Verenigde Staten

Chicago: Amerika’s groene stad

Ooit rookten in Chicago de fabrieksschoorstenen, maar tegenwoordig is het een van Amerika's leefbaarste steden. donderdag, 9 november

Door James Conaway
Foto's Van Melissa Farlow

Phil Ponce, nieuwslezer bij een lokale televisiezender, kijkt naar het ruime aanbod aan worsten dat bij Gene’s Deli op Lincoln Square in Noord-Chicago boven zijn hoofd bungelt. ‘Chicago is geen city of big shoulders meer,’ zegt hij met een knipoog naar de dichter Carl Sandburg, die begin vorige eeuw een lofzang schreef op de toenmalige industriestad, ‘maar een city of pig shoulders.’ En daarmee, legt hij later uit, doelt hij niet alleen op deze echte varkensschouders, maar ook op de ‘vette varkens’ uit de plaatselijke politiek die door de jaren heen wegens corruptie werden veroordeeld.

Het is zondagmiddag, en de trottoirs in deze voormalige enclave van Duitse en Oost-Europese worsteters zijn afgestampt. De laatste jaren heeft de wijk een meer gemêleerde bevolking gekregen en zijn er veel nieuwe winkels en galeries bij gekomen. Maar getuige de stalen boog met het opschrift ‘Lincoln Square’ is het trotse buurtgevoel nog altijd springlevend.

‘Een paar jaar geleden spraken de bewoners zich uit tegen grote nieuwbouwprojecten in hun buurt,’ zegt Ponce. Ze verzetten zich met succes tegen het plan om luxe flats te bouwen op de plek van een oude bioscoop, vertelt hij, maar de nieuwkomers in de gerenoveerde woningen werden met open armen ontvangen. ‘Chicago heeft meer dan vijftig buurten die allemaal hun eigen karakter koesteren,’ vertelt Ponce, en dat draagt bij aan de gezellige sfeer in deze eerbiedwaardige metropool in het Midwesten.

Maar al is Chicago met bijna drie miljoen inwoners een enorme stad, sinds de befaamde journalist A.J. Liebling in de jaren vijftig in The New Yorker schreef dat het nooit aan New York zou kunnen tippen, wordt het smalend de Second City genoemd. En dat terwijl Chicago de wereld toen reeds had verblijd met de autoradio, het postorderbedrijf en een optiebeurs. Sinds een jaar of tien scoort Chicago bovendien hoog op moderne criteria als leefbaarheid en milieuvriendelijkheid. En toch zag de stad de Olympische Spelenvan 2016 aan haar neus voorbijgaan. Nu kom ik met eigen ogen bekijken wat het Olympisch Comité heeft versmaad.

En dat is nogal wat. Om te beginnen schijnt de zon, ondanks het wolkendek dat vaak boven het aangrenzende Michigan Lake hangt. Het openbaar vervoer is prima geregeld, de parken zijn bijna net zo alomtegenwoordig als de worst, en de architectuur is adembenemend – zelfs letterlijk, voor wie naar de bovenste verdieping van de Willis Tower gaat, het hoogste gebouw van Amerika, en ruim 440 meter de diepte in tuurt.

En dan zijn er de fantastische musea, het sprankelende kunstleven – symfonieorkesten, operagezelschappen, het Art Institute, het Museum of Contemporary Art – en het verrukkelijke eten, waarover straks meer. Een mens komt hier al met al niets te kort. Of, om met Ponce te spreken: ‘Er is hier genoeg kritische massa voor een bruisend stadsleven.’

Zo telt de stad maar liefst vier grote sportclubs – de White Sox, de Cubs, de Bulls en de Bears –, al moet je volgens Ponce voor ‘de echte harde vechtsport’ bij de lokale politiek zijn. De spil daarin was tot voor kort Richard M. Daley, die ruim twintig jaar burgemeester is geweest. Daley bombardeerde Chicago tot ‘stad van de toekomst’, met kansen voor iedereen en een hoge levensstandaard. Voor dat laatste moest de stad flink worden ‘vergroend’, en onder het motto ‘Urbs in Horto’ (Stad in een tuin) werd er tien jaar geleden boven op het stadhuis zelfs een heuse daktuin aangelegd.

Dat stadhuis staat in the Loop, het oude centrum binnen de El, de elevated train ofwel bovengrondse metro. Maar het beroemde groene dak blijkt niet geopend te zijn voor publiek. Om er toch een glimp van te kunnen opvangen, ga ik naar een van de vele kantoorgebouwen die uitkijken op het eerste moderne dakplantsoen in het Midwesten. ‘Intussen heeft alleen al Chicago 360.000 vierkante meter aan daktuinen,’ vertelt hovenier David Yocca, die de tuin op het stadhuis ontwierp, de hoeveelheid benodigde aarde berekende en de juiste inheemse bomen, struiken en grassen uitkoos. ‘De tuin vormt zo’n goede isolatie dat de aanlegkosten allang weer door de energiebesparing zijn terugverdiend.’

Ook de horeca van Chicago is op de duurzame toer. Zo breng ik een bezoek aan Xoco, een restaurant net buiten the Loop dat architect Doug Farr heeft ontworpen voor televisiekok Rick Bayless, die gespecialiseerd is in Mexicaans eten. Xoco is een lichte, ruime pijpenla waar het heerlijk geurt naar pepertjes en zacht pruttelend vlees. De zaak zit vol klanten die wachten op hun rijk gevulde stoofschotels en hartige taarten uit de houtoven.

Bayless spaart geld uit door het gebruik van LED-licht in combinatie met gloeilampen, waardoor zijn zaak sfeervol én duurzaam verlicht is. En het warmteverlies van de hightech afzuigkappen is minimaal. ‘Maar de mensen krijgen hier geen preek over milieubewust leven, hoor,’ zegt Bayless, ‘alleen lekker eten.’

De kok, die nog twee andere restaurants in de buurt heeft, is een aanhanger van de ‘lokavoor’-gedachte: hij gebruikt alleen ingrediënten van binnen een straal van 750 kilometer rond de stad. Zijn groenten betrekt hij van de City Farm, een initiatief van milieugoeroe Ken Dunn in de verpauperde wijk Cabrini-Green. Op ‘wat ooit een van de armste plekken van het land was’, vertelt hij, is hij een stadsboerderij begonnen die prima draait, een echte horto in urbs dus. ‘Zolang de betere plaatselijke restaurants onze biologische rucola, spruitjes en regenboogsnijbiet blijven afnemen, gaan we er gewoon mee door.’

Maar niet alle restaurants in de stad doen aan de groene mode mee. Een echte ouderwetse eettent is het Gibson Steakhouse, dat veel bekende politici en sporthelden trekt en beroemd is om zijn gigabiefstukken en megamartini’s. ‘U mag kiezen,’ zegt de serveerster terwijl ze me een blad met netjes gerangschikte lappen rauwe proteïne voorhoudt. Ik neem de ‘W.R. Chicago Cut’, een uit de kluiten gewassen ribeye steak met bot. Als ik hem even later geroosterd op een houtskoolvuurtje krijg voorgezet, stel ik vast dat ik zelden zo’n goede biefstuk heb gegeten. Hij wordt geserveerd met een dubbel gepofte aardappel ter grootte van een kleine voetbal, met een dikke laag gesmolten cheddar. Ik besluit de maaltijd met een stuk Texaanse pecantaart dat niet eens op het bord past. ‘Don’t worry,’ zegt een vrouw aan een belendend tafeltje, ‘porties die te groot zijn voor het bord, zijn very Chicago.’

De lokale keuken blijkt tal van klassiekers te kennen die allemaal hun eigen enthousiaste pleitbezorgers hebben. Zoals de Reuben egg roll van een snacktentje in het Richard J. Daley Centerter, de straffe, romige cappuccino van koffieketen Intelligentsia, de knapperig gefrituurde Erie Lake-baars van restaurant Terzo Piano in het Art Institute, de enchilada’s met gehakt en chilisaus van Nuevo Léon in de latinowijk Pilsen, ten zuiden van the Loop, en natuurlijk de worst die je vrijwel overal in vrijwel alle variaties kunt krijgen.

In 1959 werd in een oude Chinese wasserij in het centrum een alternatief theatergezelschap opgericht, met de geuzennaam Second City. Inmiddels is Second City een van de meest succesvolle theaters van het land, gespecialiseerd in geëngageerde comedy-shows. Onder de artiesten die hier hebben opgetreden zijn grote namen als Mike Myers, Tina Fey, Stephen Colbert en wijlen Chris Farley.

Op naar Second City dus, voor Studs Terkel’s Not Working, een vlijmscherp satirisch programma over de lokale actualiteit. Met een biertje in de hand kijkt het jonge publiek naar een pronte blondine die zich vrolijk maakt over de recente afgelasting van de Southside Irish Parade, een in alcohol gedrenkt straatfeest, onder het mom van de openbare veiligheid. ‘Om losbandig gedrag te voorkomen verbiedt de gemeente voortaan ook schoolfeesten en gratis drinken voor vrouwen in cafés.’

Na afloop neem ik een taxi naar North Pond, een café-restaurant in een park. De houten inrichting en de art deco-lampen aan het plafond verraden de invloed van Frank Lloyd Wright, die zijn loopbaan in Chicago begon als leerling van de beroemde architect Louis Sullivan, in de periode na de grote brand van 1871.

‘Door die brand kon er met een schone lei aan een nieuwe stad worden begonnen,’ vertelt Lori Kolb als ik de volgende dag met haar door de stad wandel. Kolb, verbonden aan de Chicago Architecture Foundation, voert me mee door Jackson Street, in de buurt van Lake Michigan. ‘In de jaren tachtig van de negentiende eeuw was dit een echte boom town. Er kwamen elke week tienduizend mensen bij, en er was geen stad ter wereld waar meer spoorlijnen doorheen liepen en waar meer bedrijvigheid was in de haven. Deze buurt was hét graancentrum van de stad, met slachthuizen, conservenfabrieken, leerlooierijen en enorme houtzagerijen. Zocht je werk, dan moest je hier zijn.’ Even wordt ze overstemd door de El, maar dan vervolgt ze: ‘Voor al die activiteiten moesten gebouwen komen, maar de vraag was wat voor soort gebouwen.’

De wedergeboorte van Chicago na de brand werd in 1893 gemarkeerd door de World’s Columbian Exposition. Een onderdeel daarvan was de tentoonstelling White City, die nog altijd te zien is, met inbegrip van het Museum of Science and Industry. De architectuur maakte een stormachtige ontwikkeling door. Aanvankelijk verrezen er vooral neoklassieke gebouwen in de destijds populaire Beaux Arts-stijl waar de beroemde architect Daniel Burnham in grossierde, met als prominent voorbeeld het naar hem genoemde hotel op de hoek van Washington Street en State Street.

Maar al gauw volgden andere bouwstijlen, en de huidige binnenstad vormt dan ook een schitterende architectonische staalkaart: het Monadnock Building van John Wellborn, het hoogste commerciële bakstenen gebouw ter wereld; het modernistische Federal Building van Mies van der Rohe met zijn spectaculaire open benedenverdieping; en het postmoderne 190 South LaSalle Building met zijn bladgouden kathedraalplafond. De mooiste ontmoeting tussen oud en nieuw wordt belichaamd door het Art Institute of Chicago, een immens gebouw in Beaux Arts-stijl dat 260.000 kunstwerken herbergt, en dat sinds 2009 een vleugel heeft naar een ontwerp van Renzo Panio. Boven het dak van deze Modern Wing zweeft een ‘vliegend tapijt’ dat de imposante collectie moderne en hedendaagse kunst tegen schadelijke uv-stralen beschermt.

Vanaf het museum slenter ik via de loopbrug over Lurie Garden naar het Millennium Park, een groene oase vol sculpturen die misschien wel het mooiste is wat de stad te bieden heeft. Favoriet bij zowel locals als toeristen is de Cloud Gate, in de volksmond meestal the Bean genoemd, een niervormig kunstwerk van roestvrij staal waarin zich een prachtig panorama weerspiegelt, met op de achtergrond de majestueuze wolkenkrabbers langs de kant van het meer en, dichterbij, de bomen van het park. Even verderop staat het Jay Pritzker Pavilion van Frank Gehry, dat met zijn overkapping van ranke stalen buizen een moderne verwijzing vormt naar de oorspronkelijke neoklassieke stijl van de stad.

Een bezoek aan Chicago is niet compleet zonder een tochtje met de El. Mijn favoriete ritje voert naar het Garfield Park Conservatory, een kolossale Victoriaanse broeikas met een unieke verzameling tropische planten. Je waant je er in een andere wereld, met een compleet ander klimaat, en nergens is dat gevoel zo sterk als bij de varens. In dit dichte, diepgroene woud dat je bijna kunt horen groeien, krijg je een idee hoe Chicago er pakweg 200 miljoen jaar geleden moet hebben uitgezien. Tot je een hovenierster ontdekt die op haar knieën onder de begroeiing naar haar gevallen snoeischaar zoekt.

Even later loop ik ten zuiden van het Millennium Park langs de reusachtige Buckingham Fountain, een van de topattracties van de stad, en door de fraaie tuinen van de Museum Campus, zo genoemd naar het Field Museum of Natural History, het Shedd Aquarium en het Adler Planetarium, stuk voor stuk musea van wereldklasse waar je zo een hele dag kunt zoekbrengen.

Vanaf een stenen muur kijk ik uit over Lake Michigan, misschien nog wel het meest sfeerbepalende element van deze stad in een tuin. Een van de fraaiste plekken van de stad is Lake Shore Drive, een 50 kilometer lange fiets- en wandelroute met schitterende vergezichten. Onder de heldere hemel is het water net zo blauw als dat van de Middellandse Zee.

Even verderop in Soldier Field, het thuishonk van ‘da Bears’, gaat zo dadelijk een footballwedstrijd beginnen. Langs de paleizen van cultuur en wetenschap aan het meer trekken de supporters op naar het stadion. Sommigen lachen me vriendelijk toe, andere groeten de voorbijfietsende politieagent die hen straal voorbijrijdt. How very Chicago, denk ik bij mezelf.