Laos

Het geheim van Laos

Afgelegen maar zeker niet verlaten: de noordelijke provincie Phongsali onthult het geheim van Laos. donderdag, 9 november

Door Wilke Martens
Foto's Van Stéphanie Jantzen

Het is een onmogelijk laag krukje waar ze op zit, voor haar huis met rieten dak. Boven de deur hangt een taleo, een soort ster van bamboe, om de kwade geesten te verjagen. Haar ogen staan uitdrukkingsloos in haar gerimpelde gezicht. Een kleurrijke doek is als tulband om haar hoofd geknoopt. Ze draagt een dikke synthetische jas en onder haar rok traditionele blauwe beenwarmers. Een mollige puppy loopt snuffelend rond, niest een keer en gaat aan haar voeten liggen. En dan zie ik haar tenen, haar tweede tenen die onnatuurlijk over haar grote teen gebogen zitten. Aan allebei haar voeten.

We zijn in Ban Sai Lom, een dorp op de twintig kilometer lange weg van Phongsali naar Hatsa, in het uiterste noorden van Laos. Het land, dat met een oppervlakte van ruim 230.000 vierkante kilometer ingeklemd zit tussen Thailand, China, Myanmar, Vietnam en Cambodja, is in rap tempo aan verandering onderhevig. Grote Chinese trucks rijden af en aan om stenen te vervoeren naar een in aanbouw zijnde stuwdamcentrale op de Nam Ou, enkele kilometers stroomopwaarts van Phongsali, hoofdplaats van de gelijknamige provincie. Maar in dit dorp, een eindje van de weg af, lijkt de tijd te hebben stilgestaan.

Thong gaat op zijn hurken voor de oude dame zitten om een praatje met haar te maken. Ze zijn van dezelfde etnische minderheid, Pounoi, en spreken in hun eigen taal. Hun aangenomen boeddhistische geloof is sterk verweven met animistische elementen.

‘Ze is al meer dan 100 jaar oud,’ vertaalt Thong, ‘maar ze weet haar leeftijd niet precies.’

Het bleek een buffel te zijn die haar tenen verbrijzelde toen ze klein was. Het kolossale dier was op haar voeten gaan staan, toen ze het ging ophalen uit de rijstvelden. Nu, tientallen jaren later, zijn het niet haar gebroken tenen die haar hinderen, maar haar leeftijd. ‘Ik ben veel te oud,’ zegt ze. ‘Mijn man is al 70 jaar dood, van mijn elf kinderen zijn er vijf overleden. Maar mij komen ze nog niet halen, de geesten.’

Minderheidsdorpen

Drie dagen eerder. Vanuit Luang Namtha vertrek ik­ naar Phongsali, de noordelijkste provincie van Laos. Daar ga ik samen met fotograaf Stéphanie Jantzen en gids Thong Ounnakhoun, die in Phongsali opgroeide, enkele minderheidsdorpen bezoeken. De bijna zeven miljoen mensen in Laos zijn onderverdeeld in 49 etnische groepen, waarvan er in Phongsali – met zo’n 180.000 inwoners – al 28 verschillende leven.

Via Oudomxai nemen we weg nummer 2, kronkelend door hoge groene bergen tot wel 1500 meter boven zeeniveau. Ik vraag me af of er ergens tussen die begroeiing nog dorpjes zijn waar ze nog nooit een falang, een westerling, gezien hebben. Dan, midden in dit schijnbaar onbewoonde gebied, stuiten we op een markt langs de weg. We stoppen bij de stalletjes waar vrouwen wilde bananen, rotanscheuten en pas gevangen eekhoorns verkopen. ‘Very good tasty ,’ lacht Thong, als hij de afschuw van mijn gezicht leest. Ik ben blij dat hij niet de eekhoorns, maar allerlei jungle-groenten aanschaft voor het diner.

Vanuit Boun Tai trekken we de volgende dag verder noordwaarts. Die nacht was het gaan regenen, wat de zandwegen moeilijk begaanbaar maakte. ‘Weet je waarom de Akha’s in de bergen wonen en de Tai Dam in de vallei?’ vraagt Thong als de minivan zich met woest ronkende motor de blubberige zandweg richting een Akha-dorp probeert op te komen. ‘Geen idee,’ antwoord ik.

‘Heel vroeger woonden de Akha en de Tai Dam nog in de bergen. Maar omdat het verbouwen van rijst daar lastig is, gingen ze op zoek naar vlaktes. Tegelijkertijd bereikten ze de vallei. “We houden een wedstrijd,” zei het stamhoofd van de Tai Dam tegen dat van de Akha. “Wie wint mag blijven, de ander trekt terug de bergen in.” Het Akha-stamhoofd ging akkoord. “Zie je die rots daar?” vroeg het Tai Dam-stamhoofd. “Wie het lukt er een pijl tegenaan te schieten zonder dat die breekt, wint.”

‘De Akha’s maakten een pijl, van zo’n dik en sterk hout als ze nog nooit hadden gedaan. Ze schoten de pijl op de rots en, hij brak. De Tai Dam hadden een dunne pijl met modder aan het uiteinde. De pijl bleef plakken op de rots, zonder te breken. “Niet eerlijk!” riep het Akha-stamhoofd. “Ik wil een nieuwe kans!”

‘De Tai Dam vonden dat prima. “Wie het lukt om vuur te maken op de rivier, mag blijven.” De Akha gingen aan de slag en bouwden een vlot. Boven op legden ze meer dan genoeg brandhout, zodat het zeker zou branden, en staken het vuur aan. Snel droegen ze het vlot de oever af en duwden het de rivier op. Maar het vuur brandde te hard en had het vlot al in zijn greep. Niet lang daarna zonk het en ging het vuur uit. De Tai Dam hadden een flinke buffelvlaai gevonden. Ze mengden het met hooi en staken er een kaars in. Het stamhoofd droeg de drol naar de rivier, stak het kaarsje aan en duwde het voorzichtig de rivier op. Langzaam zagen ze de brandende vlam de rivier afdrijven. De Akha’s erkenden hun verlies en trokken terug de bergen in.’

Zodra we uitstappen in Ban 66, een dorp dat is genoemd naar het aantal kilometers tot provinciehoofdstad Phongsali, komt een traditioneel geklede Akha-dame op ons af. Ze trekt een object van haar riem en biedt het te koop aan: een handgemaakt kokertje van bamboe, om borduurnaalden in te bewaren. Niet veel later komen ook andere dames met borduursels, armbanden van omgesmolten Franse munten en zelfs complete kostuums. Luid kibbelend proberen ze elkaars prijzen af te troeven.

Hoe anders was het in Wang Doi, een Pounoi-dorp waar we langskwamen. Een echtpaar was bezig bonenstaken van bamboe te maken. De bonen exporteren ze naar China, om van de opbrengst hun kinderen naar school te sturen. Op de veranda van het huis verderop zat een vrouw rustig tassen te borduren met een traditioneel patroon en kleine rode pompons. Trots liet ze haar handwerk zien, maar een prijs noemde ze niet.

Eindelijk houdt het op met regenen en maken de donkere wolken plaats voor de zon. Elke minuut verandert de lucht, tot er een prachtig uitzicht overblijft van laaghangende wolken met daarbovenuit torenende bergtoppen.

Thee

De volgende ochtend worden we in de stad Phongsali vroeg uit onze slaap getrokken: om vijf uur zwelt Laotiaanse muziek aan uit de speakers op elke straathoek, gevolgd door het nieuws. Verbaasd vraag ik tijdens het ontbijt aan Thong of dat niet een beetje vroeg is. ‘Nee hoor! De mensen hier zijn erg banok, van het platteland, en staan elke dag al om drie uur op. Om vier uur gaat de markt open.’ We beginnen onze stadswandeling dan ook op de markt, maar om zeven uur zijn enkele stands al leeg. ‘De eekhoorns waren als eerste uitverkocht,’ grijnst Thong terwijl hij een praatje maakt met de marktdames.

We vervolgen onze weg over de kasseien straatjes, in het oude, heuvelachtige centrum, langs grote stenen Franse generaalshuizen. Begin 20ste eeuw zette de kolonisator hier een ‘militaire zone’ op, om gewapende Chinese groepen te weren. De provincie werd in 1954 bevrijd door de Vietminh, de Vietnamese beweging die tegen de Franse overheersing streed. Daarop volgde een uiterst roerige burgeroorlog, in de schaduw van de Vietnamoorlog, waarin de communistische beweging Pathet Lao het Laotiaanse koningshuis verdreef. Hoewel de Amerikanen tijdens de Vietnamoorlog vele explosieven dumpten boven Laos, is Phongsali de bommenregen bespaard gebleven en staan er nog tal van oude houten huizen in Yunnan-stijl. Door de open deur gluur ik naar binnen in een van de huisjes, een oude dame komt net met een krukje aan schuifelen. Als ze de falang ziet, blijft ze twijfelend in de deuropening staan. Onzeker zet ze haar krukje neer en neemt ze genoegen met het plekje achter de deur.

Als in de middag de zon doorbreekt, worden overal grote rieten schalen met thee buiten gelegd. De blaadjes, die eerst gestoomd zijn, liggen in de zon te drogen. Phongsali staat bekend om zijn thee, die volgens de legende van 400 jaar oude planten komt. We brengen een bezoek aan de theeplantage; hier staan metershoge bomen! Plukkers klimmen de top in om de blaadjes te plukken.

’s Avonds neemt Thong ons mee naar het huis van zijn halfbroer, die hij al tien jaar niet gezien heeft. We worden hartelijk ontvangen, met thee en een uitgebreid diner: een stoof van jungle-paddenstoelen, een soep met mak noi, een soort kleine courgettes, en kleefrijst. De dochter des huizes vult continu onze thee bij. Als we weer afscheid nemen, krijgen we een goodie bag: Phongsali-thee van de eigen plantage. De trots van de provincie.

De laatste dag bevaren we de Nam Ou – de rivier kronkelt vanuit het noordelijkste puntje van Laos omlaag tot Luang Prabang, om daar op te gaan in de Mekong. Het stuk tussen Hatsa en Muang Khua telt aardig wat stroomversnellingen waar de bootsman behendig doorheen manoeuvreert. ‘Straks moeten we met een tuktuk om de stuwdamcentrale heen rijden, daarna nemen we een andere boot,’ waarschuwt Thong. Nu begrijp ik waarom we een dag eerder zo veel nieuwe stenen huizen zagen: het waren dorpen uit lagergelegen gebieden die herplaatst zijn.

In het dorp Wang Sai komen Pounoi-dames vrolijk op ons af en vragen om tabak. Als we vragen wat ze van de dam vinden, antwoorden ze schouderophalend. ‘Boh pen yang,’ geen probleem. Kinderen komen nieuwsgierig kijken wat er scheelt. Wellicht dat de jongsten inderdaad nog nooit een blanke gezien hebben. ‘Koi sue Wilke,’ zeg ik in gebrekkig Laotiaans, als ik merk dat ze me achtervolgen. Hun enorme ogen worden nog groter. ‘Djow sue nyang?’ vraag ik. ‘Hoe heet jij?’ Er komt geen reactie, dus ik loop maar verder. Dan hoor ik de hoge kinderstemmetjes achter me: ‘Koi sue Wil! Koi sue Wil!’ Als ik me omdraai, houdt het op. ‘What’s your name?’ probeer ik nog eens. Het oudste meisje toont lef: ‘My name is!’ Zodra we weer verder lopen naar de boot, volgt het meisje ons helemaal tot de oever. ‘My name is… Nam!’ roept ze als ik instap. De bootsman start de motor en hij stuurt de boot het water op. ‘Souk dee, Nam!’ roep ik boven het geronk uit. ‘Veel geluk!’

Mandarijnen

Een paar uur later leggen we aan in Ban Mong Hue, waar verschillende etnische minderheden bij elkaar wonen. Ook hier gaat het leven gewoon door; muziek klinkt in de verte als we de oever opklimmen. ‘Lao party, you lucky!’ roept Thong.

Nadat hij toestemming heeft gekregen van het dorpshoofd, lopen we richting de muziek. Een vrouw met een prachtige hoofddoek staat verderop te dansen. Grijnzend gebaart ze ons te komen. Op matten op de grond zitten mensen aan lage tafeltjes, vlak naast speakers met harde muziek. Ze kletsen, eten en drinken Beer Lao. Het blijkt het verlovingsfeest van Xienghom Pen en Sompaet. We worden uitgenodigd plaats te nemen en we krijgen witte draden aangereikt. Thong doet voor hoe je er een briefje van 20.000 kip aanknoopt en het dan als armbandje om de pols van de aanstaande bruid en bruidegom knoopt. Voor geluk. Daarna gaan de glaasjes rijstwhisky en bier rond.

Al te lang blijven we niet, we moeten immers nog om die dam heen. We wensen het aanstaande bruidspaar alle goeds en de dame met de hoofddoek loopt met ons mee. Wild gebaart ze naar de zak met mandarijntjes die ze in de boot ziet liggen, mak mai, vers fruit! Ik geef haar de zak en stap de boot in.

De mensen hier zullen weinig mandarijnen eten. Er is immers geen weg naar het dorp, dus ze zijn afhankelijk van het eten dat ze zelf verbouwen of uit de jungle verzamelen en van de sporadische bevoorrading per boot. Ik vraag me af of ze het steeds zwaarder zullen krijgen, als er door de dam minder boten langsvaren.

De brok in mijn keel probeer ik weg te slikken als we in de tuktuk om de dam heenrijden. De prachtige jungle met hier en daar een dorpje maakt plaats voor een enorme zwartgrijze bouwput. Maar de mensen hier blijven lachen. Of ze nu hun leven lang met gebroken tenen lopen of een stuwdam zien verschijnen naast hun dorp, het leven gaat door. De veerkracht van de Laotianen is enorm, bedenk ik me. ‘Boh pen yang!’ schreeuw ik naar de dam en er verschijnt weer een glimlach op mijn gezicht.

Lees meer