Reizen

De gevaren van dzud, de dodelijke Mongoolse winter

Op de Mongoolse hoogvlakte zijn nomadische herders overgeleverd aan de grillen van deze extreme winters. Wetenschappers hebben moeite het dodelijke fenomeen te verklaren. vrijdag, 4 mei 2018

Door Michelle Z. Donahue
Foto's Van Katie Orlinsky

Voor de tweede keer in dit decennium heeft extreem winterweer op de Mongoolse steppe geleid tot het afsterven van grote aantallen schapen, geiten, runderen en kamelen – dieren waarvan traditionele herders voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn.

Vanwege aanhoudende droogte kampt het vee van de nomaden met een tekort aan graasvoer op de steppes langs de noordgrens met Rusland, waardoor de dieren veel magerder dan normaal de winter ingingen. Als er op deze rampzalige winter ook nog een magere lente volgt, zouden veedieren hun vetreserves sneller moeten verbruiken en moeten herders hun hooivoorraden maanden eerder dan normaal aanspreken.

In de afgelopen maand januari vielen de temperaturen op de Mongoolse hoogvlakte tot vijftig graden onder nul (ruim vijfenhalve graad lager dan normaal), waardoor zevenhonderdduizend dieren omkwamen.

Strenge winters waarin grote aantallen veedieren afsterven, zijn in Mongolië een dusdanig gebruikelijk fenomeen dat de bevolking er een aparte term voor heeft: dzud. Onder de nomaden heerst de mening dat de dzud in de afgelopen jaren steeds vaker voorkomt en ook extremer lijkt te worden.

Patrick Nicholson, woordvoerder van de katholieke hulporganisatie Caritas, bracht in januari een bezoek aan de Mongoolse provincie Uvs en sprak er met mensen over de dzud van dit jaar. Volgens hem denkt de plaatselijke gouverneur, die de naam Batjargal draagt, dat het probleem nog wordt verergerd door klimaatverandering en overbegrazing.

“We hadden altijd vier seizoenen, nu hebben we er nog maar drie,” zei Batjargal tegen Nicholson. “Vroeger waren juni, juli en augustus warme maanden met regen. Dan groeiden er verschillende soorten gras en konden de dieren zichzelf vetmesten. Nu hebben we geen regenval, terwijl de wind het gras uitdroogt. Het is niet meer zoals het vroeger was.”

Dat is niet alleen een bedreiging voor veedieren, maar ook voor de levenswijze van de nomaden als geheel: zonder veedieren om in hun levensonderhoud te voorzien, zijn honderdduizenden herders al naar de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar getrokken, in de hoop hun kinderen naar school te kunnen sturen en werk te vinden.

Het zoeken naar oplossingen wordt bemoeilijkt door het feit dat dzuds lastig zijn te voorspellen. De omstandigheden die tot deze rampzalig strenge winters leiden, zijn moeilijk af te bakenen, zegt klimaatonderzoeker Bradfield Lyon van de University of Maine.

“Er is niet één patroon dat we kunnen identificeren en waarvan we dan zeggen: kijk, dat veroorzaakt de problemen,” zegt hij. “Zelfs met behulp van langetermijnvoorspellingen blijft het moeilijk te bepalen hoe lang deze fenomenen aanhouden. Er zijn gewoon te veel variabelen in de patronen van de atmosfeer.”

Rampen voorspellen

Er komen verschillende soorten dzuds voor: de ‘witte dzud’, met zware sneeuwval, waardoor veedieren hun graasvoer niet kunnen bereiken; de ‘zwarte dzud’, met een tekort aan neerslag en lange, dorstige maanden; de ‘ijzeren dzud’, winters met een korte dooi en een lange periode van bevroren grond die moeilijk is te begrazen; en de ‘koude dzud’, met extreem lage temperaturen waardoor veedieren hun vetreserves uitputten.

Tussen 1940 en 2015 werd twaalfmaal een officiële ‘dzud-waarschuwing’ afgekondigd en sinds het begin van deze eeuw heeft het fenomeen al aan ruim twintig miljoen dieren het leven gekost. Maar volgens Nicholson kreeg hij van de mensen met wie hij sprak te horen dat de dzud steeds vaker optreedt. Terwijl zeer strenge winters vroeger misschien eens in de tien jaar voorkwamen, keren ze in sommige delen van de steppe inmiddels elk jaar terug.

Uit een analyse van weerspatronen en klimaatmodellen komt naar voren dat droogte een doorslaggevende factor zou kunnen zijn.

De zomertemperaturen liggen anderhalve graad hoger dan het gemiddelde van de afgelopen eeuwen, en dat komt overeen met een ongebruikelijk lang aanhoudende periode van geringe neerslag, aldus Oyunsanaa Byambasuren van de Nationale Universiteit van Mongolië, die boomringen bestudeert om inzicht te krijgen in klimaat- en neerslagpatronen in het verleden.

Mongolië is volledig door landmassa omsloten en heeft daardoor een woestijnachtig landklimaat, te vergelijken met de hooglanden van de Amerikaanse staat Montana. Het land staat bekend om zijn sterk variërende regen- en temperatuurpatronen. En hoewel de gemiddelde jaarlijkse neerslag stabiel blijft, blijkt uit een reconstructie van zomerse droogten aan de hand van de ringen van een 2060 jaar oude boomstam dat de recente droogteperiode vergeleken met de afgelopen duizend jaar ongebruikelijk is. Maar Byambasuren waarschuwt ervoor dat er te weinig gegevens over langere perioden beschikbaar zijn om te kunnen vaststellen of dit fenomeen buiten de normale variaties op nog langere termijn valt.

Ook de vaker optredende hogedruksystemen kunnen een deel van het probleem zijn. Wanneer er een aanhoudende rug van hoge luchtdruk optreedt, zoals het hogedrukgebied dat in 2010 boven Rusland bleef hangen en een verwoestende hittegolf teweegbracht, neemt de regenval doorgaans sterk af. Dat betekent minder water voor het gras, en vermagerde dieren voordat de winter invalt. Maar de tot nu toe zwaarste verliezen aan vee als gevolg van een dzud – 9,7 miljoen dieren – vond in het jaar ervóór plaats.

Die chronologie bevestigt de overtuiging van onderzoeker Troy Sternberg van de University of Oxford dat droogte misschien niet de doorslaggevende factor is. In zijn onderzoek ontdekte hij dat slechts drie van 32 eerdere dzuds werden voorafgegaan door droogte.

“Wanneer berichten over dzuds worden verbonden met droogte, wordt er niets gezegd over de ernst van die droogteperioden – een terugkerend verschijnsel in al het onderzoek naar dzuds,” schrijft hij. “Dat er in andere onderzoeken niet afzonderlijk is gekeken naar de droogtefactor, is misschien niet verrassend, gezien de overheersende hypothese van het verband tussen droogte en dzud. Dat is een groot hiaat in het onderzoek.”

Byambasuren denkt dat hogere zomertemperaturen en droogte belangrijke factoren zijn, maar hij is het met Sternberg eens dat er meer onderzoek nodig is.

“In wetenschappelijke bronnen en in berichten uit de bevolking worden deze droogteperioden toegeschreven aan de door de mens veroorzaakte klimaatverandering, maar de gegevens die met instrumenten over de neerslag zijn verzameld zijn schaars en de satellietgegevens bestrijken slechts een korte periode. Daardoor is het lastig om te beoordelen of de droogten die in onze eeuw optreden, al dan niet ongekend zijn,” zegt hij.

Traditionele aanpak

Terwijl wetenschappers worstelen met de vraag waardoor de dzuds precies worden veroorzaakt, proberen herders uit alle macht nieuwe strategieën te bedenken om hun kuddes te redden.

Nomadische herders baseren hun voorbereidingen voor de winter doorgaans op het observeren van hun omgeving, zegt Byambasuren. Als ze bijvoorbeeld zien dat marmotten en andere plaatselijke knaagdieren al vroeg onder de grond verdwijnen, is er een strenge winter op komst.

Families kunnen de wintersterfte dan verminderen door de oude en zwakke dieren in hun kudde nog vóór de winter te slachten en de resterende dieren vet te mesten door ze naar plekken te voeren waar meer gras groeit.

Na enkele strenge dzuds zijn sommige gemeenschappen meer gaan samenwerken. Ze verbeteren de algehele leefomstandigheden en de veiligheid van de dieren door gezamenlijk kuddes te slachten, wintervoorraden aan te leggen, graasroosters af te spreken om overbegraasde gebieden de kans te geven zich te herstellen en andere maatregelen te nemen.

Internationale en religieuze hulporganisaties als Caritas komen de herders die op de steppe blijven, te hulp: ze leveren hooi, dierendekens en diergeneesmiddelen. Deze groepen staan de herders ook bij in het plannen voor strenge winters – hoewel die strategie op den duur onhoudbaar kan blijken te zijn, mochten de dzuds elk jaar terugkeren.

Volgens fotografe Katie Orlinsky, die samen met Nicholson naar Mongolië reisde om te berichten over de herders die dit jaar door de dzud zijn getroffen, gebruiken de mensen daar niet vaak de term ‘klimaatverandering’. Maar ze beseffen wel dat er iets is veranderd en maken zich zorgen over de toekomst.

“De kou kennen ze hier heel goed, maar de warmte is iets nieuws,” zegt Orlinsky. “Deze traditionele levenswijze staat voor een bijna onmogelijke opgave. Het is hartverscheurend.”

Katie Orlinsky maakte deze foto’s tijdens haar reis voor de katholieke hulporganisatie Caritas.