‘Zulk een long noemt men een stoflong,’ zo beschrijft Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage de aangetaste longen van arbeiders al in 1890. ‘Uit het lijk verwijderd en in het water gedompeld, zinkt ze als een baksteen’ en zou je er een mes op zetten, dan knarst de long net zo hard als een ‘wagenrad op een grintweg.’

Dat arbeiders als steenhouwers en glasslijpers een grotere kans hadden op longaandoeningen, veroorzaakt door het stof dat ze de hele dag inademden, wordt in de krant uitgebreid besproken. Toch zouden de stoflongen van Limburgse mijnwerkers jarenlang niet serieus genomen worden. Hoe zag het leven onder de grond eruit? En hoe werd de stoflong een erkende beroepsziekte?

De opkomst van de Limburgse mijnen

Tussen 1802 en 1974 wordt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek ongeveer 540 miljard kilo steenkool uit de Limburgse bodem gehaald. Aanvankelijk gebeurt dat in particuliere mijnen, maar al snel ziet ook de Nederlandse overheid kansen. Steenkool is op dat moment cruciaal voor industrie, spoorwegen en energievoorziening, én levert veel inkomsten op.

Ook arbeiders zouden gebaat zijn bij de staatsexploitatie, zo meldden lokale kranten: voor Limburgers biedt de mijnbouw immers werk dicht bij huis. Eind negentiende eeuw trokken veel arbeiders nog naar Belgische mijnen, maar met de komst van staatsmijnen konden zij voortaan in eigen regio aan de slag.

een man wijst naar een mijnbouwkaart aan de ondergrondse vakschool
Taconis, Kryn / Anefo / Nationaal Archief
Je mocht niet zomaar de mijn in. Daarvoor was een opleiding aan de Ondergrondse Vakschool (OVS) nodig. Jongens konden zich al vanaf veertien-jarige leeftijd aanmelden.
jonge jongens in de oefenmijn
Taconis, Kryn / Anefo / Nationaal Archief
Jongens van veertien mochten nog niet direct de mijn in. Eerst moesten ze oefenen in oefenmijnen. Pas op hun zestiende gingen ze eens per week ondergronds. Vanaf hun achttiende draaiden ze volwaardig mee.

Het eerste wetsvoorstel wordt in 1901 ingediend en in 1906 is de opening van de eerste staatsmijn, Staatsmijn Wilhelmina, een feit. In de jaren erna volgen er nog drie: Maurits, Emma en Hendrik.

Al snel kent vrijwel iedereen in Limburg wel een ‘koempel’, de lokale term voor mijnwerker. In 1930 werkt bijna een kwart van de Limburgse mannen in of rond de mijnen. Niet alleen als houwer onder de grond, maar ook als smid of timmerman. Daarnaast zorgen schoenmakers voor stevig schoeisel, en lampenisten voor licht in het donker.

Werken zonder stofmaskers

Het productietempo ligt hoog, met name in de jaren dertig. In die periode halen houwers twaalf miljard kilo steenkool per jaar uit de grond. Veiligheidsvoorschriften zijn er nauwelijks.

lampenist in een kolenmijn
Blazer, Carel / Anefo / Nationaal Archief
De lampenist zorgt ervoor dat de mijnwerkers een lamp hebben. 
de schoenmaker bemant een machine om schoenen mee te repareren
Blazer, Carel / Anefo / Nationaal Archief
De schoenmaker bemant een machine om schoenen mee te repareren. Deze foto is genomen in 1945.

Naast acute gevaren, zoals het instorten van mijnschachten en explosies, is er ook een sluipmoordenaar: pneumoconiose, beter bekend als de stoflong. Tot aan de Tweede Wereldoorlog gaan de koempels zonder stofmaskers de mijn in, met alle risico’s van dien.

Opvallend genoeg is het stofmasker op dat moment allang uitgevonden. Sterker nog: het is al bekend dat ze helpen de gezondheid te beschermen. Waarom ze dan toch nauwelijks werden gedragen? De maskers vertraagden het werk.

De Limburger Koerier plaatst in 1935 een ingezonden brief: ‘Stofmaskers zijn noodzakelijk om den mijnwerker te beschermen tegen de Muu [onzichtbare stofdeeltjes, red.] en deze bescherming is een heilige plicht. Welnu, het tempo maakt het gebruik ervan onmogelijk, maar het tempo kan verminderd worden (…) en dan wordt het mogelijk om stofmaskers te dragen.’

Het tempo waarin moest worden gewerkt, stond ook een ex-mijnwerker die in 1965 wordt geïnterviewd door het Rotterdamsch Parool helder voor de geest: ‘Het was verschrikkelijk vroeger. (…) Je kreeg viereneenhalve gulden per dag (…). In je eentje moest je 22 wagons vol krijgen. Als je het niet haalde, zeiden ze, donder maar op, voor jou honderd anderen.’

De stoflong, een groeiend gezondheidsprobleem

Intussen wordt steeds duidelijker dat stoflongen een serieus gezondheidsprobleem vormen. In België belanden steeds meer mijnwerkers in het ziekenhuis en wordt er een speciaal sanatorium voor hen gebouwd.

Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!

In Duitsland worden zware gevallen van silicose, veroorzaakt door het inademen van kiezelstof, al in 1929 als beroepsziekte aangemerkt. Nederland volgt op 1 juli 1939. Silicosepatiënten kunnen nu wettelijk aanspraak maken op een uitkering via de Ongevallenwet.

Een taboe onder werknemers en werkgevers

Maar daarmee is het probleem allerminst opgelost. Er ontstaat discussie over de vraag wanneer longaandoeningen daadwerkelijk door het mijnwerk werden veroorzaakt. Ook krijgen lang niet alle mijnwerkers de juiste diagnose na een keuring. Veel koempels krijgen te horen dat ze ‘gezond’ zijn of simpelweg een vorm van astma hebben.

mijnwerkers in limburg
Publiek Domein
Tot aan de Tweede Wereldoorlog droegen de Limburgse mijnwerkers geen stofkapjes of -maskers.

De stoflong wordt een taboe, zowel onder mijnwerkers als bij de mijnbedrijven. In 1952 schrijft een arts in het Limburgsch Dagblad zelfs dat zwarte longen – anthracose, veroorzaakt door koolstof – niet noodzakelijk schadelijk zouden zijn.

Silicose, veroorzaakt door kiezelstof, zou een veel groter probleem zijn: ‘Uit ervaring weet men dat dit beeld [zwarte longen, red.] regelmatig ook bij mensen op hogere leeftijd voorkomt, waarmee bewezen is, dat het inademen van stof over het algemeen niet nadelig is voor de gezondheid.’

Steeds meer onderzoek en wetgeving

Een stap in de goede richting is de oprichting van het Instituut voor Longonderzoek in 1949. Mijnwerkers ondergaan vanaf dan periodiek medische keuringen. Er wordt een röntgenfoto gemaakt en de longinhoud wordt gemeten.

mijnwerkers nemen een douche
Taconis, Kryn / Anefo / Nationaal Archief
Het werken in de mijn was zwaar en vies. Veel mijnwerkers zouden later echter vooral vertellen over de kameraadschap die ze voelden onderling.
limburgse mijnwerkers met masker
Spaarnestad Photo / rechtenvrij
Deze mijnwerkers dragen een stofmasker. Hoewel het masker bestond, werd het niet altijd gebruikt omdat ze het werktempo belemmerden. Deze foto is genomen tussen 1910-1940.

Maar daarin schuilt een groot probleem: stoflongen openbaren zich vaak pas jaren later. Een werknemer die tijdens zijn loopbaan gezond werd verklaard, kon na zijn pensioen alsnog ernstig ziek worden.

In 1967 verandert de wet, met grote gevolgen voor mijnwerkers. Wie zich arbeidsongeschikt wil laten verklaren, moet aantonen dat de stoflong al voor 1 juli 1967 was ontstaan. In de praktijk blijkt dat vaak onmogelijk, mede doordat medische dossiers ontbraken, geheim werden gehouden of vernietigd waren.

Eindelijk erkenning voor mijnwerkers

In de jaren negentig komt er een roep om het inlossen van ereschuld. Duizenden Limburgse mijnwerkers die hun werkende leven hebben moeten bekopen met ernstige gezondheidsproblemen, krijgen in 1994 een eenmalige netto-uitkering van 20.000 gulden van de overheid.

Leestip: Hoe Nederland in de jaren zestig in recordtijd overstapte op aardgas

‘Het is mooi dat ze eindelijk eens inzien dat er zoveel gezinnen zijn die dag en nacht huilen van ellende,’ zo citeert NRC een ex-mijnwerker en silicosepatiënt. ‘Maar je gezondheid koop je er natuurlijk niet mee terug.’

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Headshot of Roeliene Bos

Roeliene werkt als editor voor National Geographic. Daarnaast levert ze als wetenschapsjournalist bijdragen aan onder meer Quest en KIJK Magazine. Ze is dol op reizen, godsdienstgeschiedenis en een stevige wandeling.