Milieu

Deze man woonde 40 jaar alleen in het woud en verzamelde een schat aan weersgegevens

Op een zekere ochtend begon billy barr in de Rocky Mountains van Colorado met het verzamelen van weersgegevens. Veertig jaar later vormen zijn 12.000 bestanden een goudmijn voor klimaatwetenschappers. donderdag, 9 november 2017

Door Rachel Brown

Als je iets wilt weten over het weer in Gothic, Colorado, dan moet je bij billy barr wezen.

Als je wilt weten hoe je bevriend raakt met een boommarter of hoe je een plaatselijke cricketcompetitie opstart, dan moet je ook bij billy wezen.

Maar het is de verbluffende stapel weersgegevens waarmee billy wereldwijd naam heeft gemaakt. Als jonge student milieustudies voelde billy zich aangetrokken tot het ooit verlaten dorp Gothic en nam zijn intrek in een oude mijnhut. Later bouwde hij er zijn eigen huis, dat volledig door zonne-energie van elektriciteit wordt voorzien.

Sinds de winter van 1974 heeft de nu 66-jarige wetenschapper elke dag weersgegevens verzameld: temperatuurmaxima en -minima; totale sneeuwval; sneeuwdiepte; waterinhoud en -dichtheid. En ook de tijdstippen waarop dieren opduiken, weer verdwijnen en migreren.

Wat ooit begon als een combinatie van persoonlijke nieuwsgierigheid en een neiging om alles bij te houden – “Ik heb de statistieken van de Philadelphia Phillies sinds 1961, als je dat interesseert,” zei billy tegen me – mondde uit in een bron van onschatbare waarde voor wetenschappers van alle mogelijke snit. De gegevens van billy zijn al in talloze academische publicaties genoemd en zijn vooral van grote waarde gebleken voor diegenen die de gevolgen van de klimaatverandering bestuderen.

Hij nam even vrij van zijn werk in het Rocky Mountain Biological Laboratory voor een gesprek met National Geographic, over observeren in de winter (en over wat te doen als je genoeg krijgt van observeren in de winter).

Oké, waarom schrijf je je naam zonder hoofdletters?

Dat is allemaal onzin. Toen ik hier in 1972 kwam, had ik een kamergenoot die dat ook deed, dus probeerde ik het met mijn eigen naam. Het zag er gewoon veel natuurlijker uit. Het deed me meer aan mijzelf denken dan wanneer ik die grote B’s zag staan. Zo is het begonnen en daarna raakte ik eraan gewend.

Waarom besloot je in Gothic te blijven?

Ik was erg overspannen. Ik was niet gelukkig toen. Het was niet zo dat ik zei: “O, nu ik ben genezen! Nu ik hier ben, is alles geweldig.” Maar ik merkte meteen toen ik hier kwam dat ik kalmer werd. Dus wilde ik blijven. Ik ging ervan uit dat ik eerst zou afstuderen en dan hier zou komen werken, maar daarna dacht ik bij mezelf: ‘Wacht eens, ik ben hier nu toch?”

Wat bracht je ertoe om weersgegevens te gaan verzamelen?

Als je in de stad woont, leer je hoe je moet oversteken. Soms steek je over terwijl de stoplichten op rood staan omdat er geen verkeer is – overal waar je woont, leer je de omgeving kennen. Dit was dus mijn omgeving. De sneeuw beïnvloedt alles wat ik doe, toen en nu.

Ik hield ook alles bij – wat overigens niet veel was, want het is hier tamelijk rustig in de winter. Maar ik schreef elke dag op welke vogels ik zag, welke zoogdieren ik zag. Dat vond ik leuk om te doen en het interesseerde me. Dus ben ik er tientallen jaren lang mee doorgegaan, en na tientallen jaren is het opeens bruikbaar voor anderen geworden.

Hoe ging dat in z’n werk?

Op een bepaald moment in de jaren negentig zei ik tegen [de botanist] David Inouye dat ik deze gegevens had. Hij deed al net zolang studie naar de fenologie van planten en observeerde elke zomer de opmars en activiteit van bloeiende planten, jaar in, jaar uit. En het kwam overeen met mijn weersgegevens!

Hij legde het allemaal op wetenschappelijke wijze bij elkaar en gaf het toen aan andere mensen door, die onderzoek deden naar zoogdieren en planten en dergelijke.

Ik slaap ’s nachts niet veel en ik kreeg er genoeg van de hele nacht in bed te liggen en naar het nieuws te luisteren, dus een paar jaar geleden ben ik ook zelf begonnen eens goed naar mijn gegevens te kijken. Toen begon ik trends in de weerspatronen te herkennen, door elke maand van elke winter uit te tekenen – het staat nu allemaal op mijn website.

Heb je in de periode dat je deze gegevens hebt bijgehouden ook veranderingen gemerkt in de discussies over klimaatverandering?

Nou, toen ik begon, bestond er nog niet zoiets als klimaatverandering. Ik ben blij dat ik door niets en niemand werd gestuurd, alleen door mijn nieuwsgierigheid, want ik denk dat je mij moeilijk kunt verwijten dat ik zomaar wat in m’n hoofd heb gehaald. Ik bedoel, ik heb 12.000 bestanden.

Klimaatverandering werd pas tien of vijftien jaar geleden een thema. Dat is dus nooit het uitgangspunt van mijn gegevens geweest, behalve dat ik ernaar keek en duidelijke trends zag. Bijvoorbeeld dat we in de afgelopen drie winters 67 recordmaxima’s hebben gehad, of dat 48 procent van mijn maxima’s sinds 2010 zijn gemeten – over 44 jaar aan gegevens. En dat 47 procent van de recordminima in de eerste tien jaar van mijn observaties vallen. Dat zijn trends.

Hetzelfde met het sneeuwpak. We hebben acht dagen minder sneeuwbedekking dan we gewend waren. Als je het over planten en dieren hebt, dan is dat aanzienlijk, vooral in hoger gelegen gebieden. Voor sommige dieren kan het positief zijn, voor andere negatief. Vooral als ze migreren en het startsignaal is de sneeuwbedekking, om bijvoorbeeld naar Midden-Amerika te trekken – dan komen ze daar en zijn al hun planten weg.

Feit is dat het klimaat verandert – of je dat nu gelooft of niet. Als je naar mijn gegevens kijkt, zie je geen rechte lijn. Het gaat over zo’n veertig jaar, niet over vierhonderd jaar, maar het is toch informatie.

Jouw gegevens hebben veel aandacht gekregen. Heeft dat voor jou iets veranderd?

Dat denk ik niet. Het was vermakelijk om al dat gedoe op internet te zien, vooral omdat het in tijden van zware sneeuwval gebeurde – het was een leuke afleiding.

Ik wacht nog op een telefoontje van Hollywood of Bollywood, maar ze bellen niet! Ik begrijp het niet.

Hoe waren de winters in die eerste zeven jaar, toen je in een hutje van tweeënhalf bij drie meter woonde?

Het was zó belangrijk om daar te blijven dat ik het destijds niet erg vond. Nu droom ik letterlijk één- of tweemaal per jaar dat ik daar weer woon en dan schrik ik wakker – “Mijn God, dat niet nog een keer!” Je zou er je brandhout nog niet eens in opslaan, zo vervallen was die hut.

Ik zat daar de hele winter opgesloten, met m’n voeten op de kookstoof omdat ik de hut niet echt warm kreeg. Ik zat daar en las. Toen vond ik het geweldig.

Hoewel ik het nu niet meer zou doen, was dat leventje interessant omdat je de dieren niet buiten kon houden. Dus je had allerlei beesten die langskwamen. Er was een stinkdier dat binnenkwam, maar anders dan de boommarter, die heel goed kan klimmen, kon hij niet meer naar buiten. Dan pakte ik een bezem en schoof hem gewoon door de voordeur naar buiten. En als-ie dan buiten stond, gaf ik hem een tik op de rug, zodat hij wist: “Als ik in het huis kom, krijg ik een mep met de bezem.” Dat moest ik zo’n zes keer doen.

Toen kreeg het dier door dat het, eenmaal buiten, een mep met de bezem zou krijgen. Dus posteerde hij zich binnen op de vloer en bleef zitten waar hij zat, wat ik ook probeerde. Uiteindelijk duwde ik hem echt hard omver, op zijn rug, zodat hij me niet kon besproeien, maar hij draaide zich meteen weer om, sproeide de hut onder en rende naar buiten.

Twee dagen lang stonk het vreselijk. Bedenk wel dat ik nergens anders naartoe kon. Ik sprenkelde kerosine op de vloer en stak het aan om te kijken of ik de geur kon verwijderen. Iemand had me verteld dat je de stank met tomatensoep kunt wegkrijgen. Nou, dat lukte dus niet. Ik had ketchup, probeerde het, maar het hielp niets.

Bij het nieuwe huis zorgde ik ervoor dat er geen dieren meer binnen konden komen.

Wat ga je nu doen?

Ik ben nog lang niet klaar. Ik ben eigenlijk nog maar pas begonnen. Toen er computers kwamen, ben ik begonnen de gegevens in Excel in te voeren, wat het veel gemakkelijker maakt. Dat doe ik elke dag. Veel van de gegevens die voor de meeste mensen interessant zijn – nou ja, voor de meeste mensen natuurlijk niet – staan online. Ik heb zóveel onbewerkte gegevens, dus telkens wanneer ik aan iets nieuws begin, duurt het erg lang.

Ik ben in goede gezondheid. Vorige winter heb ik bijna duizend kilometer geskied. Maar ik ben ook 66 en er kan van alles gebeuren. Ik ben van plan om hier zo lang mogelijk te blijven – nog minstens vijf jaar, dan heb ik de gegevens van vijftig winters. Maar hopelijk kan ik langer blijven.