Dinosaurussen leefden tussen de mensen en zaten 4500 jaar geleden samen met Noach op de ark. Dat stelt de Amerikaanse organisatie Answers in Genesis. Deze stichting opende in 2016 The Ark Encounter, een attractie waar je leert dat God de aarde zo’n zesduizend jaar geleden heeft geschapen. Jaarlijks bezoeken ongeveer een miljoen mensen de nagebouwde ark.

Ook in Nederland hebben deze ideeën aanhang. Zo is er het tijdschrift Weet, dat in 2019 11.000 abonnees had. Ook zij menen dat dinosauriërs met mensen leefden en op de ark van Noach zaten. Mensen met dit wereldbeeld noem je creationisten. Laten we voor dit verhaal ook eens deze bril opzetten. Tegen welke vraagstukken loop je dan aan? En welke oplossingen dragen creationistische organisaties aan?

De ark is te klein voor alle dieren

Het is een vraag waar de intellectuelen van de Reformatie al de hersens over kraakten: welke dieren ging mee op de ark? Want kijkend naar de biodiversiteit van nu, is het onmogelijk dat al deze dieren op een boot van grofweg 150 bij 25 bij 15 meter pasten (kleiner dan de Titanic). Maar daar hebben creationisten meerdere oplossingen voor.

De eerste is dat Noach niet álle soorten hoefde te redden. De aartsvader zou alleen de zogenoemde basissoorten hebben meegenomen, die God bij het ontstaan van de wereld creëerde. Vanuit deze dieren ontstond de biodiversiteit die we nu kennen. Je had dus maar één kattensoort nodig voor alle katachtigen, van tijger tot huiskat. Die zijn volgens creationisten dus op geen enkele manier verwant aan hondachtigen, zoals dingo’s, wolven en chihuahuas; zij hebben hun eigen basissoort.

Maar dan rijst de vraag: wat waren die basissoorten? Waar trek je de lijn? Daar heeft geen van de creationistische websites een eenduidig antwoord op. Daarnaast is de harde lijn in het zand ook vreemd. Het is alsof je zegt: Nederlands, Duits en Noors zijn ontstaan uit het Germaans, maar het Germaans kan niet afstammen van het Proto-Indo-Europees. Germaans is een ‘basistaal’, die geen voorloper kent of verwant kan zijn aan het Romaans.

Hypersnelle evolutie

Maar oké, laten we uitgaan van het idee van de basissoorten. Volgens Answers in Genesis zaten er daar 6744 van op de ark. Het huidige aantal landdieren (exclusief insecten) wordt geschat op 5,6 miljoen, zo blijkt uit deze studie in vakblad PLOS Biology (2023). Dat betekent dat er de afgelopen 4500 jaar ruim 1200 nieuwe landdieren per jaar moeten zijn ontstaan, een evolutie met een snelheid die zijn weerga niet kent. Zoiets is nooit geobserveerd.

En wat doen we met basissoorten die 4500 jaar geleden al duidelijk geëvolueerd waren? Neem de katachtigen. Er is veel bewijs dat er leeuwen, huiskatten en tijgers bestonden, al vóórdat de zondvloed zogezegd zou hebben plaatsgevonden. Denk aan prehistorische tekeningen van tijgers en Egyptische hiëroglyfen van katten.

Wat doen we met de vissen?

Ook veelgehoord is dat alle zeedieren (vissen, schelpdieren en weekdieren) niet mee hoefden: zij konden immers zwemmen. Dat claimt onder meer de Stichting tot Bevordering van Evangelisatie. Maar dan negeer je onder meer het probleem dat optreedt als zoetwatervissen in zoutwater terechtkomen en andersom. Hun lichaam kan niet omgaan met veranderende zoutgehaltes. Een zoetwatervis zal uitdrogen, een zoutwatervis juist ontploffen. Het brakke water dat door een volledige zondvloed zou ontstaan, is een doodvonnis voor veel zeeleven.

De biologische problemen zijn eindeloos, om over de geologische bezwaren die een wereldwijde vloed met zich meebrengt nog maar niet te spreken. Maar een interessant gedachte-experiment is het wel.