Japan

温泉 | Op zoek naar de authentieke wellness-cultuur in Japan

Mirjam van Immerzeel en Sascha Schalkwijk trokken door Japan en ontdekten de mooiste warmwaterbronnen, waar ze de etiquette van de onsen leerden. donderdag, 9 november 2017

Door Mirjam van Immerzeel

Door de kieren van de schuifdeur piept stoom naar buiten, achter het matglas bewegen schimmen. Hier heb ik me al de hele dag op verheugd. Binnen moet het heerlijk warm zijn. Als ik de schuifdeur open waan me bijna in Zweden. Overal gelig grenen, van de dikke balken en de lambrisering tot aan de krukjes toe. Is dit Japan? 

Dan ontwaar ik de naakte lichamen van onmiskenbaar Oost-Aziatische vrouwen: de schimmen. Muisstil schuifelen ze met gebogen hoofd voorbij en houden daarbij zedig een wit handdoekje van vaatdoekformaat voor kruis en borst. Met minimale beweging drogen sommige baadsters zich af, kleden zich aan en glippen langs me door de schuifdeur. Anderen doen het omgekeerde. Gêne is hier tot kunst verheven, enige ingetogenheid is dus gepast. Ik stap naar binnen en volg hun voorbeeld. 

De dag loopt op zijn einde, maar er is wel tijd om een laatste keer te badderen in de natuurlijke warmwaterbron van Katsuura, een kustplaats op het grote schiereiland onder Kyoto. Het is ook de laatste stop na een rondreis per trein en lokale bus tussen de oude en nieuwe keizerlijke hoofdsteden van Japan Nara, Kyoto en Tokio. Katsuura zelf is een verwaaid en wat afgebladderde vissersplaats waar je wel spartelverse sashimi van tonijn uit de muur kunt trekken zoals wij dat met een kroketje kunnen doen. De onsen – Japans voor ‘hete bron’ – ligt in een klif aan zee. Het modernistische hotel Kyukamura Nanki-Katsuura dat er omheen werd gebouwd, steekt schril af tegen de woeste natuur rondom. Iets wat je bijna (maar toch net niet helemaal) kunt vergeten bij het fenomenale uitzicht over de Stille Oceaan. 

Katsuura bezit een van de 3000 natuurlijke bronnen die Japan rijk is dankzij de ligging aan de Ring van Vuur, de kring van vulkanen rond de Stille Oceaan. Japanners ondervinden niet alleen maar rampen door alle tektonische activiteit. Hun warmwaterbronnen en geisers zijn al sinds mensenheugenis een weldaad voor lichaam en geest, en precies dat is het doel van deze reis langs enkele oude en traditionele onsen. 

Het schemert al als ik me in het hete water van het buitenbassin laat glijden. Het is praktisch een infinity pool, de zee strekt zich voor me uit, blauw en koel. Het is al november en er zit onmisbaar kou in de avondlucht, maar onaangenaam is het zeker nog niet. Ik zit tot mijn schouders in het warme water omringd door rotsen en loof in herfsttooi. Het water ruikt naar mineralen en een heel klein beetje zwavelig. Een voor een stappen de andere badgasten eruit tot ik het rijk alleen heb. De hotelmanager heeft me aangeraden een oogje op de zee te houden. Een walvis zou wel eens naar boven kunnen komen om adem te halen. Zoveel geluk heb ik niet, maar mijn dag kan toch al niet meer stuk.

In gezelschap van Japan-kenner Brad Towle, zijn collega Kumiko Tabata van een regionale toerismeorganisatie en fotograaf Sascha Schalkwijk hebben we eerder op de dag een stukje van een pelgrimsroute met werelderfgoedstatus gewandeld, de Kumano Kodo. Over het hele schiereiland voert een netwerk van eeuwenoude paden door het sprookjesachtige Kiigebergte, langs watervallen en boomstammen zo dik dat je er in zou kunnen wonen. Vanaf de 10de eeuw ondernamen keizers, en in latere eeuwen ook gewone burgers, de tocht vanuit het noordelijker gelegen Kyoto. Twee eeuwen eerder was het nabij gelegen Nara nog de residentie van de keizer. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw verhuisde de keizerlijke familie definitief naar Edo en heette de stad voortaan Tokio. 

Kumano is niet alleen het hart van het schiereiland, maar was tijdens de hoogtijdagen van de pelgrimage ook het hart van de religieuze beleving van Japanners. Lokaal animisme en Shintorituelen mengden zich met boeddhisme dat vanuit China was geïmporteerd. Shinto staat voor het ‘pad van de goden’ en is de oorspronkelijke religie van Japan. Doel van de pelgrims was een bezoek aan drie grootse heiligdommen. Maar de voettocht zelf was minstens zo belangrijk – of zelfs wel belangrijker – dan de bestemming. De Oji’s die de paden flankeren, horen bij die reis, vertelde Kumiko als we weer eens zo’n schrijntje passeerden. Soms pontificaal geplaatst, soms wat verscholen in een gat in een boom of spelonk in een rots, hebben ze iets vertederends, vonden we. Er zouden kindergoden verblijven die pelgrims beschermen tijdens hun tocht. Vaak hebben ze zelfs een specialisme, zoals kinderziekten voorkomen of nekpijn genezen. 

Onze keizerlijke voorgangers op de Kumano Kodo verlangden naar purificatie van lichaam en geest, maar dat geldt ook voor moderne pelgrims en wandelaars, weet Brad, een Canadees die na zijn studie in Japan terechtkwam en er nooit is meer weggegaan. Hij werkt voor de gemeente Tanabe, een belangrijke etappe van de Kumano Kodo, en maakt zich sterk om de hier en daar pittige route toegankelijker te maken voor buitenlanders. Als er al een enkel bordje of enige bewegwijzering is, dan is die nu nog vaak in Japanse karakters. Vandaar dat je er nauwelijks een westerse toerist zal tegenkomen. Verdwalen en dagenlang dolen door bos en gebergte is hier heel goed mogelijk. 

De koude avondlucht maakt het steeds moeilijker om uit het warme water op te staan en de paar meter naar de kleedruimte af te leggen. Om complete verschrompeling te voorkomen – volgens de onsen-etiquette zit ik al veel te lang in bad – raap ik mijn moed samen. Druipend sta ik even later weer eens met een uitgevouwen yukata te klungelen, een informeel type kimono van gebloemd katoen. Hoe zat het ook al weer? Welke kant op moet ik de yukata ook al weer dichtslaan? Naar links? Of was dat juist de vouwrichting die alleen bij overledenen wordt toegepast? Het lijkt me handig te checken en meteen het ijs te breken met de andere badgasten. 

Ik spot een giechelend groepje meiden die me omfloerst bekijken. Engels spreken ze niet, maar ze begrijpen mijn situatie snel. Eerst draaien de drie meiden zich van mij weg voor wat onderling overleg. Het volgende moment sjorren en trekken drie paar handen aan mijn yukata. Eerst moet die goed strak zitten, dus ik houd mijn adem in. Dan rukte een hand hard aan de kraag, zodat hij een eindje van mijn nek afstaat. Een paar andere handen vouwt de voorflappen links over rechts. Dus toch goed gedacht, mompel ik. De meiden schaterlachen op zijn Japans: met gedempte haast kinderlijke toon, want ‘schattig’ zijn is hier wel zo beleefd. Het is vaak ook de ‘professionele’ stem van veel Japanse vrouwen in het openbaar. Iets waar ik als Europeaan tijdens mijn eerste reis door Japan echt aan moest wennen. 

De kennelijke aanvoerster van het stel slaat de ryo om mij heen en legt een sierlijke knoop in de stoffen ceintuur om de boel bij elkaar te houden. Dan is het gesjor en getrek klaar. Tegelijk gaan mijn gelegenheidskleedsters een stap achteruit om het resultaat te keuren. ‘Beautiful,’ zegt er eentje. Het ijs is gebroken, al voelde ik me nog nooit zo lomp. Ze vertelt, ineens in best goed Engels, dat zij en haar vriendinnen uit de buurt komen en zo nu en dan een dagje onsen doen voor de gezelligheid. Kijk, zo kun je purificatie van lichaam en geest ook noemen. Maar er speelt meer, weet ik. Bezinning en contemplatie hebben in modern Japan plaatsgemaakt voor een diepe behoefte aan rust en ontspanning. Dit is het sterkst te merken in de meest traditionele onsen die Sascha en ik voor deze reportage bezochten.

Een week eerder. Onze mintgroene buurtbus slingert door een sprookjesbos steeds hoger de heuvels van Gunma in, een woeste regio op twee uur reizen ten noorden van Tokio. Bij de ene bocht horen we het murmelen van de Takararivier, bij de andere overheerst weer het geruis van de bladeren in de bomen. De bossen die we passeren verkleuren als een toverbal van groen naar geel naar rood. Zo nu en dan piept de zon langs bewolking, maar het blijft droog. Het najaar biedt de perfecte omstandigheden voor wandelen, badderen in de warmwaterbronnen van Japan, proeven van de lokale bos- en bergkeuken, en dan langzaam wegsoezen bij een houtvuur. Het komt wel goed met dat verlanglijstje, knipogen we naar elkaar als we onze bestemming bereiken. 

Bij Takarakawa Onsen, in een dichtbeboste vallei, wacht een vriendelijk knikkende man ons op. Hij spreekt en verstaat ten minste wat Engels, maar hij heeft dan ook aan een half woord genoeg. Wij ook. We zijn moe en hebben honger. Maar eerst zijn er een paar typische onsen-zaken te regelen. Het uitzoeken van een leuke en passende yukata. Onze gastheer gebaart naar een lange tafel met stapeltjes yukata, haori (uniseks overjasjes) en een kast met slippers. Op een paar te kleine skaien leenslippers sloffen we door het imposante houten gebouw naar onze kamer: meerdere lege ruimten slechts bedekt met tatami’s. Een lege alkoof maakt de minimalistische look af. Onze bedden worden pas na het diner neergelegd. Door een open raam stroomt koude berglucht naar binnen. Ergens moet een houtvuur branden. Zo val ik vroeg in slaap, en zo word ik vroeg gewekt. 

Een zacht klopje op de schuifdeur kondigt het ontbijt aan. Op haar knieën schuift mevrouw Takako dienbladen vol kommetjes, schaaltjes en fondue-potten naar binnen gevuld met lokale lekkernijen. De meeste gerechtjes weet ze in het Engels uit te leggen, maar soms zegt ze ook: dat moet je maar proeven. Chawanmushi bijvoorbeeld, een soort soep van ei, een hartige sabayon met groenten. Een van de weinige Japanse gerechten die je met een lepel eet. Of een gestoomde appel gevuld met aardappelblokjes en custard. 

Beneden ons raam stroomt de rivier schuimend en kolkend langs de hete waterbronnen van Takarakawa, die slechts zijn afgescheiden door rotsen. Mannen en vrouwen in yukata trippelen over de houten brug naar de natuurbaden. In Japan beroemde schrijvers en dichters gingen ze voor, had onze gastheer verteld. Als ik de dampende poelen zie, begrijp ik wel waarom. Dit is de uitgelezen plek om bij te praten of maar wat voor je uit te filosoferen. Warm water en niets hoeven helpen je hoofd leeg te maken.

De  houten vloer kraakt gezellig onder de sloffen van meneer Okamura. Sinds 1875 voert zijn familie ryokan (hotel) Chojukan boven op onsen Hoshi in een andere afgelegen vallei in Gunma. Hij wenkt me naar een kleine ruimte gevuld met blauwe rook dat van een open vuur kringelt en wordt gevangen door een enkele zonnestraal. In het tegenlicht zie ik twee figuurtjes in kimono die elkaar thee inschenken. Een jonge en wat oudere vrouw zitten ze op hun knieën rond een vierkante uitsparing in de houten vloer is gevuld met zand. Middenin brandt een houtvuurtje met daarboven een zwartgeblakerde koperen waterketel aan een ketting. De meeste rook wordt langs spanten en balken door drie verdiepingen naar boven getrokken naar een opening in het dak met een afdakje ter bescherming tegen regen en sneeuw. 

Meneer Okamura zet zich eveneens op zijn knieën en serveert thee. Hij glimlacht en verontschuldigt zich voor zijn Engels. Niet nodig, de trotse geschiedenis van zijn familie-erfgoed is prima te begrijpen. Hij vertelt dat hij de zevende generatie is en hoopt dat zijn kinderen de traditie van Chojukan zullen voortzetten, maar hij eist het niet van ze. ‘Chojukan heeft drie aardbevingen overleefd, we kunnen wel tegen een stootje,’ zegt hij lachend. ‘Trouwens, na die aardbevingen kwam wel een tijd lang iets koeler water uit de bron naar boven.’ Dat moet wel spannend voor de familie zijn geweest, zeg ik hem. De natuur kan van de ene op de andere dag besluiten het water niet meer te verwarmen. Wat dan? ‘De natuur beschikt,’ is zijn antwoord. 

In werkelijkheid zou het een ramp zijn. Chojuakan is een begrip. De bouw van het houten gebouw startte al in de Meijiperiode, die grote maatschappelijke verandering zou brengen voor Japan. De keizer had een paar jaar eerder de hoofdstad van Kyoto naar Edo (Tokio) verhuisd. Het land stapte met horten en stoten in de moderne tijd met internationale contacten en een burgerregering in plaats van de feodale shoguns. In dit tijdsgewricht bouwden de voorouders van Okamura hun pleisterplaats boven op een warmwaterbron naast het riviertje Nishi, vertelt de jongste telg. Die bron was in de 9de eeuw ontdekt door Kobo Daishi, zo gaat het verhaal althans. Als stichter van de esoterische tak van het boeddhisme in Japan had hij een voorliefde voor afzondering in de natuur en mystiek. Kobo Daishi zou de bron Hoshi hebben genoemd, wat ‘ster’ betekent maar ook voor een boeddhistische wijsgeer staat. Hoe dan ook, Hoshi was altijd al een populaire stop langs een route door de bergen van Gunma richting Japanse zee. Reizigers konden er alle vermoeidheid en stoffigheid van zich af spoelen. 

Meneer Okamura schenkt me nog eens bij en doet het zwijgen toe. Zo zitten we een tijdje. Het enige geluid komt nog van het piepende en knapperende vuur. Er zit vocht in de lucht en in het hout. Ik pak het miniatuur theepotje en wenk naar de kopjes van de twee zwijgende dames. Ze wisselen blikken uit. De jongste vragend, de oudste bevestigend. Dan mag ik ze bijschenken. Mijn gastheer legt ze uit wie ik ben en wat ik kom doen in Chojukan. 

De vrouwen knikken en wenden hun blik naar hun schoot. Ik wijk een beetje naar achteren om niet de volle laag rook te inhaleren. Naar een onsen ga je immers ook een beetje voor je gezondheid. We glimlachen een tijdje bemoedigend naar elkaar, en ik schenk nog eens bij. Wat brengt ze naar Hoshi, vraag ik uiteindelijk. ‘Hadaka no tsukiai,’ zegt de oudste. Ze heet Keiko en is hier met haar dochter Chikako uit Tokio om eens goed bij te praten en de banden aan te halen. ‘Hier in de onsen noemen we dat ‘hadaka no tsukiai’, vrij vertaald ‘naakte relatie, open ziel’. Thuis lukt eerlijk praten niet goed. Dan is mijn man er bij en we zijn nogal klein behuisd.’ 

Chikako heeft tot nu toe alleen geknikt bij wat haar moeder zegt. Als ik doorvraag naar de betekenis van onsen voor Japanners, overwint ze haar schroom Engels te spreken. Bijna onverstaanbaar fluistert ze dat de bronnen vooral een sociale functie hebben, zoals spa’s en wellnesscentra in onze contreien. Niets religieus? ‘Nee hoor, het is gewoon ter ontspanning en om samen te zijn. We maken allebei lange dagen op kantoren. Hier vinden we de rust om tot ons zelf te komen.’ Dat gezegd kijkt ze haar moeder aan. Die neemt afscheid. Ze willen nog voor het avondeten gebruikmaken van de onsen en het nieuwe vrouwenbad gaat zo open. 

Ik ben inmiddels razend nieuwsgierig naar het beroemdste en oudste bad van Hoshi, Houshi no Yu. Wat zich ontvouwt als ik even later de deur open schuif, is het soort tafereel waarvoor Rembrandt graag zijn penseel had opgepakt. Mijn ogen moet even wennen aan de donkere ruimte. Het ruikt er naar nat oud hout, warmte en mineralen. Door de hoge ramen vallen dikke bundels licht op het spiegelgladde wateroppervlak. Ergens diep onder de grijze ronde keien op de bodem borrelt het warme water direct op uit de bron. Ik ben een andere wereld binnengestapt, zelfs een andere tijd, en ik wil er blijven. 

Mirjam van Immerzeel en Sascha Schalkwijk dompelden zich ook onder in de wellness-cultuur van Duitsland (Traveler 1/2012).

In de bergen van Kii en Gunma ontdekte journalist Mirjam van Immerzeel waarom Japanners hun eeuwenoude wellness-tradities koesteren. Ze deelt hieronder enkele tips.

Do’s & Don’ts: etiquette van de onsen

In bijna alle onsen is naakt de norm. Vooral in landelijk gelegen onsen zijn de baden gemengd. Bij gemengde onsen krijgen vrouwen een badjurkje, soms zijn er aparte vrouwenuren. Er zijn onsen die tatoeages niet accepteren (of vragen ze af te plakken).

Hygiëne is belangrijk voor Japanners en al helemaal in hun natuurlijke warmwaterbronnen. Was en spoel je goed af voor je in een onsen stapt. Je zult Japanse baders zich flink zien schrobben op een krukje. Drink het water niet en pas op met open wondjes.

Plons niet in het water. Het kan echt heel heet zijn. Laat je lichaam beetje bij beetje wennen aan de temperatuur Ik raad aan niet langer dan een half uur in het water te blijven. En pas ook op als je last hebt van hoge bloeddruk of hartklachten hebt.

Het westerse spreek- en lachvolume is nogal luidruchtig vergeleken met dat van Japanners. Rust is gewenst. Onsen zijn geen zwembad: spelen en spetteren is er dus niet bij. Traditionele ryokan (hotels) en hun kamers zijn gehorig, houd daar rekening mee.

Overnachten

Minimalisme. Hotels in Japan kennen twee smaken: westers georiënteerd en traditioneel Japans. Het verschil zit ’m vooral in de inrichting en de keuken. Ryokan en minshuku zijn Japanse Bed & Breakfasts: de kamers zijn leeg, en hebben schuifdeuren en tatami op de vloer. Slapen doe je op futons die ’s avonds worden neergelegd. In traditionele hotels wordt alleen Japanse gekookt. In sommige hotels wordt geen Engels gesproken, en geen creditcard geaccepteerd. Meer info: Japan National Tourism Organisation, Japanse Guest Houses en Ryokan Hotel.

De reis 

De vliegreis naar Japan duurt ca 12 uur. Alleen KLM verzorgt nog rechtstreeks vluchten vanaf Schiphol. De Japanse maatschappij Ana heeft een directe vlucht naar Tokio vanuit Brussel. Goedkopere opties vertrekken vanuit ons omringende landen. Voor toeristen die niet langer dan 90 dagen in Japan verblijven, is het niet nodig een visum aan te vragen. 

Vervoer

Het openbaar vervoer in Japan is van hoge kwaliteit. Reizen met trein (voordeliger met een Japan Rail Pass, voor vertrek te kopen) en lokale bussen is prima te doen. Een supersnel ritje met de shinkansen treinen is een must.

Wanneer op reis?

Japan is een langgerekt land en kent dus grote seizoensverschillen tussen het noorden en het zuiden. Het najaar (en het voorjaar) zijn de beste perioden voor een rondreis: ga je voor de magnifieke herfstkleuren of fris groen en bloesem? 

Lees meer