Indonesië

Indonesië: Het paradijs dat Nusa Lembongan heet

Reis mee naar Nusa Lembongan, een Indonesische droombestemming waar het hindoeïsme overheerst en grande entrées aan de orde van de dag zijn. donderdag, 9 november

Door Anne de Vries

In kleermakerszit leun ik tegen de railing met mijn tas in de houdgreep. Naast me liggen tientallen koffers en backpacks half op elkaar gestapeld. Hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat geen enkel bagagestuk op de bodem van de oceaan is beland tijdens de hobbelige boottrip, is een raadsel. Terwijl ik naar het klotsende water van de Balizee staar, vraag ik me af hoe zo’n kofferreddingsactie eigenlijk zou worden opgezet. 

We zijn onderweg naar Nusa Lembongan, een Indonesisch eilandje twaalf kilometer voor de kust van Zuid-Bali, waar mijn vriend Lorenzo en ik vijf dagen in een strandhuis doorbrengen. Vanuit de havenstad Sanur hebben we de fastboat genomen, die ons in dertig minuten naar onze bestemming heeft vervoerd. Nusa Lembongan vormt samen met buureilanden Nusa Penida en Nusa Ceningan één van de vier districten van Klungkung, het kleinste regentschap van Bali. Nusa Lembongan heeft in vergelijking met bovengenoemde Nusa’s ‘goede’ infrastructuur, adembenemende wateren en als kers op de taart geen overdosis toeristen – reden dat wij deze paradijselijke bestemming hebben uitgekozen. 

Inmiddels ligt de boot al een kwartier stil, op zo’n honderd meter van onze eindbestemming. Terwijl ik wegdroom bij de parelwitte stranden en het glasheldere water, hoor ik een van de crewleden roepen: ‘It’s time to leave this boat! Leave your luggage behind please!’. Hoewel die tweede zin mij niet meteen als muziek in de oren klinkt, wordt er uitgelegd dat het water te ondiep is voor de fastboat en dringt het tot mij door dat er niets anders op zit. Gehoorzaam stappen we in een motorbootje en begeven we ons, met de tenen in het water, richting een grote zandbank. Het voertuig keert terug en arriveert tien minuten later met onze koffers, die naast ons worden gedeponeerd. Er zit maar één ding op: gewapend met de koffers boven onze hoofden, waden we richting het vaste land: een grande entrée om nooit te vergeten.  

Op weg naar het hotel rijden we door het heuvelachtige landschap langs een hindoeïstische begrafenis. De kleurrijk geklede mensen die zich met paraplu’s tegen de zon beschermen, branden wierook naast de overledene. Op dit eiland proef, zie en ruik je deze religieuze overtuiging overal. Op Indonesië is 90 procent van de bevolking islamitisch, maar op Bali en de bijbehorende eilandjes heerst het hindoeïsme. De talloze huizen van de vijfduizend inwoners zijn versierd met roodgele parasols, bamboelampen en altaren met daarin kleefrijst en wierook. We worden afgezet bij ons appartement, dat zich aan de kust bevindt. Terwijl we uitkijken uit over een azuurblauwe zee en parelwit strand, beseffen we dat we ons in het paradijs bevinden. 

Als we de volgende ochtend om vijf uur ontwaken door hysterisch kakelende hanen, is dit besef voor even verdwenen. Onderweg naar het ontbijt stuiten we op dieren, die met z’n tienen zitten opgesloten in een minikooi. Een local vertelt ons dat de dieren worden gebruikt voor hanengevechten. Dit gruwelijk tafereel is een populair gokspel in Indonesië, dat pas is afgelopen als een van de hanen het loodje legt.

Op dit acht kilometer eiland verplaats je je het makkelijkst per scooter over de steile weggetjes. We zijn onderweg naar het noorden en spotten langs de kust grote bruingroene hopen. Het blijken zeewierplantages te zijn: een populaire micro-industrie op het eiland. De planten worden onder meer gebruikt voor de productie van cosmetica. Aangekomen in het mangrovebos geven we onze gids 10.000 roepia (60 eurocent) en stappen we in een open bootje. Ik vraag aan de kapitein, die onze schuit met een lange houten stok moeiteloos door het moerasgebied verplaatst, of ik het eens mag proberen. Het eindigt minder succesvol dan ik dacht. Na een aanvaring met meerdere boomtakken en een andere boot, neemt hij, met een brede glimlach op zijn gezicht, de besturing weer van me over. 

De rest van ons verblijf zwemmen, snorkelen en surfen we ons in de rondte nabij Playgrounds en Shipwrecks. Het indrukwekkendste uitzicht zien we op Nusa-buureiland Ceningan. Via een houten hangbrug genaamd Suspension Bridge – een passende naam – hobbelen we naar de Blue Lagoon: een onwerkelijk uitzichtpunt op een hoge klif. Golven van meters hoogte slaan tegen de rotsen en we kijken met een kloppend hart naar twee surfers die worden opgeslokt door het ruige water. Ik krijg een flashback naar onze aankomst en hoop dit fijne eiland morgen met eenzelfde memorabele exit te verlaten.