Mexico

Mijn oma in Mexico

In de voetsporen van een rebelse voorouder in Centraal-Mexico. donderdag, 9 november 2017

Door Peter McBride
Foto's Van Peter McBride

Buiten op straat, in de koloniale stad Querétaro, klinkt zangerige marimbamuziek. In de zonovergoten bibliotheekzaal – tussen hoge kasten vol perkamenten delen, gebonden jaargangen en overheidsdocumenten – zie ik katholieke relieken en oude schilderijen in gebarsten olieverf hangen. Maar geen apparaten die de hitte en vochtigheid onder controle moeten houden. Ik kan hier maar beter niet hoesten, denk ik bij mezelf: eeuwen aan Mexicaanse geschiedenis zouden tot stof vergaan... Al twee weken speur ik in het centrale hoogland van Mexico als een aasgier naar het spoor van een van mijn voorouders. Tot dusver is mijn prooi, Josefa Ortîz de Domínguez, me ontgaan. Maar misschien heb ik ditmaal beet.

David Saavedra Vega, al dertig jaar de bibliothecaris hier, heet me welkom. Natuurlijk heeft hij van Josefa gehoord. ‘La Corregidora’, zoals ze wel wordt genoemd, is nog altijd dé heldin van Mexico’s 19de-eeuwse Onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje. Ze had 14 kinderen. Saavedra glimlacht en zegt dat hij me misschien kan helpen.

Na een paar minuten komt hij met een stapel handgeschreven brieven uit 1806 aanzetten. De G’s en Q’s zwieren over het papier, ik moet denken aan de ganzenveren die ze hebben geschreven. De brieven zijn ondertekend door ‘Miguel Domínguez, Corregidor’ – magistraat en echtgenoot van Josefa – en voorzien van stempels van de Spaanse regering. Even later overhandigt Saavedra me een dik boek. Dít is wat ik zocht: de familiestamboom.

Generaties lang is er in mijn familie opgeschept over onze band met de grote Mexicaanse revolutionaire. Zonder de moedige inzet van Josefa, zo wil het verhaal, zou Mexico pas later onafhankelijk zijn geworden. (Na elf jaar strijd kon het Spaanse moederland niet anders dan de macht overdragen aan de Mexicanen.) Ik ben niet alleen trots op de rol die Josefa heeft gespeeld. Aan haar heb ik ook mijn passie voor de Latijns-Amerikaanse cultuur, keuken en ritmes te danken. Bovendien denk ik dat ze de oorsprong is van het rebelse trekje dat mij sinds m’n geboorte heeft gekenmerkt. Ik wil haar graag beter leren kennen.

Ik sla het boek open en moet denken aan mijn opa, die me als eerste over onze befaamde voorouder vertelde. Jaren geleden gaf hij mij een vaal biljet van twintig peso met het portret van Josefa erop. Ik heb het nu bij me.

Mijn zoektocht begint in Mexico-stad, waar reusachtige muurschilderingen, nóg grotere pleinen en een vriendelijke sfeer me dagenlang hadden kunnen afleiden. Maar ik reis naar het noorden, over de Ruta de la Independencia: een serie kronkelige bergwegen langs San Miguel de Allende, Dolores Hidalgo, Guanajuato en Querétaro — stuk voor stuk historische plekken.

Als ik een met cactussen bedekte heuvel bereik, op twee uur rijden ten noorden van Mexico-stad, klinken uit de krakende autoradio plots flarden van norteño-muziek, met zijn zware accordeonaccenten. Vóór me op de vluchtstrook drijven drie charros (cowboys) een kudde loshuidige Brahman-runderen voort, hun paarden op de hielen gezeten door stofwolken. Ik rijd de volgende heuvel over en dan ben ik in de buitenwijken van de welvarende stad Querétaro. Ik sla een historisch stuk weg in. Hier legde een ruiter op 13 september 1810 de zestig kilometer tussen Querétaro en San Miguel in volle galop af. Bij zich droeg hij een dringend bericht van een activiste genaamd Josefa — María Josefa Cresencia de la Natividad Ortiz Téllez-Girón de Domínguez, voor de volledigheid. Niemand weet wat er precies in de brief stond, maar de boodschap zou de geschiedenis ingaan: begin de revolutie! Meteen! Woedend dat Mexicanen nog altijd als tweederangsburgers werden behandeld, smeedden Josefa en haar mederevolutionairen in 1810 vanuit haar huis in Querétaro een plan om Mexico te bevrijden van het Spaanse juk. Maar de Spaanse overheid kreeg er lucht van en begon de samenzweerders op te pakken. Josefa’s echtgenoot Miguel, die van de activiteiten van zijn vrouw wist en haar wilde beschermen, had haar in huis opgesloten. Ze slaagde erin haar bericht via een sleutelgat aan een ruiter door te geven. Dit eenvoudige trucje zetten een reeks gebeurtenissen in gang die bekendstaan als de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Mijn eigen plan is wat minder ambitieus: ik wil het spoor van Josefa volgen, alles in me opnemen wat met die Mexicaanse revolutie te maken heeft – en onderweg ook nog wat mole tot me nemen.

In San Miguel tref ik een cultureel rijke stad aan, met een artistiekerig sfeertje en met weidse vergezichten, achterafsteegjes en plazas gedrenkt in muziek. Maar van mijn voorouder geen spoor. Mijn frustratie wordt verzacht door de uitnodiging om op een lokale boerderij een rodeo bij te wonen. De Rancho Santa Emilia is een juweel uit de negentiende eeuw, met paardenstallen waarvan de balken handmatig zijn uitgehakt. Als de rodeo begint, zie ik een voorbije eeuw langszwieren.

Met grote sombrero’s op galopperen charros in wolken van opstuivende rode aarde. Escaramuzas (vrouwelijke ruiters) rijden in amazonezit rond, in ruisende Spaanse dracht. Stieren snuiven, mariachi’s trompetteren. Een man in het publiek staat op, proost op de rodeo, slaat een shot tequila achterover en barst dan uit in een ballade over onbeantwoorde liefde. In zijn diepe basstem klinkt een nostalgie die me tot op het bot raakt. Dan valt het twaalfkoppige mariachi-orkestje in, en doorsnijden violen de avond. Het publiek gaat op in het rumoer. Stof zet zich vast op mijn bezwete gezicht. Mijn gedachten gaan terug naar de negentiende eeuw en naar Josefa.

Op 15 september 1810 bereikte het bericht van mijn ‘oma’ een medesamenzweerder, pater Miguel Hidalgo. Een dag later – nu Mexico’s Onafhankelijkheidsdag – begon Hidalgo om zes uur ’s ochtends zijn kerkklokken te luiden en hield een preek waarin hij het volk opriep in opstand te komen. Het was tijd om de wapens op te nemen, naar het zuiden op te trekken en de Spanjaarden naar huis te sturen.

Vanuit San Miguel is het een halfuurtje met de auto (in 1810 een halve dag te paard) naar het pleintje van de eenvoudige pueblo van Hidalgo. Er schalt kindergelach. Aan de plaza staat het schooltje El Colegio La Corregidora. Rond het gebouwtje zie ik overal plaquettes en bronzen bustes van Josefa. In het centrum staan standbeelden van pater Hidalgo en van haar. Ik bezoek het parochiekerkje waar Hidalgo zijn gemeente (van vooral boeren) opriep om een leger te vormen. Buiten brengt een vrouw met gesloten ogen en gegroefd gelaat een solo ten gehore. Als ik vraag waar het lied over gaat, zegt ze: ‘Over liefde en vrijheid.’

Ik reis verder naar Guanajuato. De bijna verlaten weg is een aaneenschakeling van bochten en vergezichten over de Sierra Gorda. Ik stuit op een paar rammelende vrachtwagens; de chauffeurs wuiven me langs. Na een uur rijd ik Guanajuato binnen terwijl de snoepkleurige architectuur van de stad voorbijflitst.

Eind september 1810. Met zijn rebellen spoedt Hidalgo zich in een goederentrein over de route die ik nu afleg. Ze bereiken Guanajuato en houden de revolutie op gang met een geslaagde verrassingsaanval op het Spaanse garnizoen. Een klein jaar later werden Hidalgo en zijn mannen in Chihuahua gevangen genomen en geëxecuteerd. Als waarschuwing aan de opstandelingen werden de hoofden van Hidalgo en drie van zijn luitenants in kooien aan de vier hoeken van een graanschuur opgehangen. Door dit morbide gebaar werd de opstand nog vuriger. Ik loop door de graanschuur, nu een openluchtmuseum, en bekijk een muurschildering van Hidalgo’s gekooide hoofd. Zijn brandende ogen volgen me.

Buiten wandel ik door een doolhof van steegjes en tunnels: een sfeervolle mix van Spanje en Mexico. Het is El Día de los Muertos (Allerheiligen, 1 november), de eerste van twee dagen van nationaal feestgedruis. Als ik bij de Jardín de la Unión kom, zie ik skeletten over het pleintje lopen. De menigte schaterlacht om een clown, mariachi’s houden strak de maat. Wat verder trakteer ik mezelf in Casa Valadez op een caesarsalade met een dressing van blauwe kaas. De volgende dag bezoek ik een kerkhof waar het wemelt van de mensen en de verse bloemen. Overal worden mini-schedeltjes van suiker verkocht. Op deze feestdag draait het om het herdenken van de overledenen. ’s Middags wandel ik naar de ommuurde erebegraafplaats die over het heuvelachtige Guanajuato en zijn hemelbestormende architectuur uitkijkt. Ik gedenk mijn eigen overleden voorouder. De avond valt wanneer ik naar het centrum terugloop. Schilderingen van skeletten, in gekleurd zaagsel, zijn als bij toverslag in de voetgangerszone verschenen. Ik zie een afbeelding van Hidalgo, met Josefa op de achtergrond. Maar ik heb genoeg portretten gezien. Ik wil de ware Josefa ontmoeten. Tijd om haar huis in Querétaro te bezoeken.

Het is niet mijn eerste verblijf in deze koloniale stad. Twintig jaar geleden vroeg ik een beurs aan om een semester in Spanje te studeren. Ik werd afgewezen en koos voor Querétaro. In de trein van Mexico-stad opende ik het pakje dat m’n opa me had meegegeven. Het bevatte het biljet van twintig peso met Josefa’s portret, een stapel brieven, een handgeschreven familiestamboom en een getypt kattebelletje: ‘Peto, het verheugt me te weten dat je naar Querétaro gaat. Je bent op weg naar het hart van jouw familiegeschiedenis.’ Tijdens mijn vier maanden durende studieverblijf probeerde ik de familielegende te ontrafelen, maar m’n beroerde Spaans – en talloze afleidingen voor een jongeman – beperkten mijn zoektocht.

Tegenwoordig lijkt Querétaro dubbel zo groot als ik me herinner. Al snel vind ik de Calle Corregidora en loop ik door vaag herkenbare straten naar het centro histórico en La Casa de la Marquesa. Dit hotel in de buurt van de centrale plaza is de ideale uitvalsbasis voor mijn onderzoek. De naam van mijn kamer: Doña Josefa. Echt waar.

Ik kuier door de stad en wordt op elke straathoek door een gevoel van déjà vu overvallen. Het standbeeld van Josefa heerst over de Jardín de la Corregidora en ziet er levendiger uit dan ik me herinner. Busladingen aan schoolkinderen trekken langs, om eer te betonen aan deze vrouw, die ‘populairder is dan ooit, dankzij het internet’, vertelt een leraar me.

Jaren geleden, toen ik hier studeerde, waren deze straten verlaten. Nu wemelt het hier van de restaurants en sjieke bars. En net als in elke stad die ik op La Ruta de la Independecia aandeed, drijft overal muziek uit de open deuren naar buiten.

Ik beklim het aquaduct dat over de stad uitkijkt. Pal daarboven ligt de erebegraafplaats van Querétaro, met de tombes van Josefa, haar man, Hidalgo en andere hoofdrolspelers uit de Onafhankelijkheidsoorlog. Ik hoor twee vrouwen praten over de revolutie. Ik vraag hen naar Josefa. De kleinere vrouw kijkt me aan en maakt een gebaar: met haar rechterhand in een komvorm doet ze alsof ze iets weegt ter hoogte van haar kruis. Ze grijnst, en ik begrijp het helemaal.

‘Huevos,’ zegt ze, ‘huevos grandes.’

De grotere van de twee is het niet met haar eens. ‘Ze deed gewoon haar plicht,’ zegt ze. Uiteraard beseffen ze niet dat het over een familielid van me gaat.

De volgende dag bezoek ik Josefa’s huis, nu het voornaamste overheidsgebouw van de stad. Twee gidsen laten me de statiezaal zien. ‘Alle plechtigheden vinden hier plaats,’ zegt een van hen. Het is dezelfde kamer waar Josefa haar ‘Begin de revolutie!’-bericht door een sleutelgat schoof en de loop van de geschiedenis veranderde. Als haar nazaat en – zo denk ik – als een zielsverwant, vraag ik me onwillekeurig af of ikzelf een revolutie zou kunnen beginnen? Heb ik er de huevos voor?

Mijn laatste stop is het Museo Regional van Querétaro, en vooral de bibliotheek. Ik neem de tijd als een medewerker me het boek overhandigt waarnaar ik heb gezocht. Dit is het einde van mijn reis. Ik sla het open en haal de handgeschreven stamboom van mijn opa uit m’n zak. In het officiële diagram zoek ik naar de namen die ik in de brief van mijn opa heb bestudeerd. Ik ga heen en weer tussen boek en brief. Alles lijkt te kloppen. Domínguez past bij Domínguez.

Maar dan lijkt er iets mis te gaan. Ik check de namen nog eens, en dan nog een paar keer. De lijsten komen niet overeen. De achternamen van Josefa’s kleinkinderen staan niet in de brief. Dan zie ik een biografietje over haar vijfde zoon, Miguel (de vermeende link met onze familie). Hij verhuisde naar het zuiden van Mexico (waar ‘onze’ Domínguez-tak woonde), maar over zijn leven daarna is weinig opgetekend. Hij trouwde, maar had geen huwelijksakte en geen kinderen. Dan staat er in het Spaans: ‘Eén familie claimt verwantschap, maar van hen is bewezen dat het bedriegers zijn.’

Buiten stopt de marimbamuziek. Over de zaal glijdt een schaduw. Ik besef dat ik niet degene ben die ik dacht te zijn. Ik stam niet af van een beroemde revolutionaire. Door mijn aderen stroomt niet het bruisende bloed van Mexico’s heldin. Mijn nietrevolutionaire sangre begint te koken. Bedriegers! Mijn band met de geschiedenis een leugen!

Maar klopt dit wel? Er zijn natuurlijk altijd onwettige kinderen. Na de executie van Hidalgo werd Josefa door een bataljon naar Mexico-stad ‘geëscorteerd’. De legende wil dat ze iedere soldaat in het gezicht spuugde. Josefa kreeg acht jaar cel. Was het in die periode dat ze heimelijk een vijftiende kind baarde? Of had haar zoon Miguel misschien een onwettig kind?

Maakt het eigenlijk iets uit?

Op mijn laatste avond in Querétaro ontdek ik een Oaxacaans eethuisje, María y su Bici, waar je kunt kiezen uit twaalf variëteiten mole – de dikke en ongelooflijk bewerkelijke ‘geheime’ saus van Mexico. Na wat smeekbeden mag ik ze van de ober allemaal proeven. Mensen zitten gebroederlijk aan tafels, drinken tequila en tappen moppen. Heerlijk simpel plezier naast luxueus heerlijke mole. Voor deze beste mensen zou ik zonder probleem een revolutie beginnen. Twee muzikanten beginnen boerenwijsjes te spelen die me doen zuchten van weemoed. Ik besluit om Josefa Ortíz de Domínguez, La Corregidora, als mijn revolutionaire oma te adopteren. Mijn opa zou het goed hebben gevonden. De latino in mij mag dan niet het dna van Josefa hebben geërfd, zijn gemoed loopt nog altijd over bij het gekweel van mariachi’s.

Lees meer