Het is een koude winterdag in 1968. Een groepje demonstranten heeft zich in dikke jassen verzameld op het Binnenhof in Den Haag. Sommigen houden een taart van rietsuiker vast, anderen protestborden. Hun boodschap is helder: de wereldhandel is oneerlijk.
Suiker uit het mondiale zuiden is goedkoper op de wereldmarkt, maar in Nederland betalen consumenten meer – door importheffingen en subsidies op Europese bietsuiker. Daar bleef het niet bij: het protest tegen handelsverdragen die het zuiden benadeelden, zou uiteindelijk uitgroeien tot een nationale beweging.
Twintig jaar later, in 1988, wordt het Max Havelaar-keurmerk geïntroduceerd. Nederland was daarmee pionier op het gebied van eerlijke handel. Maar waarom juist hier? En waarom is eerlijke handel vandaag nog altijd geen vanzelfsprekendheid? We vragen het aan Peter van Dam, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef er het boek Wereldverbeteraars: een geschiedenis van fair trade over.
Waarom werd juist Nederland koploper van de beweging?
Van Dam: ‘Dat is een spannende vraag, maar wel een die om nuancering vraagt. Oxfam International [Britse organisatie die zich inzet voor hongerbestrijding, red.] importeert al sinds de jaren vijftig fairtradeproducten, dus Nederland was niet het eerste land dat ermee begon.’
‘Maar dat uitgerekend hier zo veel initiatieven van de grond kwamen, heeft er eigenlijk vooral mee te maken dat Nederland juist niet zo heel bijzonder is. Vanaf de jaren vijftig beginnen mensen in meerdere landen in de bres te springen voor het mondiale zuiden. Het vinden van medestanders kwam daardoor gemakkelijk van de grond.’
Leestip: Deze ondernemer verduurzaamt de handel in specerijen
‘In die periode gaan ook verkopers uit het mondiale zuiden actief op zoek naar bondgenoten in het noorden. Een van de bekendste organisaties is de Union of Indigenous Communities of the Isthmus Region (UCIRI) in Mexico. Zij gaan in de jaren tachtig actief op zoek naar mensen in Europa die hen willen helpen om meer koffie te verkopen, en hun verhaal over de oneerlijke wereldhandel te vertellen. De ontwikkeling van fairtrade gebeurt dus niet in een vacuüm.’
‘Dat eerlijke handel in Nederland zo aanslaat, komt omdat we op sommige vlakken wél heel apart zijn. We hebben een hele actieve verenigingscultuur en mensen kunnen zich goed organiseren. En door ons koloniale verleden hebben we ook veel internationale contacten. Dat maakt het allemaal redelijk makkelijk om zaken als Wereldwinkels op te zetten.’
Over ons koloniale verleden gesproken: welke rol speelt kolonisatie in dit verhaal?
‘Ik zou beargumenteren dat juist de dekolonisatie ertoe leidde dat deze beweging in Nederland op gang kwam. Nederland is na de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië in 1963 geen koloniaal imperium meer, en dat maakt de discussie rondom eerlijke handel minder gevoelig. In Frankrijk en Engeland ligt dat nog veel ingewikkelder.’
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
‘Het opvallende is wel dat de Nederlandse Wereldwinkels in de jaren zeventig een campagne wilden organiseren rondom Suriname. De arbeidsomstandigheden daar waren ellendig en de suikerproducenten kregen veel te weinig geld. Maar het blijkt lastig om klanten enthousiast te krijgen, want nu gaat het om ons eigen koloniale verleden.’
‘Uit archiefstukken blijkt dat klanten daar niet zo makkelijk het stempel ‘fout’ op wilden drukken. De Wereldwinkels waren heel verbaasd over de weerstand, omdat ze tot dan toe alleen maar positieve reacties hadden gekregen.’
Hoe verklaar je dat verschil?
Van Dam: ‘Ik wil zeker niet zeggen dat het onschuldig is wat Nederland met Suriname heeft gedaan, maar Portugal had in de jaren zeventig nog plantages in Angola waar mensen onder dwang koffie moesten oogsten en verkopen ten bate van Portugal. Ze kregen ook lijfstraffen. Dat speelde in de jaren zeventig niet in Suriname. Er zijn genoeg voorbeelden te bedenken in het verleden waarin Nederland dit ook deed, maar niet op dat moment.’
‘Ik denk dat mensen daarom vonden dat de situatie in Suriname minder erg was, en een aparte campagne niet nodig was. We moesten onze pijlen vooral op andere plekken blijven richten. En het kwam zoals gezegd te dichtbij. Mensen wilden best meepraten over de oneerlijke wereldhandel, maar niet over Suriname. De Wereldwinkels wisten ook niet zo goed hoe we over ons eigen koloniale verleden moesten praten.’
Je zei dat fair trade in de jaren zeventig enthousiast werd onthaald. Waarom liggen de schappen er dan niet vol mee?
Van Dam: ‘Dat is een goede vraag, en ook eentje waar mensen in de beweging zelf nog steeds mee worstelen. Laat ik beginnen met te zeggen dat er een hele hoop wel is veranderd. In de jaren zeventig waren veel bedrijven alleen bezig met een goed product voor een goede prijs verkopen, hoe de productieketen eruitzag maakte niet uit. Inmiddels hebben we wetgeving over due diligence [ondernemen met zorg voor mens en milieu, red.], en daar heeft dit activisme een belangrijke rol in gespeeld.’
Is er dan te weinig interesse vanuit de consument?
Van Dam: ‘Ik geloof dat er bij veel mensen een soort vertrouwen heerst dat alles wat er in de supermarkt ligt onder de juiste omstandigheden is geproduceerd. Anders zou het er niet liggen. En het klopt dat er hoge kwaliteitseisen aan producten worden gesteld, maar die zijn er vooral om de consument te beschermen – niet de mensen die de producten maken of de dieren waar ze uit bestaan. De minimumeisen die daarvoor zijn vastgesteld, stellen echt weinig voor.’
‘Daar komt bij dat productieketens vanaf de jaren zeventig de hele wereld overgaan, en die zijn alleen maar mondialer geworden. Het is gewoon heel lastig om dat te beseffen. Zeker als je zelf al in armoede leeft of gelooft dat er scherp wordt toegezien op de productie. Maar dat is gewoon niet zo.’
Hoe is ons geloof in eerlijke handel veranderd?
Van Dam: ‘Eind jaren zestig heerste nog het vertrouwen dat de eerlijke handel op een Europees of mondiaal niveau geregeld kon worden. De fairtradebeweging werd over de hele wereld positief ontvangen. Maar dat vertrouwen ebt na de jaren zeventig weg. Dat heeft grotendeels te maken met het loslaten van de gouden standaard [loskoppeling van de dollar en de goudprijs, red.]. Mensen geloven vanaf dan niet meer dat de internationale economie te sturen is.’
Leestip: 5 Nederlandse koloniale forten die je waarschijnlijk nog niet kende
‘Je ziet dan ook het idee opkomen dat we de economie zo min mogelijk regels moeten opleggen. Vanaf de jaren tachtig wordt de politiek ook heel terughoudend met bedrijven bindende regels voorschrijven. Zeker in de jaren negentig is er door de nieuwe globaliseringsgolf heel veel ellende bijgekomen, vooral in de kledingindustrie. Dat is een sector waar het lange tijd alleen maar slechter werd in plaats van beter. Ondanks dat er dus in de jaren zeventig al veel aandacht was voor fair trade.’
Moeten we de hoop op volledig eerlijke handel dan opgeven?
Van Dam: ‘Het is heel makkelijk om somber te worden als je naar de geschiedenis kijkt. We weten al vanaf de jaren vijftig hoe de handel eerlijker kan, iedereen weet dat het probleem bestaat, maar we doen er veel te weinig aan. Maar waar ik hoop uit put, is dat er in de hele geschiedenis mensen zijn geweest die het niet pikten, en dat zij ook veel voor elkaar kregen.’
‘Neem die rietsuikeractie in de jaren zestig. Dat begon met een groepje studenten en voor je het weet koopt heel Nederland rietsuiker. Je kunt de optelsom maken van mensen die wel een beter leven hebben gekregen door fair trade, en dat stemt me weer hoopvol. De geschiedenis heeft me in ieder geval geleerd dat er meer mogelijk is dan je denkt, als je maar met een paar mensen aan de slag gaat.’
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!









