Italië

Verliefd op Milaan

Deze trotse Italiaanse metropool lijkt op het eerste gezicht wat gereserveerd, maar wie beter kijkt, ontdekt een stad vol passie. ‘Milano, ti amo!’ donderdag, 9 november

Door Tom Mueller
Foto's Van Dave Yoder

Mijn schoonvader en ik eten slakken en crostini op het trottoir voor Peck, zijn favoriete traiteur in Milaan. Dat doen we op heel on-Italiaanse wijze: staand, uit aluminium bakjes, tussen zakenmannen in strakke pakken en langbenige blondines die zo van de catwalk geplukt lijken. Mijn schoonvader komt hier vandaan, maar zelf voel ik me niet erg thuis in deze Noord-Italiaanse stad. Ik heb eerder in Rome en de Toscaanse heuvels gewoond en ben gewend geraakt aan de geur van rozemarijn, door de regen gepolitoerd natuursteen, fresco’s met verfijnde figuren, stenen gebouwen met zacht gefluister uit het verleden. Dan krijg je van Milaan als snel een schele migraine. De drukte, de patserigheid, het gebrek aan tastbare geschiedenis dat zo ver gaat dat je bijna denkt dat die geschiedenis hier opzettelijk wordt verdrongen – Milaan is alles wat Italië, volgens mij tenminste, níet is. Zelfs deze traiteurszaak, een van de chicste van Europa, is ooit begonnen door een Praagse immigrant.

“Weet je,” zeg ik tegen mijn schoonvader, “op de dag dat ik naar Milaan verhuisde, ben ik van de Méditerranée naar Midden-Europa gegaan.”

“Dan wordt het tijd dat je Italië beter leert kennen,” zegt hij schouderophalend terwijl hij een slak spiest. “Wij Milanesi dwepen niet zo met onze geschiedenis als ze in Rome, Florence en Venetië doen. Wij vinden de toekomst veel fascinerender, daarom vinden we het verleden voortdurend opnieuw uit.” Neem de gevel van Peck, gaat hij verder. De toevoeging van moderne details aan de oorspronkelijke art nouveau-stijl heeft geresulteerd in een spannende wisselwerking tussen trendy en traditioneel. “Voor Italianen die in zulke museumsteden zijn opgegroeid, kan de dialoog die wij hier met het verleden voeren verslavend werken,” zegt hij. “Mensen komen hier naartoe voor de creatieve vrijheid die ze elders niet vinden. Milaan is het echte Italië. Hier kan alles!”

Als ik zijn woorden even op me laat inwerken, dringt het tot me door dat hij gelijk heeft: ik ben zo hard op zoek geweest naar het ‘Italiaanse’ aan deze stad dat ik het kloppende hart over het hoofd heb gezien. Ik heb me zo laten verblinden door de tomeloze energie, de superchique haute couture en het avant-gardistische design dat ik de menselijke factor heb gemist: de optimistische mentaliteit van mouwen opstropen, de enthousiaste omarming van de kunst van het leven. En als me dat allemaal is ontgaan, dan heb ik ook mijn Milanese schoonvader misschien nooit begrepen – net zomin als zijn dochter. Mijn vrouw dus. Mamma mia. Dat andere Milaan leren kennen is ineens een zaak van levensbelang.

Het treft dat het natuurlijke beginpunt – wat je het hart van Milaan zou kunnen noemen – zich vlakbij bevindt: de witmarmeren Duomo, van waaruit de straten het centrum doorsnijden als de stralen van de zon. Het ruim vijfhonderd jaar oude bouwwerk is een van grootste gotische kathedralen ter wereld. Maar de gevel met zijn spitse torens en het immense interieur met zijn glas-in-loodramen mogen nog zo imposant zijn, op een liefhebber van de sierlijke renaissance-koepels in Rome en Florence komen ze wat grimmig over. 

Als ik via een smalle trap naar het dakterras ben geklommen, sta ik midden tussen de beelden die op de torens balanceren. Ze zijn gemaakt door plaatselijke kunstenaars en betaald door de gildes van de stad – de schoenlappers, de bakkers en de wagenmakers. Vanaf de straat waren hun gezichten niet zichtbaar, maar nu ik praktisch oog in oog sta met de heiligen en beroemdheden, zie ik hoe blij, bang of daadkrachtig ze kijken. Zelfs de vergulde Madonnina (‘geliefde Madonna’) die op de hoogste toren staat en van beneden af zo afstandelijk lijkt, blijkt van dichtbij minzaam te glimlachen. Gelijk heeft ze. Hier merk je niets van de drukte van de straat en kijk je uit over een landschap van rode daken en antieke terracotta schoorstenen. Daarachter doemt het besneeuwde massief van de Alpen op, als een knisperend en onverwacht dichtbij sprookje – dat je eraan herinnert dat Milaan zijn rijkdom mede te danken heeft aan de tolgelden van de bergpassen die de handelsstad verbinden met de landen in het noorden.

Meesterschap van de coupeur

Even later glimlach ik zelf even minzaam als de Madonnina als ik door de Via Gesú slenter, midden in het ‘gouden vierkant’ van Milaan, het epicentrum van de lokale haute couture. De opzichtige etalages van de dure boutiques – ArmaniPradaGucciVersace – schreeuwen om mijn aandacht, maar ik zoek liever naar het menselijke gezicht onder de make-up. De eenvoudige luifel van het onopvallende Atelier Brioni. Door de winkelruit zie ik een kleermaker knippen en meten en stikken – in driedelig pak. Dit is geen simpel snijdertje: Brioni heeft Pierce Brosnan en Daniel Craig voor hun James Bond-films in het pak genaaid. Hier kan ik mijn afgedragen colbertje vast weer een pizzico Milanese klasse laten geven.

Binnen neemt Antonio Laratta me de maat met de vanzelfsprekende familiariteit van een ervaren kleermaker. Hij streelt met de rug van zijn hand over mijn borst en laat vervolgens twee vingers langs mijn ruggegraat glijden. “Mooi jasje, hoor,” zegt hij tactvol, “maar de linkerschouder hangt een beetje af, en aan de achterkant zit er een cannolo, een valse plooi, in de zoom.” Met een paar handige ingrepen, waaronder het innaaien van een paardeharen voering, kan hij mijn jasje er weer tiptop uit laten zien, belooft hij. Dan neemt hij het kledingstuk van me aan en gaat hij aan de slag.
  
Zorvuldig knippend en naaiend vertelt Laratta hoe hij als jongen in zijn geboortestreek Calabrië, in het diepe zuiden van Italië, het vak heeft geleerd. “Toen ik het uiteindelijk tijd vond om de grote sprong te wagen, ben ik met mijn beste stukken naar Milaan gekomen om te wereld te laten zien wat ik kon.” En dat was heel wat: voor hij bij Brioni kwam, werkte hij bij een ander vooraanstaand Italiaans modehuis. Nu kleedt hij staatshoofden; hij is net terug van een doorpassessie met een president die voor duizenden euro’s aan maatpakken heeft besteld. Handen als de zijne verrichten het verborgen werk achter de glamour van de Milanese catwalks, het traditionele, tijdrovende en steeds zeldzamer wordende meesterschap van de coupeur.

Weer buiten ben ik diep in gedachten over stoffen en de oorsprong van de buon gusto – de goede smaak – als ik in de Via Brera op de Galleria Moshe Tabibnia stuit, een showroom met oosterse tapijten. Hoewel, deze moderne ruimte betitelen als een showroom is zoiets als de Queen Elizabeth 2 een boot noemen. Onder de lage, theatrale lampen kun je de diepe kleuren van de oude kleden bijna ruiken. Dan stapt de eigenaar op me af. Met zijn markante voorkomen – onderzoekende donkere ogen in gebeeldhouwd gezicht – ziet hij er precies uit als je van een autoriteit op het gebied van oosterse tapijten zou verwachten. Net als Laratta is Tabibnia van elders afkomstig, in zijn geval Iran, maar hij woont al zo’n vijfentwintig jaar in Milaan. “Mijn hele wereld is hier,” zegt hij met een weids gebaar met beide armen, alsof hij het nabijgelegen Teatro alla Scala en de Duomo wil omhelzen. “Milaan is de beste plek die er bestaat voor wat ik doe.”

Waarom, vraag ik Tabibnia, zit een wereldburger als hij hier en niet in Londen, Parijs of Istanbul? 

“Milaan is al sinds de renaissance het centrum van de handel in oosterse tapijten,” antwoordt hij. “De Visconti’s en de Sforza’s, de deftige krijgsheren die de stad bestuurden, importeerden toen grote hoeveelheden oosterse tapijten, wandkleden en zijden stoffen om hun paleizen, hun kapellen en zichzelf mee te kleden.”

Als ik wil zien hoe populair die stoffen in de vijftiende eeuw waren, zegt Tabibnia, moet ik naar de Pinacoteca di Brera, het beroemde Milanese museum waar veel schilderijen hangen van Madonna’s in oosters textiel. Maar dat lijkt me lang niet zo intiem als de Galleria Tabibnia. Hier kan ik op m’n gemak ronddwalen en bovendien alles aanraken zonder een tik op m’n vingers te krijgen. Dus haal ik m’n hart op aan de gebedskleden uit het oude Perzië, de authentieke berbers, de traditionele babydoeken uit de verste uithoeken van de Kaukasus – de prachtigste stoffen uit de hele wereld. Tabibnia heeft zo veel antiek textiel verzameld dat hij binnenkort op eigen kosten een museum opent, het Museo Arte Tessile Antica Milano (MATAM). “Ik geef de oosterse-tapijtenwereld iets terug van wat die mij in de loop der jaren heeft gegeven,” zegt hij bescheiden. Generositeit blijkt een van de onvermoede kwaliteiten van de Milanezen.

De waan van de dag

Dat is precies waar ik naar op zoek ben: het onbekende Milaan. En het aangewezen vervoermiddel voor mijn speurtocht is natuurlijk een Vespa, de scooter die is uitgevonden in het nabijgelegen Biella. Als een speer snor ik naar Navigli, een buurt die zijn naam dankt aan de navigli (grachten) die tussen de 12e en 19e de eeuw zijn aangelegd voor het goederenvervoer van en naar de groeiende handelsstad. Dat netwerk van waterwegen bestaat nog altijd, al is het in de jaren ’30 gedeeltelijk gedempt omdat er snellere transportmogelijkheden waren gekomen. Vroeger voeren er grote schuiten door de grachten, die een ingenieus sluizenstelsel hadden dat was ontworpen door niemand minder dan Leonardo da Vinci.

Een van de grootste grachten van Navigli staat gelukkig nog vol sprankelend water. Als ik kom aanrijden, komt er mist opzetten van buiten de stad, die de cafés en winkels aan de kade in nevelen hult. Een van die winkels is Atelier del Riciclo, gespecialiseerd in ‘creatief hergebruik van spullen die hun tijd lijken te hebben gehad’. De witte ruimte is gevuld met kleding, meubels en accessoires van gerecycled materiaal. De buurt blijkt meer van dit soort winkels te hebben met eenvoudige ambachtelijke producten, die een mooi tegenwicht bieden aan de trendy design-zaken in de binnenstad. 

Tegenwicht voor de waan van de dag kun je ook elders in Milaan vinden, onder meer in een drietal monumenten voor de eeuwigheid: de vroeg-christelijke basilieken van Sant’Ambrogio, Sant’Eustorgio en San Lorenzo. Deze kerken liggen in een halvemaanvorm ten zuidwesten van de Duomo. 

Net als bij Brioni zijn de grootste schatten in deze tempels van tijdloze schoonheid binnen te vinden. Tussen de ruime hoeveelheden reli-curiosa zoek ik naar de echte heilige parels. In de Sant’Eustorgio-basiliek zijn dat de fresco’s in de Portinari-kapel, een schitterend staaltje van Lombardische renaissancekunst, en het Driekoningenaltaar, waarin lichaamsresten van de koningen zouden zijn verwerkt; in de Sant’Ambrogio-basiliek het etherische klooster, waar tot op de dag van vandaag monnikengezang weerklinkt; en in de San Lorenzo-basiliek de Sant’Aquilino-kapel met zijn Romeinse mozaïeken. Dan is er de prachtige kerk van Santa Maria delle Grazie met zijn fraaie apsis van baksteen en pleisterwerk in een sobere renaissancestijl, toegeschreven aan de grote 15e-eeuwse bouwmeester Donato Bramante. Het juweel van deze kerk? Een van de beroemdste fresco’s ter wereld: Het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci. Een meesterwerk van dit kaliber zou je op een prominente plek verwachten, maar het bevindt zich nog gewoon op de plek waar het gemaakt is, in de verder nogal onooglijke refter van het aanpalende klooster.

Surrealistisch theater

Minstens zo bijzonder is het Casa Verdi, in het westen van Milaan, een klein museum met muziekinstrumenten en andere spullen van de negentiende-eeuwse componist Giuseppe Verdi. Als ik voor het portret van de maestro sta en hem recht in de ogen kijk, hoor ik in gedachten zijn mooiste Aria's. Ik ontmoet er een in tweed gekleede heer met een tikje. Paolo Cesare Ottaviani, ooit een beroemde tenor, neemt me bij de arm en troont me mee naar een ander deel van het Casa Verdi, waar een van de mooiste bejaardencentra ter wereld blijkt te zijn gevestigd. Dwalend door zalen met mozaïeken en houtsnijwerk zie ik bewoners die aan het schilderen zijn en een gepensioneerde concertpianist die een leerling helpt een nocturne van Chopin onder de knie te krijgen. “Het lijkt hier wel surrealistisch theater,” zegt Ottaviani.

Hij heeft het over het Casa Verdi, maar het zou evengoed op heel Milaan kunnen slaan. Bij mijn nadere kennismaking met de stad heb ik surrealistisch theater ontdekt op een grootse schaal, gebracht door een bevolking die het verleden even speels en virtuoos naar haar hand weet te zetten als Paganini destijds deed met zijn viool. Neem de oude staalfabriek die is omgebouwd tot repetitieruimte van La Scala: in de holle zalen galmt te midden van decorstukken en rekwisieten nu Verdi’s Aambeeldkoor uit Il trovatore. De grootste nog levende beeldhouwer van Italië, Arnaldo Pomodoro, resideert in een voormalige metaalgieterij: waar ooit de turbines voor de Niagara-watervallen zijn gemaakt, staan nu zijn majestueuze sculpturen. Er zijn zelfs middenstanders die het vastgoed rigoureus hebben afgezworen en de straat op zijn gegaan, zoals de modeontwerpers die in mobiele boetieks aan huis komen – een trend waarin de rusteloosheid en de vindingrijkheid van de Milanezen zijn verenigd.

Mijn favoriete metamorfose? Een oude dassenfabriek in de buurt van de Santa Maria delle Grazie, die door designdiva Rossana Orlandi is omgetoverd tot een hypermodern centrum van goede smaak. Het is een winkel, galerie en kunstenaarskolonie ineen, met een chic restaurant op de koop toe. Als Milaan een vrouw was, dan leek ze op haar: stijlvol, elegant, zakelijk en met talent voor mooie statements. “Mode is dood, maar design is springlevend,” zegt Orlandi. “Goed design is het combineren van stijlen van verschillende plekken, het bij elkaar brengen van ervaringen en emoties – en daar zijn we in Milaan heel goed in.”

Als ik haar vraag of haar centrum typisch Milaan is, zegt ze: “Welnee, dit is typisch Rossana!” En dan lacht ze haar parelende tanden bloot. “Maar als Milaan niet voor alles open zou staan, was het er waarschijnlijk niet gekomen.” 

Terwijl ze me rondleidt door haar koninkrijk, legt zo nu en dan een ranke hand op de prachtige spullen die ze uit de hele wereld bij elkaar heeft gebracht. Er zijn heel bijzondere dingen bij; zo herken ik een stoel van Julian Mayor en lampen van Sebastian Wrong. Maar er staan ook ontwerpen van de aanstormende talenten die ze heeft ontdekt. “Ik word altijd verliefd op mijn kids! Dat zijn mijn vitamines!”

Een van die ‘kids’ is Nuala Goodman, een Ierse uit Dublin die zich in de jaren tachtig in Milaan vestigde om voor Ettore Sottsass te gaan werken, de grondlegger van de Memphis-groep. Ik ga bij haar langs in haar atelier in de buurt van Navigli. De schoonheid van Milaan zit in alles, volgens haar. “De Milanezen hebben een heel scherp oog. Design is hier sterker met het dagelijks leven verweven dan ik welke andere stad ook. Waar anders kun je in een willekeurige bar je ogen uit kijken aan de kopjes, de lepeltjes, de spiegel?”

Dat is mijn nieuwe Milaan, met zijn hang naar theater en visueel spektakel. Op een avond zit ik in de ATMosfera, een tram uit 1920 die is omgebouwd tot rijdend restaurant. “Welkom aan boord van ons antwoord op de Orient Express,” zegt de bestuurder. Het rijtuig ziet er inderdaad fantastisch uit, met brokaten tafelkleden, weelderige draperieën en antiek porselein. De trambel klingelt en dan glijden we de nacht in.

We komen langs de Duomo, waar ik mijn hand opsteek naar de glimlachende Madonnina, en de met kaarsen verlichten Basilica di Sant’Eustorgio. De Romeinse zuilen van de San Lorenzo lijken wel beenderen in het witte maanlicht. Als we zo door de stad rijden, is het net of Milaan beweegt in plaats van wij, en sierlijk als een prima ballerina aan ons voorbij walst. Eindelijk zie ik het échte Milaan.

Lees meer