Het is juli 1799. De Franse troepen hebben Egypte bezet. Onder hen is luitenant Pierre-François Bouchard, die de taak heeft om het verwaarloosde Fort Julien in Rosetta (het huidige Rashid) te versterken. Tijdens de werkzaamheden spot Bouchard een steen waar drie verschillende talen in gebeiteld staan: hiërogliefen, demotisch en Oudgrieks.
De vondst, die later wereldberoemd wordt als de steen van Rosetta, zou de sleutel blijken tot een van de grootste taalkundige doorbraken uit de geschiedenis. Maar voordat de hiërogliefen hun geheim prijsgeven, zijn tientallen jaren van speurwerk nodig.
Een oorlogsbuit belandt in Londen
Aanvankelijk krijgen Franse archeologen de steen in handen. Hun onderzoek is echter van korte duur: in 1801 worden de Fransen in Egypte verslagen door de Britten, die de steen en talloze andere artefacten meenemen naar Londen.
Hier wordt de steen door koning George III aan het British Museum geschonken, waar de steen van Rosetta vandaag de dag nog steeds te bezichtigen is.
Het ontcijferen van de hiërogliefen
De ontdekking veroorzaakt veel opwinding in wetenschappelijke kringen in Europa. Omdat dezelfde tekst in drie schriften is vastgelegd, lijkt de steen een unieke kans te bieden om eindelijk de mysterieuze Egyptische hiërogliefen te ontcijferen.
Afdrukken van de inscripties worden door heel Europa verspreid. Taalkundigen en egyptologen storten zich op de puzzel, maar lopen tegen een fundamenteel probleem aan: niemand weet hoe hiërogliefen precies werken. Staan de tekens voor letters, woorden, klanken of complete begrippen?
Alleen de Oudgriekse tekst kan zonder moeite worden gelezen. De hoop is dat die als uitgangspunt kan dienen om ook het Demotisch en de hiërogliefen te begrijpen.
Champollion ontdekt hoe het schrift werkt
Onder andere de Zweed Johan Åkerblad, de Brit Thomas Young en de Fransman Jean-François Champollion buigen zich over het vraagstuk.
De laatstgenoemde kiest voor een opvallend praktische aanpak: hij telt eerst de woorden in de Griekse tekst: 486. Daarna telt hij de afzonderlijke groepen hiërogliefen en komt uit op 1419. Daaruit trekt hij een belangrijke conclusie. Als iedere hiëroglief uitsluitend een volledig woord zou voorstellen, zouden beide teksten ongeveer evenveel tekens moeten bevatten. Dat blijkt niet zo te zijn.
Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!
Vervolgens brengt hij de 1419 groepen terug tot 161 verschillende tekens. Een alfabet met 161 letters is onwaarschijnlijk. Volgens Champollion betekent dit dat hiërogliefen zowel ideografisch als fonetisch zijn: sommige tekens stellen een begrip of voorwerp voor, andere vertegenwoordigen een klank.
De namen van farao’s geven de eerste aanwijzingen
Het lukt Young en Champollion wel om – afzonderlijk van elkaar – iets te ontcijferen. In de Griekse tekst op de steen van Rosetta herkennen ze de naam van een farao: ΠΤΟΛΕΜΑΙΟΣ, Ptolemaeus. In hiërogliefen werd de naam geschreven in een cartouche, een ovaal kader. De cartouche in de hiërogliefen werd dus vermoedelijk gebruikt om naar Ptolemaeus te verwijzen.
Wanneer de tekens worden vergeleken, ontstaat een fonetische reeks die overeenkomt met de Griekse naam. Daarna past Champollion dezelfde methode toe op een andere tweetalige tekst – de Casati-papyrus, een juridisch document uit 114 v.C. – waarin ook de naam Cleopatra voorkomt. Daarmee wordt duidelijk dat hiërogliefen inderdaad fonetische klanken kunnen weergeven.
Een vakantieschets leidt tot de grote doorbraak
De echte doorbraak volgt als Champollion in 1822 een kennis op bezoek krijgt. Nicholas Huyet is net teruggekeerd van een reis door Egypte en heeft voor Champollion schetsen en aquarellen van zijn reizen meegenomen.
Op een van de tekeningen ziet Champollion een cartouche die hij nog niet kent. Die bestaat uit een zonneschijf, een dubbele boog en twee bekende tekens aan het einde. Het laatste teken herkent hij uit de naam van Ptolemaeus als de klank S. De zon interpreteert hij als Ra, de zonnegod.
Het tweede symbool, de dubbele boog, herkent Champollion van de steen van Rosetta. De bijpassende Griekse tekst spreekt hier van de ‘verjaardagsviering’ van farao Ptolemaeus. Het Koptische woord voor ‘baren’ of ‘geboorte’ is ‘Mise’. De dubbele boog zou dus de klank M of MS kunnen zijn: Ra-M-SS: Ramesses, of Ramses.
‘Ik heb het!’
Op dat moment valt voor Champollion alles op zijn plaats. Hij toetst zijn hypothese bij een ander cartouche bestaande uit een ibis, gevolgd door dezelfde dubbele boog en de haak. Champollion weet dat de ibis symbool staat voor Thot, de god van kunst en wetenschap. In de cartouche staat dus Thot-M-S: Thoetmosis.
Champollion beseft dat de hiërogliefen op fonetische en ideografische wijze met het Koptisch verbonden zijn. Buiten zichzelf van enthousiasme rent hij naar het nabijgelegen kantoor van zijn broer, waar hij roept: ‘Je tiens l’affaire’ (‘Ik heb het!’). Hierna valt hij, uitgeput, bewusteloos neer.
Zijn ontdekking uit 1822 vormt het begin van de moderne egyptologie. Dankzij de steen van Rosetta kunnen wetenschappers sindsdien duizenden Egyptische inscripties lezen en reconstrueren zij steeds beter de geschiedenis van een van de invloedrijkste beschavingen uit de Oudheid.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!
Jurre is als Digital Editor actief voor alle digitale kanalen van National Geographic. Door zijn brede interesse en journalistieke achtergrond is hij van alle markten thuis, al gaat zijn hart toch wat sneller kloppen van verhalen over reizen, geschiedenis en natuur. In zijn vrije tijd gaat hij graag met de backpack op stap óf ontdekt hij, thuis aan de keukentafel, kerkers en kastelen in Dungeons & Dragons.












