Turkije

Istanbul: Stad van de toekomst

Istanbul ligt op het kruispunt tussen Oost en West. Het is een stad met een gelaagd verleden en een spannende, onvoorspelbare toekomst. donderdag, 9 november 2017

Door Pico Iyer
Foto's Van Dave Yoder

Ik weet al jaren dat Istanbul zichzelf graag ‘de coolste stad van Europa’ noemt. Wat ik ook weet, is dat het een uiterst complexe stad is – het kloppend hart van een land dat voor 98 procent islamitisch is en waar tegelijkertijd steeds meer mensen nippen van verrukkelijke cocktails met de smaak van watermeloen. Een lcd-scherm in de Blauwe Moskee geeft de tijd aan in Parijs en Tokio. Enkel in New York, Moskou en Londen wonen meer miljardairs dan in de meest kosmopolitische metropool van Turkije. Op weg naar winkelcentrum Istinye Park zag ik in een straat voor de chique winkels van Armani, Gucci, Vuitton en Dior een hele reeks Aston Martin DB9’s en Bentleys geparkeerd staan. In deze stad komen, volgens mijn collega’s en heel veel trotse inwoners van Istanbul, de islamitische en de westerse wereld samen. De stad slaat letterlijk en figuurlijk een brug tussen Europa en het westelijkste deel van Azië. 

En toch werd ik onlangs weer verrast door de levendige sfeer en het eigentijdse straatbeeld. In het Sofa Hotel werd ik in de lift getrakteerd op een psychedelische lichtshow: op elke verdieping viel door de transparante wanden een andere kleur licht de kleine ruimte binnen. En op mijn wandeling terug naar het centrum zag ik een in chador gehulde vrouw een filiaal van Starbucks binnengaan om wat Turks fruit met espresso-smaak te kopen. 

Wij buitenlanders zien Istanbul graag als de enige stad op aarde met één oever in Azië en één in Europa. De beroemde Turkse schrijver Orhan Pamuk beschrijft in zijn roman Istanbul: Herinneringen en de stad op treffende wijze de wisselwerking tussen het oude (lees: lokale en islamitische invloeden) en het nieuwe (lees: westerse invloeden en seculiere elementen). Deze tegenstellingen zorgen soms voor ongemakkelijke situaties: zo moest ik door een detectiepoortje voor ik de bioscoopzaal binnen mocht. En Pamuk zelf, een van de beroemdste hedendaagse Turken, moest in 2005 voor de rechter verschijnen omdat hij zich had uitgelaten over het onrecht dat zijn land de Armeniërs in 1915 heeft aangedaan. (In 2006 werd hem, misschien wel als gevolg van deze zaak, de Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt.)

Er is geen stad op aarde die de huidige, moderne tijd beter weerspiegelt dan deze, en dat maakt Istanbul zo fascinerend. Toen ik op een ochtend bij het krieken van de dag al wakker was, klonk vanaf alle minaretten de oproep tot gebed – en daardoorheen ving ik flarden op van bonkende hiphopmuziek uit een auto. 

Je zou mij een wereldburger kunnen noemen: mijn ouders komen uit India, maar ik ben in Engeland geboren. Mijn jeugd bracht ik door in Californië, maar ik woon nu al een poos in Japan. Niet zo vreemd dus, dat ik op mijn reizen steeds op zoek ben naar steden waar verschillende culturen en identiteiten zich – net als in mijzelf – met elkaar proberen te vermengen tot een kleurig mozaïek. Veel mensen roemen Istanbul om het complexe en gelaagde verleden, compleet met harems en moskeeën en begraafplaatsen en bazaars. Wat mij echter vooral aanspreekt is dat Istanbul een kijkje in de toekomst biedt. Het verbaasde me dan ook niet dat president Obama er nog geen drie maanden na zijn eerste inauguratie op bezoek ging.

Istanbul is als reisbestemming heel geliefd, en meteen na aankomst wist ik weer waarom: er heerst een ongekend energieke sfeer. Istanbul dankt zijn zelfvertrouwen tot op zekere hoogte aan het feit dat de stad in het verleden tot driemaal toe het centrum van de wereld is geweest. Eeuwenlang onderhield men hier betrekkingen met Europa, met Rusland in het noorden, met Iran in het oosten en, nog verder oostwaarts, met landen in Centraal-Azië. Vergeleken met Dubai of Abu Dhabi is Istanbul beter toegerust op de toekomst, juist doordat de regio zo’n rijke historie heeft en voortdurend in contact heeft gestaan met uiteenlopende culturen. In de Kruidenbazaar zag ik Japanse teksten voorbijkomen op lcd-schermen (terwijl de verkopers hun waren in rad Frans, Portugees en Spaans aanprezen, en mij ondertussen in het Engels toeriepen dat hun spullen die dag zo goed als te geef waren). Op een druilerige ochtend haastten ondernemende verkopers zich bij de allereerste regendruppels naar de Hagia Sophia om bij de toeristenbussen hun paraplu’s te verkopen. En in het goedkopere deel van de oude wijk Sultanahmet heb ik heel wat trotse, jonge Turken in leren jasjes zien rondlopen met stralende Koreaanse vriendinnen aan hun arm. 

In een buurt waar in 1986 nog maar een handjevol gerestaureerde Ottomaanse boetiekhotels te vinden was, kunnen gasten nu terecht op zo’n 200 adresjes, en het aanbod neemt nog altijd toe. Deze ondernemersgeest zie je overal in de stad, en ik moest daardoor denken aan steden als Mumbai en Sjanghai, die zware beproevingen met glans te boven zijn gekomen. Hoewel er pikante Italiaanse modereclames te zien zijn (in het Aziatische deel van de stad) en straatverkopers om negen uur ’s avonds vanaf een kleedje speelgoed en elektrische scheerapparaten aan de man brengen (aan Europese zijde), vrezen sommigen toch dat Istanbul op weg is het volgende Beiroet te worden: een hippe maar ontwrichte stad. Op dit moment is meer dan 97 procent van Turkije Aziatisch, en dat maakt Istanbul tot een anomalie – én een baken voor de toekomst. Herbergde de stad in 1920 slechts 500.000 inwoners, nu zijn het er 25 keer zoveel. Vanuit Anatolië is een toevloed op gang gekomen van mensen die hopen in de grootste stad van het land een beter bestaan te kunnen opbouwen, maar tegelijkertijd bang zijn zich te moeten aanpassen aan seculiere, Europese waarden. 

Net als alle andere snelgroeiende steden ter wereld worstelt Istanbul met de vraag hoe de metropool kan meegaan in de vaart der volkeren zonder het eigen karakter te verliezen. En in de grootste stad van Turkije lijkt deze kwestie toch wat neteliger dan elders. ‘Dit is het oostelijkste deel van het Westen en het westelijkste deel van het Oosten,’ zei een van de middelbare scholieren in de provinciehoofdstad Isparta die ik (met hun Amerikaanse leraar als tolk) vroeg wat ze van Istanbul vonden. Hij liet zich er niet over uit of dit volgens hem zou leiden tot wrijving of assimilatie. 

Ik was in een van de oudste en interessantste steden ter wereld en kon me natuurlijk niet beperken tot activiteiten die ik net zo goed in Santa Monica of Tokio had kunnen ondernemen. Na die avond in Ortaköy was het hoog tijd om eens een kijkje te nemen in Oud-Istanbul. Ik nam een taxi naar de heiligste plek in de wijk, de Eyüp Sultanmoskee, en werd geroerd door de aanblik van gelovige vrouwen die zich, door verdriet overmand, hadden verzameld bij het graf van Abu Ayyub al-Ansari, een vriend van de profeet Mohammed. Ik bezocht het Museum voor Turkse en Islamitische Kunst, niet ver van de Hippodroom en tegenover de Blauwe Moskee. Een paar keer ben ik, als ik moest wachten op een veerboot, aan de overkant van de straat even de Kruidenbazaar binnengegaan. Door de smalle winkelstraatjes liep ik dan naar de onopvallende trap die toegang geeft tot de schitterende (maar vrij rustige) Rüstem Pasjamoskee. Natuurlijk stond ook het Topkapipaleis op mijn lijstje. Op de dag van mijn bezoek was ik speciaal vroeg opgestaan en had daardoor de harem en de oogstrelende mooie tuin eromheen bijna helemaal voor mezelf. Ik was er zo van onder de indruk dat ik een paar dagen later, op dezelfde tijd, nog eens ben gegaan. En elke avond slenterde ik op mijn gemak door de schaars verlichte steegjes van de wijk Sutanahmet, waar mijn hotel stond. Vlak voor sluitingstijd nam ik een kijkje in de Sokollumoskee en dwaalde daarna een hele poos rond in de wirwar van straatjes die, met de toeristische wijk om de hoek, toch iets van zijn oorspronkelijke karakter had weten te behouden. Daar proefde ik iets van het mysterie van een oude stad waar het heel anders toegaat dan ik gewend was. 

Hoewel ik genoot van al die historische pracht, probeerde ik Istanbul te blijven zien door de ogen van een Turk, voor wie deze levendige stad een blik op de toekomst biedt. Toeristen zijn vooral gecharmeerd van de Turkse elementen, maar de ontelbare Turken die toestromen vanuit het binnenland, hebben voornamelijk oog voor het hippe, het internationale. Een van de scholieren in Isparta zei: ‘In Turkije zeggen we: Istanbul is gebouwd op goud.’ 

Daar heeft het, in elk geval in de boetieks en cafés van de rijkere buurten, inderdaad alle schijn van. Na een paar dagen in een hotel gezeten te hebben tegenover de Blauwe Moskee in Sultanahmet, verkaste ik naar het Bentley Hotel in de wijk Nisantasi. Op een tafeltje in de minimalistisch ingerichte, zwart-witte lobby lagen Zweedse glossy’s uitgespreid. Bij de balie hing een ingelijste brief van een kardinaal die onlangs in het hotel had overnacht tijdens een reis met de paus. Nadat ik mijn intrek genomen had in een kamer vol modern design, nam ik een taxi naar het Istanbul Modern. De uitbundige doeken daar leken speciaal te zijn opgehangen om buitenlandse bezoekers ervan te overtuigen dat het hedendaagse Turkije niet van plan is zich door wie dan ook in een hokje te laten stoppen. 

Het was een heerlijk zonnige dag en daarom besloot ik een tochtje te maken over de Bosporus. Terwijl ik aan boord de fraaie yali (aan de waterkant gelegen zomerhuizen) aan me voorbij zag trekken, bedacht ik me hoezeer rijkdom en stijl altijd met deze regio verbonden zijn geweest. De schrijver Gustave Flaubert, die Istanbul in 1850 bezocht, zei al dat dit nog eens hoofdstad van de wereld zou worden. Toen ik een beetje bekomen was van al dat fraais langs de oever, ging ik aan wal in Yeniköy en nam daar de bus terug naar de stad. De route voerde over een smalle, kronkelende weg langs de waterkant. 

De prachtige plaatsjes die we onderweg passeerden staken fraai af tegen het blauw van een wolkenloze hemel. Ik stapte uit bij het Sakip Sabanci Museum, waar een groepje welgestelde inwoners van Istanbul, uitgestrekt op de gazons van het museum, naar live jazz lag te luisteren en stukjes watermeloen verorberde. Het museumrestaurant werd in 2007 door het blad Wallpaper uitgeroepen tot een van de hotste nieuwe eetgelegenheden ter wereld. Ik liep in zuidelijke richting verder naar Bebek, waar ik een Starbucks vond met een fraai terras aan de Bosporus. Uitkijken over de dobberende bootjes, de witte huizen aan de oever en het verkeer op de grote hangbrug zou ik me net zo goed in Sausalito of een van die andere leuke plaatsjes rondom San Francisco kunnen bevinden. Te midden van de oude houten huisjes in het nabijgelegen Arnavutköy zaten jonge stelletjes te eten op fleurige terrasjes, alsof ze wilden uitbeelden wat veel jonge Turken van buiten de stad the good life zouden noemen. 

‘Sinds 2007 doet zich in Turkije een paradoxale situatie voor. Een democratisch gekozen partij met een islamitische grondslag deed het zeer goed, en toch bleef de seculiere republiek overeind die in 1923 werd gesticht door Kemal Atatürk,’ vertelt Manoutchehr Eskandari-Quajar, hoogleraar politicologie in Californië. En het is minstens zo bijzonder dat het Turkse leger de nieuwe regering niet met geweld omvergeworpen heeft. Als Turkije dit evenwicht weet te behouden, legde een bevriende Midden-Oostenexpert me uit, dan zag de Turkse toekomst er rooskleurig uit. Maar cultureel gezien leek het land zich op glad ijs te begeven. 
Drie weken voor mijn bezoek was er een rookverbod afgekondigd voor alle koffiehuizen en eetgelegenheden. Dit leek mij net zo haalbaar als het verbieden van rode wijn in Parijs of het eten van noedels in Beijing. Boze horecaondernemers trokken luid protesterend door de straten. Ze beweerden dat het rookverbod een omzetdaling van 80 procent had veroorzaakt. En voor Istanbulkenners was de commotie symptomatisch voor een stad die zich graag van zijn Europese en moderne kant wil laten zien, maar zijn oosterse inslag maar moeilijk opzij kan zetten. 

‘Istanbul is van oudsher een rauwe stad, dat merk je aan de levensgevaarlijke rijstijl van de automobilisten, aan de diepe gaten in de wegen, aan de vechtpartijtjes op straat en aan de theehuizen, waar het blauw staat van de rook,’ zegt Nigel McGilchrist, die in Turkije heeft gewoond en een reisgids schreef over de Griekse eilanden. Ik praat met hem over de stad waar hij al meer dan dertig jaar komt. ‘Het is heel wat anders dan België of Gloucestershire. In geen enkele westerse stad zie je meer Indiase taferelen dan in Istanbul.’

Ofschoon Turkije al bijna een halve eeuw lonkt naar de Europese Unie, lijkt men er maar moeilijk afstand te kunnen doen van de eeuwenoude identiteit die de Turken nog altijd met trots vervult. Vele eeuwen lang heeft Istanbul Grieken, Armeniërs en Joden opgenomen die het karakter van wijken als Balat en Fener hebben bepaald. En toch lijkt het erop dat geen van deze groepen de ‘Turksheid’ van de stad ingrijpend heeft veranderd of het zelfbeeld van de stad heeft kunnen beïnvloeden. Na Istanbul een week lang intensief doorkruist te hebben, drong ineens tot me door dat ik in geen enkel hotel of restaurant of café een vrouw aan het werk had gezien.

‘Ik ben bang,’ vervolgde McGilchrist, ‘dat Turkije toenadering zoekt tot het strak geleide en bureaucratische Europa en dat het belangrijke en diepgewortelde Europese waarden niet werkelijk omarmt, zoals het waarborgen van de rechten van schrijvers die er een afwijkende mening op na houden.’

Bij het pakken van mijn koffer besefte ik ineens dat de kracht van deze stad gelegen was in het feit dat je hier nooit weet waar het heen zal gaan. De ware aard van Istanbul is ongrijpbaar en lijkt voortdurend in beweging te zijn. Ik had hier meer chadors en hoofddoeken gezien dan in Syrië of Egypte – en toch bestelden vrouwen met geblondeerde paardenstaarten peperdure cocktails in de trendy bars van Asmalimescit. Van echte armoede, zoals je die ziet in Jakarta, was hier geen sprake. En toch leek Istanbul, afgezien van enkele chique wijken, ook geen rijke stad. Vooral niet voor de miljoenen provincialen die hier belanden in treurige appartementenblokken, waar hun leven niet de wending neemt waarop ze hadden gehoopt. Statistisch gezien is Istanbul een van de veiligste steden van Europa, maar erg beminnelijk kwam de stad niet op me over. Ondanks zijn betoverende pracht en de drukke bazaars waar kooplui hun waren aanprezen, oogde de stad eerder wat gereserveerd.

Pamuk beschreef zijn geboortestad in voorzichtige termen. ‘Het is waar dat de stad naar het westen opschuift,’ schreef hij, ‘maar de veranderingen gaan minder snel dan men denkt.’ Tijdens mijn verblijf lag het telefoonverkeer met Japan ruim een etmaal plat. Bij de internetcafés bleek dat ik door de Turkse toetsenborden niet bij mijn mail of op internet kon. En bij het uitchecken vroeg de medewerker van het toch vrij nette hotel in Sultanahmet me beleefd om een fooi bij het eindbedrag op te tellen (ik reis al dertig jaar de wereld over, maar had zoiets nog nooit meegemaakt). Ik voldeed aan zijn verzoek, maar toen hij me de rekening teruggaf, zag ik dat hij het bedrag stiekem verdubbeld had – 10 procent vond hij kennelijk niet genoeg. 

Op mijn allerlaatste avond besloot ik al mijn ideeën over de al dan niet internationale koers van Istanbul te laten varen. Geen dansende derwisjen of nachtclubs meer. Ik was tot de conclusie gekomen dat ik het meest onder de indruk was van het gevoel van beweging in de stad. Hier werd de energie van een Aziatische metropool door de overwegend Europese straten gepompt, waardoor de hele stad in een kolkende stroomversnelling leek te komen. En nergens leek de scheidslijn tussen Oost en West sterker te vervagen dan op het water. 

Daarom stapte ik in Eminönü (Europa) aan boord van een veerboot, die me naar Üsküdar (Azië) bracht. Bij aankomst liep ik door een draaihekje, maakte rechtsomkeert en kocht een muntje voor de ferry die me over Gouden Hoorn terug naar Europa zou brengen. Het vriendelijke licht van de namiddag verzachtte alle gelaatstrekken. Verliefde stelletjes zaten discreet tegen elkaar aan op harde houten bankjes, obers schoten langs met glazen jus d’orange en appelthee. Hooggehakte secretaresses haastten zich door de avondschemering huiswaarts en giechelende schoolmeisjes oefenden hun Frans op toeristen, die op de boot geen kant op konden. Op elke brug die we passeerden stonden mannen te vissen. 

In de schemering kwam er een sprookjesachtige waas over de hellende straten en minaretten te liggen. Dit was het Istanbul dat je op schilderijen zag. Op de laatste halteplaats, bij de Eyüp Sultanmoskee, stapte ik uit en kocht een token voor de oversteek naar Kadiköy, in Azië. Er voeren nu achttien schepen kriskras over het water, op sommige was een vrolijk diner-dansant gaande, andere werden bestuurd door strenge, gedrongen kapiteins met grijs haar, die in hun donkere uniformen model leken te staan voor het ‘Oosterse’ Turkije. 

Aan de ene kant zag ik de brug over de Bosporus rood, dan blauw en vervolgens wit oplichten. Aan de andere kant oogden de minaretten en moskeeën van Sultanahmet, afstekend tegen de donkerpaarse avondlucht, mysterieuzer dan ooit. In Turks Azië stapte ik voor de laatste keer uit en keek over het water naar mijn eindbestemming. Begin je deze stad een beetje te leren kennen, dacht ik, dan merk je dat al dat gepraat over ‘oud’ en ‘nieuw’, over ‘oost’ en ‘west’ er eigenlijk helemaal niet toe doet. Het is juist de wisselwerking tussen deze uitersten waaraan de stad zijn ongrijpbare karakter dankt. Dat maakt deze stad zo opwindend, en meer heb je ook niet nodig. 

Lees meer