Verenigde Staten

Het hartland van Amerika

Een reis door Idaho, Wyoming en Montana inspireert tot een liefdesverklaring aan de VS. donderdag, 9 november

Door Paul Römer
Foto's Van Susan Seubert

Dit verhaal gaat over Amerika, en ik zal maar meteen bekennen: de Verenigde Staten hebben bijna dertig jaar geleden mijn hart gestolen. America! America! God shed His grace on thee, dichtte Katharine Lee Bates eind 19de eeuw al, en zo is het. Het landschap, de ruimte, de sport, de literatuur, de humor, de films, de muziek, de kwaliteit van leven, de mensen: Amerika is een gezegend land. Mijn droomland.

Als 18-jarig jochie, toen ik nog nooit een vliegtuig van binnen had gezien, ging ik langs bij mijn grote broer in New York City, waar ik twee zomers achtereen als ober de longen uit mijn lijf liep. Ik had wel eens een biertje getapt in de sporthal bij mij in de buurt, maar in dit luxe restaurant van een tennisclub aan de East River, met op de achtergrond de skyline van Manhattan, kreeg ik drankjes als White Russian en Bloody Mary te serveren. Nooit van gehoord, natuurlijk. Maar mij hoorde je niet zeuren, ik kreeg honderden dollars fooi waarmee ik mijn vliegticket weer kon terugverdienen. Wat dat aangaat was 4 juli, Onafhankelijkheidsdag, helemaal een feest. Nog voor ik welke bestelling dan ook had opgenomen, kreeg ik briefjes van twintig dollar in mijn dienschort gefrommeld. Iedereen was in een goede bui. En even later genoten we eensgezind – personeel en gasten – van het weergaloze vuurwerk boven de Twin Towers en het Empire State Building. In de verte zagen we zo nu en dan het silhouet van het Vrijheidsbeeld oplichten, alsof het land op die manier zijn ware identiteit aan me wilde onthullen en mij voor altijd welkom heette. Die zomeravond in 1986, precies een eeuw na de oprichting van dat monument, staat in mijn geheugen getatoeëerd.

Het was liefde op het eerste gezicht, resulterend in een relatie die tot op de dag van vandaag stand houdt. Want wat heb ik sindsdien allemaal gedaan, daar in the Land of the Free and the Home of the Brave?

Kerst vieren in Maine.
Liften door Florida.
Rotsklimmen in Joshua Tree National Park.
Gokken (en winnen) in Las Vegas.
Skiën in New Hampshire.
Meezingen bij een concert van Pearl Jam in Los Angeles.
Het Tulip Time-festival vieren in Holland, Michigan.
Vliegvissen in Oregon.
Vrijen in de Big Apple.
Zelf in een Cessna vliegen boven Malibu.
Juichen voor de Celtics en Red Sox in Boston.
Paardrijden en wijn proeven in de Willamette Valley.
Getuigen bij het huwelijk van mijn broer in Californië.
Softballen in Central Park.
Werken (en zo mijn vrouw ontmoeten) in Washington, D.C.

Als ik zo een handjevol ervaringen overpeins, wordt duidelijk dat ik toch vooral de Amerikaanse kustgebieden heb aangedaan. Met name New England, waar mijn zus al jaren woont, voelt als een tweede thuis. De streek heeft iets vertrouwds en is toch door en door Amerikaans. Er bestaan niet veel plekken waar de vier seizoenen zich zo sterk van elkaar onderscheiden. De zomers zijn er zonnig en warm tot heet, de herfst zet de bossen in vuur en vlam, rond kerst langlaufen we vanuit de schuur zo het witte landschap in, en in de lente begint alles weer van voren af aan. Weer in Nederland verlang ik er altijd naar terug. Misschien ook wel omdat een van mijn favoriete romanpersonages er in de buurt is geboren. John Irving bezorgde me met A Prayer for Owen Meany, dat zich afspeelt in New Hampshire, een eigenaardig en intrigerend vriendje. Sinds onze eerste ‘kennismaking’ verlang ik altijd naar een tweede jeugd – een jeugd in Amerika’s onschuldige noordoosten waar ik met Owen broeierige middagen doorbreng bij verlaten vennetjes en langs overwoekerde treinsporen. 

In de afgelopen dertig jaar ben ik de Atlantische Oceaan zeker vijftig keer overgestoken. Soms voor werk, maar meestal voor familiebezoek, vakantie, reizen. Al die tijd heb ik nooit de behoefte gevoeld mijn Amerikaanse ervaringen of overpeinzingen in woorden te vatten. Ik maakte mee, ik dacht, ik voelde, ik leefde, meer niet. Maar vanuit mijn huidige functie, bij dit reismagazine, begint zoiets toch te knagen. De onvoorwaardelijke liefde voor de VS, die ik al jaren koester, wil ik graag delen. 

Amerika is Amerika door het landschap, dat altijd weer verwondering oproept, maar hoofdzakelijk door de mensen die er wonen. Dankzij hen voel ik me er altijd zo welkom, zo thuis. Ik kan me herinneren dat onze vroegere buurvrouw, nadat mijn broer juist was geëmigreerd naar New York, de inwoners met grote stelligheid afdeed als ‘oppervlakkig’. Ze was er nog nooit geweest, maar op basis van de Amerikaanse tv-series die ze volgde (dat dan weer wel), was ze ervan overtuigd dat we hier te maken hadden met een weinig diepgaand volkje. Je hoort het vaak, als het land ter sprake komt. Dat ‘How are you?’ is zo ongemeend, klinkt het dan. Waarop ik steevast antwoord: ‘Maar als jij hier iemand vraagt hoe het gaat, verwacht je toch ook niet een uitgebreid medisch rapport of een klaagzang over het laatste weerbericht? Zo’n vraag is er om een gesprek te beginnen, of soms alleen maar om elkaars aanwezigheid te bevestigen. Fine. Alles beter dan de pijnlijke stiltes die Nederlanders laten vallen als ze weer eens contact met anderen mijden, ook al zitten we met miljoenen op elkaars lip.

En bovendien: Amerikanen? Wie zijn dat nu helemaal? De inwoners van Maine lijken van nature wat gereserveerder dan die van Californië, de Oregonians tonen zich opgewekter dan de bevolking van Michigan – precies zoals Zweden en Italianen ook van elkaar verschillen, en zoals zelfs Belgen en Nederlanders niet met elkaar vergeleken kunnen (en willen) worden. Amerika in één verhaal vatten is onrealistisch: elke staat is een land op zichzelf, zou je kunnen zeggen.

Een poosje terug las ik een stuk in NRC Handelsblad van James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de UvA, over de waardering van Nederlanders voor de VS. ‘Het Nederlandse toerisme naar de VS,’ schreef de Amerikaan, ‘heeft een gespleten en simplistisch beeld van Amerika gevoed. Aan de ene kant stonden Harvard, Manhattan en Silicon Valley, meestal geassocieerd met de Amerikaanse creativiteit, vrijheidsenergie en het ogenschijnlijke Amerikaanse vermogen om nieuwelingen te omarmen. Aan de andere kant stonden de badlands, de rode staten van het Republikeinse Amerika, die ze naar mijn idee meestal associeerden met economische ongelijkheid en buitensporige rijkdom, godsdienstig obscurantisme en de harde hand van klassenjustitie. (...) Daarmee veroorloven de Nederlanders zich een gemakzuchtig onderscheid tussen een Goed Amerika, dat ze meenden te kennen en gretig omarmden, en een Kwaad Amerika, waarvan ze maar weinig wisten en nog minder wilden weten.’

Door die ‘rode staten’ reis ik nu rond, samen met fotograaf Susan Seubert. Idaho, Wyoming, Montana: ik ben in Amerika’s hartland, waar de Rocky Mountains de horizonlijn goeddeels bepalen en waar de invloed van overzeese gebieden minder aanwijsbaar is. Dit is het ware Amerika, werd mij altijd verteld door vrienden en collega’s in de VS, en ik wil zelf ontdekken waarom. De drie staten, waarvan Wyoming op de kaart oogt als een eenvoudige vierhoek, beslaan gezamenlijk een gebied dat min of meer zo groot is als Portugal, Spanje en Italië bij elkaar. Ik bezoek er plekken als Craters of the Moon National Monument, Yellowstone en, in het uiterste noorden van Montana, Glacier National Park. Die natuurpracht is voor mij onmisbaar voor een geslaagde reis.

In Idaho duurt het niet lang voor we vanuit hoofdstad Boise, rijdend over de Ponderosa Pine en Sawtooth Mountain Scenic Byways, onvergetelijke vergezichten ervaren. We stoppen na enkele uren rijden, zonder een tegenligger tegen te komen, bij Little Redfish Lake. Aan de oever zit een echtpaar uit de buurt. John en Jennifer Soakes laten hier altijd hun blonde labrador uit. ‘Onze staat legt het qua bezoekersaantallen af tegen Wyoming en Montana, maar you know, dat is wel best zo. We zijn bescheiden. Idaho is prachtig ja, but please don’t tell anyone.’

Toch wil ik aanraden een kijkje te nemen bij Craters of the Moon. In dit vulkanisch gebied zorgde lava van talloze uitbarstingen voor een surrealistisch maanlandschap vol grotten dat een onuitwisbare indruk zal achterlaten.

Van Yellowstone heb ik hoge verwachtingen. Nog voordat we ’s werelds eerste nationaal park binnenrijden, steekt vlak voor onze fourwheeldrive een reusachtige wolf de weg over. Ik had geen idee dat Canis lupus zo groot kon worden. Dit exemplaar, op het oog zo hoog als een volwassen koe, voedt de discussie tussen natuurbeschermers en boeren, vertelt boswachter Annie Castle. ‘De laatste groep is nogal ongelukkig met de wolf, die zich natuurlijk niet houdt aan de grenzen van het park en zich daarbuiten tegoed doet aan het vee, een makkelijke prooi.’

Annie vertelt aan één stuk door over de wordingsgeschiedenis van het park, ontstaan op een ondergrondse vulkaan en daarom ‘een geologisch wonderland, met geisers, fumarolen, warmwaterbronnen en mudpots’. De meest tot de verbeelding sprekende bron is de Grand Prismatic Spring, een gat van 75 bij 90 meter in een bruine aardkost gevuld met heet water dat felblauw kleurt en continu stoomt. Vanaf een heuvel ernaast kijken we uit over de bron, waaromheen tientallen mensen lopen en rijden. Het is een komen en gaan van toeristen, iets wat overigens geldt voor het hele park. Zoals bij de Old Faithful, de geiser die punctueel spuit en om die reden bij elke ‘show’ honderden mensen trekt. Zodra een roofdier wordt gespot, zoals een wolf die tijdens mijn bezoek in de Lamar Valley een riviertje overzwemt of een zwarte beer die schuilgaat tussen de bomen, parkeren onmiddellijk tientallen auto’s langs de weg. File in de wildernis. Geen wonder: jaarlijks trekt het 8900 vierkante kilometer grote park maar liefst 3,6 miljoen bezoekers.

Annie verbaast ons door te vertellen dat veel gasten van het park niet willen inzien dat Yellowstone bepaald geen Disneyland is. ‘Elk jaar zien we hoe ouders voor een kiekje hun kind op de rug van een jonge bison plaatsen. Daarnaast staat dan de levensgevaarlijke moeder van het kalf! En er gaat geen seizoen voorbij of er zijn wat stoere kerels die, al onze waarschuwingen ten spijt, even hun elleboog in een warmwaterbron steken om te zien of het water echt zo heet is. Ja, er vliegt geregeld een traumahelikopter over.’ En toch, ondanks de grote aantallen auto’s die af- en aanrijden, is het park een natuurlijk mirakel vol spectaculair wildlife dat je beslist niet mag overslaan.

De Grand Tetons zijn beduidend minder bekend dan buurpark Yellowstone – en daardoor ook aanzienlijk minder druk. We rijden extreem vroeg het nationaal park in Wyoming binnen, en het duurt niet lang voordat we een elandvrouwtje (moose) langs de weg zien grazen. Na een minuut of tien staan er zo’n twintig mensen om ons heen, de stilte wordt doorbroken door het geklik van professionele fotocamera’s met daarop toeters van 500 mm. Het imposante dier is gewend aan menselijke aanwezigheid, ze kijkt niet op of om. Tijd om verder te gaan. 

Ik sta niet veel later oog in oog met de Tetons – grillige bergen die schuilgaan onder een deken van eeuwige sneeuw en helder afsteken tegen de blauwe lucht. De naam schijnt bedacht te zijn door Franse bonthandelaren die in het gebergte drie tepels (tétons) meenden te herkennen. Ook hier, in Grand Teton National Park, aan de oostzijde van de Rockies, blijk ik niet in staat de bergen te duiden. Waar ze in mijn leven ook opdoemen, ik kan mijn ogen er niet van afhouden. Ze raken me, altijd en overal, maar ik kan nooit goed uitleggen waarom. Omdat ik ben geboren en woon in een van de platste landen op aarde? Of omdat ze staan voor eindeloze mogelijkheden? Het is meer dan een fascinatie: ik wil ze grijpen, omarmen, beklimmen, voelen. Maar wat wel vaker gebeurt bij mooie landschappen: zodra je erin stapt, op het moment dat je er deel van wordt, verdwijnt een stukje van de magie. Misschien is dat het wel. Van een afstand bieden bergen overzicht. Rust. Eenmaal ín of tussen de pieken verdwijnt die controle met de horizon.

Behalve de eland zie ik bisons, wapiti’s en muildierherten. Vanuit de kano zien we een groepje roze pelikanen in teamverband jagen op vis. Een Amerikaanse zeearend schouwt het aan vanuit een boomtop aan de waterkant. Wat een land. 

Misschien net zo ondergewaardeerd is Glacier National Park, aan de grens met Canada. Het natuurgebied, dat samen met Waterton Lakes het grensoverschrijdende Waterton Glacier International Peace Park vormt, is zo groot als de provincies Utrecht en Noord-Holland samen en telt 150 gletsjers. Helaas nemen we de twee beschermde diersoorten van het park, de grizzly en de Canadese lynx, niet waar. Maar we zien op een besneeuwde helling wel een stuk of wat dikhoornschapen. Ook hier ben ik weer overgeleverd aan die magnifieke drieduizenders met hun witte toppen, watervalletjes en waanzinnige panorama’s.

Als we door Montana rijden, onder een blauwe hemel die niet anders kan worden omschreven dan als ‘Big Sky’, de bijnaam van deze staat, bevind ik mij in een roman van Nicholas Evans. Op de vraag waarom hij dit gebied kiest als decor voor zijn verhalen, antwoordde de auteur van titels als The Horse Whisperer en The Brave: ‘Er is iets met die uitgestrekte vlakten, de lucht, de ruigheid van die plek dat me diep raakt. En ik houd van de hier en daar wat ouderwetse omgang met elkaar. Respect voor elkaar, de hoed aantikken als je iemand tegenkomt, de onvoorwaardelijke gastvrijheid die gepaard gaat met een gezonde argwaan jegens vreemdelingen.’ 

Dat laatste herken ik in zuidelijk Montana, zo’n vijftien kilometer ten westen van Yellowstone.

Tegenover me zit een huilende man. De 73-jarige Clyde Seely heeft zojuist een gedicht voorgelezen dat hij ooit schreef over zijn Parade Rest Guest Ranch, vlak bij het toeristische stadje West Yellowstone. ‘A camera, I did not have, so words will just have to do,’ begint zijn herinnering op rijm aan zijn eerste jaren op de ranch, die hem zichtbaar na aan het hart ligt en waar ik enkele dagen verblijf. Aanvankelijk werd ik wat achterdochtig aangekeken, maar wanneer ik vraag naar zijn jeugd, vloeien de tranen nog rijkelijker. ‘De oude levensstijl verdwijnt helaas,’ vertelt Seely. ‘Onze dagen bestonden uit hard werken, er was respect voor God en je buren. Er heerste een sterk gemeenschapsgevoel. Je moest van goeden huize komen om de barre winters hier te kunnen overleven. Yeah, het was een zwaar bestaan.’

Op Parade Rest werken drie wranglers, de mensen die de paarden verzorgen en trainen en paardrijtochten begeleiden. En wat me raakt als ik ze voor het eerst de hand schud, is hoe jong ze zijn. Warren McWharter, een stoere cowboy die nog nooit een computer heeft aangeraakt en e-mail maar onzin vindt, is 23. Quinn Rohrer en haar vriend Andrew Spainhower, een knap stel, zijn respectievelijk 18 en 19. Alledrie werken van eind mei tot oktober op de ranch. De rest van het jaar, als de winter dit tot een van Amerika’s koudste gebieden maakt, schuift Warren sneeuw, en gaan Andrew en Quinn naar college.

Op een ochtend rijden we met z’n allen te paard over de heuvels achter de ranch naar Whits Lakes, een bergmeertje te midden van machtige naaldbomen. De zon schijnt, in de strakblauwe lucht hangen toefjes wolk. De wonderschone Quinn is een uitstekend ruiter, ze doet mee aan rodeo’s en bezit zelf twee paarden. ‘Dit is geen passie,’ vertelt ze, ‘dit is mijn lifestyle. Ik kan niet zonder mijn paarden, paardrijden zit in mijn bloed. Ooit heb ik mijn eigen ranch.’ Haar eveneens aantrekkelijke vriend Andrew voegt toe: ‘Bergen, ruimte, natuur, paarden: dat is wie we zijn.’

Bij het meertje wachten Quinn en Warren geen moment: ze mennen hun paard het water in, en beginnen een race langs de oever, met de cowboyhoeden zwaaiend boven hun hoofden. Ze zijn duidelijk in hun element. Het is ontroerend te zien hoe deze jonge wranglers het cowboybestaan omarmen en uitdragen, ze vormen het bewijs dat the Wild West geen mythe is. Het bestaat echt – anders dan hun baas Seely claimt, die het einde van de good old days hekelde. 

’s Avonds, als de zon ondergaat, vergezelt Warren ons voor een biertje. Maar niet te lang, want voor dag en dauw brengt hij de paarden van de weide naar de stallen om ze gereed te maken voor dagtochtjes. Hij steekt een sigaretje op en kijkt uit over de bergen. Hij werkt al sinds hij op zijn 15de school verliet en maakte als tiener dagen van twaalf uur op een dairy farm. Zijn handen zien er verweerd uit, zijn knie werd ooit vermorzeld door een koe, en hij oogt als een cowboy zoals we die uit westernfilms kennen: laarzen met sporen, spijkerbroek, geruit overhemd onder een zwart vestje, sjaaltje en natuurlijk een cowboyhoed. Hard werken is zijn motto, dan komt het allemaal goed. Ik vraag hem waar hij zichzelf ziet over twintig jaar. Warren: ‘I’ll probably be dead.’

Het zijn zulke uitspraken, maar ook zijn houding naar collega's en vooral de gasten toe, die me voor hem innemen. ‘Je moet soms geduld hebben met city folk, maar als ik straks weet dat ze hebben genoten van de hele ervaring, dan ga ik met een tevreden gevoel slapen,’ zegt hij. ‘En wat is er nou mooier dan in deze omgeving te werken, de hele dag buiten, met de paarden?’ 

De dagen die ik hier, tussen de bergen, de paarden en in gezelschap van deze jongelui doorbreng, zijn de meest memorabele van deze reis. Wilder dan hier kan het Wilde Westen niet worden, realiseer ik me. Het is een deel van dit land dat ik nog niet kende, maar dat het beeld van mijn geliefde Verenigde Staten wel completer heeft gemaakt. Idaho, Wyoming en Montana vormen het land van de cowboys, waar de inwoners trots zijn op de star-spangled banner, waar het geloof een bindende rol speelt en waar tijdens een rodeo militairen en veteranen een staande ovatie krijgen. Amerika’s traditionele normen en waarden – die stoelen op hard werken, God en familie – kregen hier vorm. 

De verpersoonlijking van dit echte Amerika is voor mij wrangler Warren. Zijn goedheid, zijn spirit, zijn trots, zijn hartstocht voor deze levensstijl: ze doen me denken aan de regels uit een van Neil Youngs mooiste songs: ‘I’ve been to Hollywood, I’ve been to Redwood, I crossed the ocean for a heart of gold.’ 

Het lijkt erop dat ik, na twintig staten te hebben doorkruist, het hart van Amerika heb ontdekt. In een 23-jarige cowboy, op een ranch in West Yellowstone, Montana.

Lees ook tips en praktische reisinformatie in de reiswijzer over Idaho, Wyoming en Montana.