Indonesië

De magie van Bali

De eeuwenoude cultuur op het Indonesische eiland is nog altijd springlevend... donderdag, 9 november

Door Jamie James
Foto's Van Raymond Patrick

Bij het krieken van de dag schrik ik wakker door het luide geklingel van een gamelanorkest, een traditioneel Indonesisch percussie-ensemble. Ik kijk uit mijn slaapkamerraam. Op de parkeerplaats van de nieuwe nachtclub aan de overkant van de straat in Seminyak, een van Bali’s populaire badplaatsen, zie ik een groepje mannen met batik sarongs aan en met traditionele hoofdbedekking op in kleermakerszit op het asfalt zitten. Ze slaan op gongs en xylofoons. Ik schiet een spijkerbroek aan en ren de trap af. Het luidruchtige optreden blijkt onderdeel te zijn van een melaspas, een Balinese ceremonie die traditioneel gehouden wordt bij de opening van een nieuw gebouw; de luide gamelanmuziek moet kwade krachten verjagen. In het gebouw word ik hartelijk begroet door de eigenaar, een Balinees van een jaar of 30. ‘Deze ceremonie kost me een dikke 3000 euro,’ zegt Gede Wira Apsika met een berustende grijns. ‘Ik ben een Balinees. Door te investeren in een goede melaspas zorg ik ervoor dat mijn club een succes wordt.’

Op de dansvloer liggen stervruchten, sinaasappels en bloemen van de maagdenpalm hoog opgetast – offergaven voor de goden. Voor de gloednieuwe muziekinstallatie branden wierookstokjes.

De pedanda (hogepriester) komt aanrijden in een zwarte oldtimer, een Mercedes met getinte ramen. Gekleed in een lang, witgewaad en met op zijn hoofd een met gouddraad versierde, zwartfluwelen kroon, bestijgt hij het met een baldakijn overdekt podium dat voor hem op de parkeerplaats is klaargezet en begint te zingen. Een man uit zijn gevolg bindt met touw een eend en een kip aan een paal. Het gesnater en geklapwiek zal tot zonsondergang aanhouden, wanneer de pedanda de beesten – op het hoogtepunt van het ritueel – de keel afsnijdt.

Passerende toeristen blijven staan en kijken geboeid naar de mannen die met maskers voor eeuwenoude dansen uitvoeren waarin prinsen, demonen en draken voorkomen. De passanten zijn zich er vermoedelijk niet van bewust, maar ze zijn hier getuige van het authentieke Bali, waar de kleurrijke en met rituelen omgeven Balinese hindoebeschaving verweven is met het leven van alledag. Het merendeel van deze toeristen zal tijdens zijn vakantie proberen nader kennis te maken met ‘het echte Bali’, bijvoorbeeld tijdens een opvoering van een klassieke Balinese dans of een spannende oerwoudexcursie per jeep. Ze zullen de ziel van Bali daarbij echter niet dichter naderen dan hier, op de parkeerplaats van een nieuwe discotheek in Seminyak.

Ik ben 14 jaar geleden op Bali neergestreken met mijn Indonesische partner, die hier een restaurant wilde openen. Het eiland, waar nu zo’n drie miljoen mensen wonen, was toen nog overwegend agrarisch. Alleen tussen de kokospalmen was hier en daar wat goedkope accommodatie voor toeristen te vinden. Mijn slaapkamerraam zag uit over de rijstvelden, en bij helder weer kon ik in de verte de dreigende silhouetten van de vulkanen ontwaren. Akker voor akker maakte het boerenland plaats voor groots opgezette hotels, trendy restaurants en exclusieve boetiekjes.

Hoewel Bali op het eerste gezicht vooral werelds en modern lijkt, is onder de bevolking het geloof in een magische godenwereld nog springlevend. Dat ik die ochtend getuige mocht zijn van een gewijde en tegelijkertijd profane dansvoorstelling op de klanken van een voltallig gamelanorkest vat ik op als een aansporing om me eindelijk eens helemaal te verdiepen in de oorsprong van de Balinese cultuur.

Allereerst reis ik af naar het oerwoud van nationaal park West-Bali, dat zowel in ruimte als in tijd mijlenver van Seminyak af staat. Afgezien van de tweebaans asfaltweg die door het park voert en een kleinschalig resort aan de noordelijke kust is de natuur hier volkomen ongerept. Sinds de opkomst – duizenden jaren geleden – van de unieke Balinese cultuur is hier niets veranderd. Het park heeft een oppervlakte van 190 vierkante kilometer en ligt op de meest westelijke punt van het eiland. Neushoorns of orang-oetans leven hier niet. En de laatste Balinese tijger werd in de jaren ’40 van de vorige eeuw al doodgeschoten. Kantjils komen hier wel in groten aantallen voor, net als Maleise stekelvarkens en marmerkatten.

Vroeg in de ochtend trek ik te paard de mangroven in met parkopziener Ketut Sulastra. Tijdens de rit zie ik uit een hoog oprijzend bamboebosje ineens een paar balispreeuwen opvliegen. Deze prachtige witte vogel, het symbool van het eiland, is een van de meest bedreigde diersoorten op aarde. In de jaren ’90 waren er nog maar zo’n vijftien over, maar dankzij succesvolle broedprogramma’s zijn het er ondertussen weer minstens 127. Toen de eerste Indiase premier, Jawaharlal Nehru, Bali in 1954 bezocht, noemde hij het eiland ‘de ochtend van de wereld’. En ik begrijp nu wat hij daarmee bedoelde; het lijkt echt of we ons hier in een voorwereldlijk landschap begeven.

Het Balinese geloof is, net als veel andere inheemse religies, van oorsprong animistisch. De voedselketen wordt aangevoerd door de netpython, die zo groot is dat hij zelfs een klein kind naar binnen kan werken. Als ik Ketut vraag of de kans bestaat dat we er eentje spotten, komt zijn uitgestreken gezicht tot leven. ‘O mijn god, ja! Een paar weken geleden heb ik er nog een gezien. Hij was meer dan drie meter lang en had net een varaan verorberd die bijna even groot was als hijzelf.’

Een paar kilometer landinwaarts ligt Makam Jayaprana (het Mausoleum van Jayaprana), het enige teken van menselijke beschaving in het park. Ketut gaat voor me uit door een drooggevallen rivierbedding waarin hagedisjes naar alle kanten wegschieten, en leidt me via een slingerend pad door dichte begroeiing naar een kleine grot. In de rotswand rond de opening is een python gekerfd. Makaken klimmen langs de rotsen omhoog en schieten slingerend aan lianen door het gebladerte. Boven aan de heuvel wijkt het groen en zien we een geplaveide open ruimte waarop eenvoudige, met kippengaas overdekte afdaken staan met bemoste en verweerde monolieten eronder.

Ketut vertelt dat gelovigen de heiligdommen bouwden nadat hier twee graven waren ontdekt die relikwieën bevatten van de legendarische prins Jayaprana. Hij was de aangenomen zoon van een machtige heerser, die de verloofde van zijn pleegzoon begeerde. Om zelf met haar te kunnen trouwen liet hij zijn opvolger doden. ‘Jayaprana werd hier, op deze plek vermoord,’ zegt Ketut met een ernstig gezicht. Na de dood van de jonge prins trok er een hemelse geur door het woud en jammerden alle dieren – allemaal behalve één – een witte tijger, die de moordenaar besprong en hem doodde. Toen Jayaprana’s verloofde hoorde dat de prins gestorven was, beroofde ze zichzelf van het leven. Ze verkoos de dood boven een leven naast de valse koning en werd hier naast haar geliefde begraven. Ketut besluit zijn verhaal op typisch Indonesische wijze: ‘Of het echt zo is gegaan weet ik niet, maar zo luidt in elk geval het verhaal.’

Het magische geloof speelde een belangrijke rol tot halverwege de 14de eeuw, toen het eiland werd ingelijfd bij het Javaanse Majapahit-rijk. De inwoners kregen het hindoeïstische geloof opgelegd, compleet met het bijbehorende kastenstelsel. Een paar geïsoleerde dorpen weigerden het nieuwe regime te erkennen en hielden vast aan de oude gebruiken. De inwoners worden Bali Aga genoemd, wat ‘oorspronkelijke Balinezen’ betekent. Ik laat het oerwoud van West-Bali achter me en neem een brede, schaduwrijke snelweg waarop het, vergeleken bij de overvolle wegen rond Seminyak, heerlijk rustig rijden is. Ik ben op weg naar Trunyan, een Bali Aga-dorp in het koele hoogland van Midden-Bali. Deze plek is al ruim duizend jaar onafgebroken bewoond en staat daardoor rechtstreeks in contact met de wereld van prins Jayaprana.

Het dorp ligt op de oostelijke oever van een diep en langgerekt meer dat zich kromt rond de voet van Gunung Batur, een actieve vulkaan met verschillende kraters. Bij een uitbarsting in 1968 werd de glooiende zuidhelling bedolven onder een dikke laag zwart basalt. De weg naar Trunyan zit vol haarspeldbochten en voert langs koeien die staan te dommelen onder hoge banyans en langs oude vrouwen met strohoedjes op die in hun tuintjes de tomaten en chilipepers verzorgen. Onder de dakrand van schuren zie ik bosjes paarse sjalotten hangen. In Trunyan aangekomen maak ik kennis met Nyoman, een gedrongen man van een jaar of 40. Hij breekt een partijtje schaak af om me rond te leiden.

Trunyan is in heel Bali bekend om het stenen beeld van de beschermheilige van het dorp. Deze heeft vele namen, waaronder Ratu Gede Pancering Jagat. Het beeld is naar verluidt 1100 jaar  oud en mag niet door vreemdelingen worden aanschouwd. Ik ken iemand die het heeft gezien (of dat tenminste beweert) en vraag – je weet tenslotte maar nooit – of Nyoman me erheen wil brengen. We lopen door smalle steegjes en langs levendige kampongs waar mannen, gehurkt in de schaduw, hun visnetten boeten. Een fraai bewerkte basalten poort geeft toegang tot het tempelterrein. Op het met gras begroeide plein staan enkele hutjes met een rieten dak rond een hoge tempel met een zevenlaags dak, waarin het beeld van Ratu Gede Pancering Jagat huist.

De tempel is met een hangslot afgesloten. Ik vraag Nyoman wie de sleutel heeft. Hij zwijgt, maar ik weet genoeg: de Balinezen zijn hun gasten graag ter wille, maar ik begrijp dat ik in dit geval niet verder zal komen. Natuurlijk vind ik het jammer dat ik de stenen godheid niet van dichtbij te zien zal krijgen, maar het had ook kunnen tegenvallen: magie bestaat bij de gratie van geheimzinnigheid.

Voor de laatste halte op mijn rondreis rijd ik in zuidelijke richting naar Ubud, waar mijn vriend Tjokorda Raka Kerthyasa, die aan het hoofd staat van het eeuwenoude hof van Ubud, me heeft uitgenodigd de crematie bij te wonen van een bejaarde neef van hem. Ubud is een van de bekendste dorpen van het eiland sinds Bali in de jaren ’30 van de vorige eeuw werd ‘ontdekt’ door beroemdheden als Charlie Chaplin, Noel Coward, Cole Porter en Margaret Mead (die er een documentaire schoot).

Hoewel de feodale adel werd afgeschaft toen Indonesië in 1945 de republiek uitriep, heeft het koninklijke hof van Ubud, dat bekendstaat om zijn prachtvertoon, niets aan glans ingeboet. Als Trunyan staat voor de oorsprong van de Balinese hang naar magie, dan kun je Ubud zien als het overdadige, haast decadente uitvloeisel van diezelfde cultuur. Neem de begrafenisriten van de koninklijke familie, die zijn echt spectaculair. Toen er een paar jaar geleden een grootse koninklijke begrafenis werd gehouden, haalden beelden ervan in tal van landen de voorpagina’s.

Op het tempelterrein heerst een haast uitbundige sfeer, vergelijkbaar met die tijdens een jazzbegrafenis in New Orleans. En waarom ook niet? De overledene heeft een hoge leeftijd bereikt en veel kinderen verwekt. Ik vind een plekje naast Tjok Raka, die zit te eten van de gebakken noedels die hij bij het buffet heeft opgeschept. Tjok Raka geniet niet alleen aanzien wegens zijn aristocratische status in Ubud, maar ook als lid van het nationale parlement van Indonesië. Als iemand weet tegenover welke problemen het eiland zich gesteld ziet, is hij het wel. Maar hij ziet de toekomst met vertrouwen tegemoet. ‘Het komt wel goed met Bali,’ zegt hij. ‘We houden onze rituelen in ere, we bidden en mediteren. We zoeken naar wijsheid, naar het evenwicht tussen de alledaagse werkelijkheid en het ongrijpbare. Een dergelijk evenwicht kan ieder mens bereiken, Balinees én westerling.’ Hij kijkt me aan en voegt eraan toe: ‘Nu ben je hier. Mocht je ooit vertrekken, dan zul je het eiland met je meedragen. Bali kruipt onder je huid.’

Dan komt Tjok Raka ineens overeind, de ceremonie gaat zo beginnen. Ik vraag zijn zoon, die aan de andere kant naast hem zat, wat ik kan verwachten. Volgens Tjok Gde zal de bijeenkomst van vandaag ingetogener zijn dan andere koninklijke crematies van de laatste tijd – een ontwikkeling waar hij blij mee is. ‘Elke cultuur kent na verloop van tijd een periode van decadentie. Op zo’n kantelpunt is Bali nu aanbeland. De welvaart die het toerisme brengt zorgt ervoor dat de ceremoniën steeds weelderiger worden en met meer spektakel gepaard gaan.’

Op straat hebben honderden mensen zich verzameld rond twee grote houten constructies. Het eerste is een tweeënhalf meter hoge zwarte stier met vergulde hoorns en een met fonkelende namaakedelstenen versierd tuig. Ernaast staat een rood en groen geschilderde toren, met een negen lagen hoog dak met wimpels eraan waarop in het klassieke Balinese schrift spreuken zijn neergeschreven. De witte kist wordt onder in de toren geplaatst, een gamelanorkest zet zich al spelend in beweging, en de rest van de processie komt erachteraan. De stier, met Tjok Gde schrijlings op zijn rug, gaat voorop, gevolgd door de toren, die wordt gedragen door zo’n honderd man. Tjok Raka staat aan de voet van de toren, met een rouwsjerp om. Op zijn heup draagt hij een koperen gong, waarop hij slaat om de dragers aan te moedigen. De processie trekt zo snel naar het crematieterrein dat de toeristen die zich verdringen om mooie plaatjes te schieten maar net op tijd opzij kunnen springen.

Ik woon lang genoeg op Bali om niet meer op te kijken van de weinig sentimentele manier waarop de eilanders de dood lijken te accepteren. In Trunyan steunen ze daarbij op 1000 jaar oude mystiek, in Ubud op spectaculair ceremonieel. Beide ‘stromingen’ kun je zien als een uiting van de magische basis die ten grondslag ligt aan de Balinese cultuur.

Het is tijd terug te keren naar Seminyak. Terwijl ik afdaal richting de kuststrook en weer al mijn aandacht nodig heb voor het verkeer, ben ik hoopvol gestemd. Mijn Balinese vrienden maken zich zorgen over de impact die het bloeiende toerisme zal hebben op de sociale structuur en de natuurlijke pracht van het eiland. Maar ik heb met eigen ogen gezien dat het eiland van nu de band met zijn magische verleden in stand weet te houden. Verleden en heden staan met elkaar in contact via een dunne, maar sterke draad die, net als spinrag, tot in lengte van jaren kan worden uitgesponnen.

En Tjok Raka had gelijk, Bali is onder mijn huid gekropen.

Lees meer