: de Royal Enfield-motor. Ik vond de verhuurder, Madhav, op Facebook. Hij was zelf in een asjram opgegroeid maar had het rechte pad verlaten zodra hij in Rishikesh arriveerde. ‘De kracht van de Ganges was zó groot dat ik hier niet meer weg kwam.’ Nu laat hij grote groepen mensen het gebied zien. Ook helpt hij bij allerlei verzoeken van bezoekers als ik. Nadat ik hem enkele keren had gemaild met de vraag hoe je je hier het best van A naar B kunt verplaatsen, vroeg hij me vriendelijk: ‘Peter, waarom huur je geen motor?’

Wanneer ik met Madhav afspreek, staat hij grijnzend naast een glimmende, klassiek Britse, in India vervaardigde 500 cc-motor. Ik weet niet wie of wat er fraaier uitziet: mijn gemotoriseerde vliegende tapijt of mijn nieuwe makker, de gladgeschoren en breed lachende Madhav. Ik bied aan om de huur vooraf te betalen. Madhav schud zijn hoofd en zegt: ‘Oké, Peter, betaal me later maar.’

Op mijn eerste uitje bezoek ik de vervallen asjram waar The Beatles woonden. Terwijl ik door de ruïnes struin, vraag ik me af waar John Lennon ‘Dear Prudence’ schreef. De songtekst – ‘Won’t You Come Out To Play’ – was naar verluidt gericht aan vriendin Prudence, de zus van Mia Farrow, om haar uit haar teruggetrokken meditatie te lokken. Ik gebruik Lennons tekst tijdens mijn motoravontuur.

Bij zonsondergangen zing ik op de aarti, het hindoestaanse ‘happy hour’. Bij deze dagelijkse ceremonie aan de oever van de Ganges zingen massa’s hindoes en een handvol nieuwsgierige toeristen hindoeliedjes en zwaaien ze met lantaarns om hun gebeden te bekrachtigen. Daarna sprenkelen ze rivierwater over hun voeten. Sommigen verzenden hun gebeden door kaarsjes op bootjes van bladeren de rivier af te laten drijven, onder het alziend oog van de hindoestaanse god Shiva in de gedaante van een wit beeld.

Ondanks de mooie avonden vroeg ik me bezorgd af of de yogalessen mij niet méér te bieden hadden. Zou ik enkele genezende draaiingen leren voor mijn zere rug, en soepeler worden? Ik had in de les nog niet één keer gezweet – ondanks mijn gewatteerde jack. Deed ik iets verkeerd? Mijn rug deed pijn.

Geduld. Ademhalen.

Ik kom Madhav tegen, die me blijft helpen bij het verkennen van de omgeving. Ik vertel hem dat mijn therapie niet echt aanslaat.

‘Peter, onthoud dat het bij yoga méér om de geest dan om het lichaam gaat.’ Hij zwijgt even. ‘En maak je niet zoveel zorgen‚’ zegt hij dan met een rustige grijns. Zijn perfect geschoren hoofd gloeit bijna. ‘Bezorgd zijn is als bidden voor de dingen die je niet wilt.’

Na een week van asjramlessen laat ik de boel de boel en trek op de motor langs de Ganges.

Duik in heilig water

Links houden, links houden: dat wordt al gauw de mantra terwijl ik langs bontgekleurde bussen en overvolle, walmende riksja’s scheer. Rijden in verkeer dat links houdt is eenvoudig – zolang je het niet vergeet.

Madhav had me verteld dat de kracht van de Ganges stroomopwaarts toeneemt, in een streek waar je ook grotwoningen vindt. Over slingerende wegen rijd ik naar het noorden en passeer resusaapjes die zorgeloos op het asfalt zitten, loerend op hapjes. Soms loopt de weg parallel aan de rivier, soms ook ruist het gletsjergroene water ver beneden me. Ik grijns voortdurend.

Ademhalen. Ontspannen. Links houden.

De weg blijft zich vullen met een stroom van chaotische karma. Borden tonen in cursieve letters yoga-achtige adviezen: ‘Een rijbewijs is geen vliegbrevet.’

Wanneer de zon in een gloeiende bal aan de horizon staat, arriveer ik bij de Vashista-grot, naar verluidt de oudste meditatiegrot in de regio en de geboorteplaats van de zelfmeditatie. Hier kan ik ook de roeibootveer naar de overzijde van de Ganges nemen, naar Anand Lok, een yoga- en meditatiecentrum waar ik twee dagen zal blijven.

Maar eerst moet ik een plekje voor mijn Royal Enfield vinden. Ik zie een man in het saraankleurige gewaad van een sadhu, een ‘wijze’, en vraag hem of hij me kan helpen. Vriendelijk zegt hij: ‘Laat motor maar bij mij.’ Dan gaan er bij mij alarmbellen rinkelen. Hoewel een saffraankleurig gewaad doorgaans op een ‘heilige man’ of asceet duidt, gaat het gerucht dat criminelen dezelfde gewaden als vermomming gebruiken. Ik moet een besluit nemen en kies voor de zorgeloze aanpak van Madhav.

‘Oké, ik ben over een paar dagen terug. Pas goed op m’n schatje.’ Mijn nieuwe Enfieldbewaker glimlacht. Ik loop naar de rivier, over het rotsstrand naar de veerpont.

Anand Lok kijkt uit over een bocht in de Ganges bij Sirasu, een dorp zonder wegen. Slechts de voetgangersbrug (jula) en de veerpont (behalve in het moessonseizoen) verbinden het gehucht met de moderne wereld. Jagdish, de huismeester en restauranthouder, heet me welkom met de warmste glimlach die ik ooit heb gezien.

De volgende paar dagen zal ik samen met twee medestudenten uit Parmarth – een Nederlander en een Chileen – langs de Ganges lopen, chai drinken tegen de kou van de avond en de vroege ochtend, en met de dorpskinderen spelen.

Ik vraag Jagdish of hij aan yoga doet.

‘Ja, elke dag. Mijn werk is mijn yoga, het houdt mijn lichaam stromend.’ Om mijn yoga stromend te houden doe ik op een ochtend de zonnegroet op een zandstrand aan de Ganges. Een tiener uit het dorp die slecht Engels spreekt, dropt zijn lading keukenbrandhout vlak vóór me. Dan sluit de tanige, gespierde jongen z’n ogen, laat zich achterover vallen en spant zijn rug in een boog. 

‘Wow’, zeg ik. We communiceren verder met yogahoudingen en gelach. Na een tijdje wijs ik op de rivier en zeg: ‘Zwemmen?’ De jongen schudt met z’n hoofd – het Indiase gebaar dat ‘heel goed’ betekent, zo weet ik inmiddels. 

Onder de staalblauwe hemel plonzen we in onderbroek het ijskoude water van de Ganges in. Men gelooft dat een bad in de Ganges louterend is, niet alleen lichamelijk maar ook symbolisch: een wegwassing van de zonden. Kreten slakend komen we het water uit. Ik weet niet of ik mijn zonden ben kwijtgeraakt, maar ik voel een nieuwe energie.

Het wonderbaarlijke hier en nu

‘Hallo’, zeg ik aarzelend terwijl ik het aardedonker binnenstap. Beginnersfout. Niet de beste manier om een oude meditatiegrot te betreden. Niemand antwoordt.

Ik had Anand Lok, Jagdish en mijn zwemmaatje vaarwel gezegd en was de Ganges overgestoken om m’n reis te hervatten. Ook wilde ik de Vashista-grot bezoeken. Ik schuifel verder door de kille, weeë lucht, over een vloer bedekt met jutezakken. Ik stop bij een kaars en ga zitten, in kleermakerszit. Ik probeer me te ontspannen en sluit de ogen. Ik concentreer me op m’n ademhaling. Maar ik word snel afgeleid. Wat doe ik hier? Heeft de sadhu m’n motor gestolen?

Ontspan je. Ademhalen.

Ik richt me weer op mijn longen. Het ritme van m’n ademhaling valt samen met dat van mijn geest. Ik open m’n ogen. Ik zie opeens de hele grot. Ik ben alleen, aan het einde van een lange, tunnelvormige gang. De lucht smaakt nog zoeter, frisser.

Als ik weer buiten sta, kijk ik op mijn horloge. Ik ben ruim vijftig minuten binnen geweest, maar volgens mijn innerlijke klok heb ik maar tien minuten gemediteerd. Waar was ik?

Ik tref mijn glimmende Enfield ongeschonden op het heuveltje aan. Mijn motorwachter materialiseert zich naast me. ‘Zie je wel: no problem,’ zegt hij. ‘Motor hier. Ik sadhu. Geld.’ Opgelucht geef ik hem een stapeltje roepies (vijf dollar). Hij verbergt ze snel onder zijn saraankleurige gewaad en zegt: ‘Meer. Honger.’ Ik pel nog wat biljetten af. Haastig neemt hij ze aan en verdwijnt dan richting de Ganges. Parkeerkosten: zeven dollar.

Mijn motor start meteen. Door de tijdmachine van de Vashistagrot voel ik me als gedrogeerd. Ik rijdt al mediterend verder.

Links houden. Links houden. Links houden.

Instinctief en in een roes van ‘motorrijders-zen’ glijd ik langs koeien, straatverkopers, sadhu’s, hippies en genezers. Ik ondervind een haarscherp bewustzijn van de omgeving en van mijn bestaan in dit hier en nu. Dit wonderbaarlijke hier en nu. Ik mis m’n vriend Madhav en de asjram, maar ik wil nog één omweg maken.

Diep in de heuvels ten noorden van Rishikesh ligt de Ananda Spa, ooit een paleis van de maharadja van Tehri Garhwal en nu een van de beste kuuroorden ter wereld. Ik rijd door de poort met veiligheidsmensen en zie vlekkeloze tuinen, een landingsplaats voor helikopters en een doedelzakspeler (iets te koloniaal).

Ik slaap maar één nacht in het luxe Ananda. Ik eet goed (en houd me aan m’n nieuwe dieet) en onderga een ayurvedische behandeling. Met zakjes vol kruiden rofalen twee mannen in karatestijl over m’n rug. Na afloop is mijn rug pijnlijk, maar losser.

Met tegenzin verlaat ik deze gouden kooi en daal af naar de levendige chaos van India. Ik kom aan als de avond-aarti net begint. Pujya Swamiji loopt voorbij. Zijn kleine gestalte straalt een grote aanwezigheid uit. ‘Je bent
weer terug, Peter.’ 

Enigszins verrast mompel ik: ‘Ja. Goed om u te zien, Swami.’ 

Met zijn lange en golvende, witgrijze haar en baard, en in ruisend saffraan, zweeft hij langs me. ‘Welkom thuis,’ zegt hij nog, glanzend. Ik antwoord met mijn beste hoofdschudding.

Later die avond tref ik Madhav. Hij helpt bij het organiseren van een groot internationaal feest en wordt bestookt met vragen. Met zijn vriendelijke yoga-positivisme beantwoordt Madhav ze allemaal.

In de Baghavad Gita, het beroemde epos in Sanskriet, voert prins Arjuna een diep gesprek over het leven en de moraal met zijn vriend Krishna, die hun strijdwagen ment op weg naar het slagveld. Aan het einde van de rit wordt de prins bevangen door ontzag als zijn vriend zijn goddelijke gedaante toont. De openbaring doet Arjuna enkele belangrijke waarheden inzien.

Terwijl ik Madhav bij zijn werk observeer, besef ik dat deze rustige, immer glimlachende man in symbolische zin mijn strijdwagenmenner is. Hij heeft me geholpen bij het vinden van mijn innerlijke balans.

Veel van de lessen die ik heb geleerd – stretchen, ademhalen, langzamer en gezonder eten , ontspannen – zijn erg simpel. Uiteraard, het vervangen van de stress van te veel werk en te veel tv-kijken en achter de computer zitten, door frisse duiken in heilige wateren, tijdreizen in grotten, ritjes op de motor door het voorgebergte van de Himalaya... dat zal bijna iedereen gemoedsrust geven (mits je van motorrijden houdt). Maar ik besef ook dat Madhav een schoolvoorbeeld is van de bewuste mens die ik wil zijn. Niets brengt hem uit zijn evenwicht. Hij woont niet in een grot, noch heeft hij mij acrobatische yogatoeren voorgeschreven. Hij leerde me niet zozeer hoe ik de ‘weg van de yoga’ moest bewandelen, maar hoe ik die weg kan begrijpen en, belangrijker nog, dat mijn geest net zoveel stretching nodig heeft als mijn zere rug.

Na twee weken van bijna dagelijkse yoga kan ik mijn tenen aanraken en zelfs in kleermakerszit eten. En mijn rug? De zeurende pijn is niet helemaal weg, maar duidelijk minder. Zou mijn ruggengraat aan de betere hand zijn? Wie weet. Maar ik en mijn innerlijke balans maken zich daar nu geen zorgen om.

Lees meer