Doolhof van tunnels onthult overblijfselen oude Jeruzalem

Omstreden opgravingen onder de heilige stad brengen tal van religieuze en culturele schatten naar boven, maar zetten ook eeuwenoude spanningen op scherp.woensdag 4 december 2019

Door Andrew Lawler
Foto's Van Simon Norfolk

Dit artikel verscheen in de december 2019 editie van National Geographic Magazine.

Ik doe mijn best de Israëlische archeoloog bij te benen. Die manoeuvreert met zijn tengere postuur behendig door de nauwe, kronkelige gangen met vervaarlijk uitstekende rotsen. Met onze smartphonelampjes als enige lichtbron probeer ik om niet steeds met mijn helm tegen de stenen te stoten. Ineens blijft Uziel staan. ‘Ik ga je iets heel gaafs laten zien.’

De gang waar we zijn ligt onder een rotsachtige heuvel ten zuiden van de Oude Stad van Jeruzalem. Onder die smalle heuvel, het oudste deel van Jeruzalem en tegenwoordig een drukke, overwegend Palestijnse woonwijk, bevindt zich een heel stelsel van natuurlijke grotten, Kanaänitische aquaducten, Judese tunnels en Romeinse steengroeven. De tunnel waar wij lopen is van later datum: eind negentiende eeuw werd hij uitgehouwen door twee Britse archeologen.

Achter Uziel aan betreed ik een nog maar pas uitgegraven ruimte. Hij richt zijn lampje op een kleine, witachtige cilinder. ‘Een Byzantijnse zuil,’ licht hij toe. Als hij een zandzak wegtrekt, komt er een glad, wit oppervlak tevoorschijn. ‘En dit is een stuk van de marmeren vloer.’

We staan in een kerk die in de vijfde eeuw is gebouwd op de plaats waar Jezus een blinde zou hebben genezen. In de loop der eeuwen viel het bouwwerk toe aan het grote onderaardse rijk van de stad.

De kerk is de zoveelste complicatie in het duurste en meest omstreden archeologische project ter wereld. Uriel werkt aan het uitgraven van een tweeduizend jaar oude straat waarlangs ooit pelgrims, kooplieden en andere bezoekers naar een van de wonderen van het oude Palestina liepen: de joodse tempel. Toen de Romeinen in 70 n.Chr. de stad platbrandden, raakte deze monumentale, zeshonderd meter lange straat bedolven onder het puin.

‘Vanwege de kerk hebben we onze graafroute moeten aanpassen,’ zegt Uziel. ‘Je weet van tevoren nooit wat je tegenkomt.’ Hij is ook al gestuit op joodse rituele baden, een laat-Romeins gebouw en de fundamenten van een vroegislamitisch paleis. Al die vondsten moeten worden bestudeerd en gedocumenteerd, en vervolgens wordt er een omweg gezocht of een doorgang gecreëerd.

In de tijd van de twee Britse archeologen was tunnels graven heel gewoon. Tegenwoordig geldt die methode als gevaarlijk en onwetenschappelijk. Maar op deze plek is het geen optie om vanaf straatniveau te graven: hier wonen mensen. Daarom boort een heel leger ingenieurs en bouwvakkers een horizontale schacht in de flank van de heuvel. Steeds wanneer er een nieuw stuk tunnel is opgeleverd, doorzoekt het team van Uriel het minutieus op munten, aardewerk en andere artefacten. Of de werkwijze wetenschappelijk is, hangt ervan af aan welke Israëlische archeoloog je het vraagt. De een vindt het revolutionair, de ander waanzin.

De bodem is zo instabiel dat de boel zo nu en dan instort, wat hinderlijk is voor de tunnelwerkers, maar rampzalig voor de Palestijnen die schade lijden aan hun woningen. Wat het ambitieuze project, dat grotendeels wordt betaald door een organisatie van Joodse kolonisten, nog controversiëler maakt, is de locatie. Oost-Jeruzalem is in 1967 door Israël geannexeerd en wordt door veel landen beschouwd als bezet gebied. (Volgens het internationaal recht zijn opgravingen in bezette gebieden doorgaans illegaal.) De Palestijnse naam van de wijk is Wadi Hilweh, de Joden spreken van Davidsstad, omdat koning David hier de eerste Israëlitische hoofdstad zou hebben gebouwd.

Achter Uziel aan loop ik terug door de nauwe schacht naar een pas opgeleverd deel van de tunnel en ontwijk ik op tijd een emmer vol aarde die over een lopende band aan komt zeilen. Anders dan de donkere, vochtige Britse gang heeft deze blinkend metalen wanden. Grote kalkstenen treden glanzen zover je kunt kijken. ‘Sommige stenen zien er bijna onbelopen uit,’ zegt de archeoloog wanneer we naar boven lopen. ‘Dit was de hoofdstraat van het vroeg-Romeinse Jeruzalem. De pelgrims wasten zich in de baden en liepen daarna omhoog naar de tempel.’

Lang is de weg niet in gebruik geweest. Op grond van oude munten die hier zijn gevonden, wordt aangenomen dat de monumentale trap rond 30 n.Chr. is gebouwd door een beruchte niet-Jood, een Romeinse prefect die vooral bekend is van zijn bevel om Jezus te laten kruisigen: Pontius Pilatus.

'De waarheid zal uit de aarde spruiten,’ zeggen de Psalmen, maar in Jeruzalem is de grote vraag: wiens waarheid? In deze stad, die voor alle drie de grote monotheïstische religies even belangrijk is, hoef je maar een schop in de grond te steken of het heeft meteen verstrekkende gevolgen. Nergens ter wereld ontaardt een archeologische opgraving zo snel in een rel, met kans op een regionaal of wereldwijd conflict.

Toen de Israëlische overheid in 1996 in de moslimwijk in de Oude Stad een toegang tot een tunnel opende langs een stuk van de Klaagmuur, braken er gewelddadige protesten in de regio uit; er vielen zo’n 120 doden. Het mislukken van de vredesakkoorden van Oslo is deels terug te voeren op het meningsverschil rond de zeggenschap over de bodemschatten onder wat de Joden Har ha-Bayit noemen (de Tempelberg) en de Arabieren Haram al-Sharif (het Verheven Heiligdom). Zelfs de recente bouw van het Museum of Tolerance in Jeruzalem ligt onder vuur omdat er islamitische graven voor zijn verwoest.

‘Archeologie ligt zo gevoelig in Jeruzalem omdat het niet alleen de wetenschap raakt, maar ook de politiek en publieke opinie,’ bekent Yuval Baruch van de Israëlische Oudheidkundige Dienst IAA en hoofd van de vestiging in Jeruzalem. De stad is uitgegroeid tot een van de drukste archeologische vindplaatsen ter wereld, met jaarlijks zo’n honderd opgravingen.

Volgens Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit, is al dat gegraaf naar joodse vondsten onderdeel van een campagne om 1400 jaar islamitisch erfgoed te verdonkeremanen. ‘Hier gaat archeologie niet alleen over wetenschappelijke kennis, maar ook over politiek,’ zegt ook Yoesoef Natsheh, hoofd islamitische archeologie bij de Islamitische Waqf van Jeruzalem, de religieuze organisatie die toezicht houdt op de heilige plaatsen voor moslims.

Baruch weerspreekt met verve dat zijn opgravingen een politieke bedoeling hebben. Elk tijdvak krijgt de wetenschappelijke aandacht die het verdient, zegt hij, of het nu over de Kanaänitische periode gaat of die van de kruisvaarders. Het staat buiten kijf dat de Israëlische archeologen tot de best opgeleide ter wereld horen. Maar het valt evenmin te ontkennen dat archeologie als een politiek wapen wordt gebruikt in het Arabisch-Israëlische conflict. En dan zijn de Israëli’s in het voordeel omdat zij alle opgravingsconcessies in Jeruzalem bezitten.

De verwevenheid van politiek, religie en archeologie kent hier een lange geschiedenis. Rond 327 n.Chr. werd onder de Romeinse keizerin Helena een Romeinse tempel gesloopt. ‘Zij opende de aarde, deed het stof verwaaien en trof drie kruisen aan in wanordelijke staat,’ schreef een bijna-tijdgenoot. Eén van die drie was volgens de hoogbejaarde moeder van Constantijn de Grote het kruis waaraan Jezus was gestorven. Kort na de ontdekking werd op de vindplaats de Heilig Grafkerk gebouwd.

Zo’n 1500 jaar later begon de Franse wetenschapper en politicus Louis Félicien Joseph Caignart de Saulcy de eerste archeologische opgraving in de stad, en ook die leidde tot een ware hype. In 1863 legde hij een complex van graftombes bloot, tot woede van Joodse omwonenden, die wat er overdag was uitgegraven ’s nachts weer met aarde bedolven. Desondanks nam De Saulcy een oude sarcofaag mee terug naar het Louvre, waarin volgens hem de resten van een vroege joodse koningin lagen.

In zijn kielzog kwamen meer Europese onderzoekers jacht maken op Bijbelse schatten. In 1867 stuurden de Britten Charles Warren op onderzoek uit. Hij liet lokale werklieden diepe gangen en schachten maken, zodat hij buiten het zicht van de toenmalige Ottomaanse machthebbers de bodem onder Jeruzalem kon uitspitten. Als de harde bodem hem in de weg zat, blies hij die op met dynamiet. Warrens bevindingen en nauwkeurige kaarten zijn nog altijd verbluffend. Maar het wantrouwen waarmee archeologen ook door de huidige moslimbevolking worden bekeken, is wellicht eveneens ten dele op zijn conto te schrijven.

Honderd jaar later, toen Israël in de Zesdaagse Oorlog Oost-Jeruzalem veroverde, met inbegrip van de Oude Stad, begonnen Joodse archeologen met de grootscheepse wetenschappelijke opgravingen die een sleutelrol zouden krijgen bij de pogingen van de jonge staat om trots zijn oude wortels te tonen. Ze legden villa’s bloot van de joodse elite uit de eerste eeuw, met fraaie mozaïeken en wandschilderingen. Maar ze vonden ook delen van de verloren gewaande Nea-kerk, die vijfhonderd jaar later werd gebouwd en bijna net zo belangrijk was als de Heilig Grafkerk, en ruïnes van een enorm complex gebouwd door vroege moslimheersers.

Sommige opgravingen droegen echter duidelijk een religieus karakter. Het ministerie van Religieuze Zaken gaf na de Zesdaagse Oorlog opdracht tot de aanleg van tunnels om ook de delen van de Klaagmuur die onder de grond liggen, toegankelijk te maken. De Klaagmuur is voor joden de heiligste plaats om te bidden: het is een overblijfsel van het plateau waarop Herodes de Grote zijn tempel bouwde. Over ruim de helft van de bijna vijfhonderd meter lange muur is later heen gebouwd. De eerste twintig jaar dat aan de tunnels werd gewerkt, was er nauwelijks archeologisch toezicht, vertelt de Israëlische archeoloog Dan Bahat, die zijn best heeft gedaan om daarin verandering te brengen. Bovendien wekten de werkzaamheden argwaan onder de moslims, die vreesden dat de Israëli’s er stiekem op uit waren om een doorgang in de muur te maken naar het heilige plateau.

Op een ochtend in de zomer van 1981 werd die vrees bewaarheid. Bewakers van de Waqf betrapten een bekende rabbijn op het slopen van een muur uit de kruisvaarderstijd om zich toegang te verschaffen tot een onderaardse poort naar het heilige plateau. De rabbijn was ervan overtuigd dat de verloren ark des verbonds onder de Rotskoepel lag, een van de oudste en heiligste islamitische bouwwerken. Er ontstond een ondergrondse schermutseling, en de Israëlische premier Menachem Begin besloot de poort per direct te verzegelen voordat het conflict tot een internationale crisis kon uitgroeien.

Vijftien jaar later sprongen de Israëlische Joden op hun beurt uit hun vel. In 1996 werd een van de indrukwekkendste ondergrondse ruimten van Jeruzalem, een reusachtige hal met zuilen onder het zuidoostelijk deel van de zogeheten Stallen van Salomo, door de Waqf van een stoffig opslagmagazijn verbouwd tot een gebedshal, de Al-Marwanimoskee. Drie jaar later stemde de Israëlische regering in met de aanleg van de nieuwe toegang waar de Waqf vanwege de grote toeloop om had gevraagd. De IAA werd niet in dat besluit gekend.

Zonder archeologisch toezicht werd met zwaar materieel een diepe kuil gegraven. ‘Tegen de tijd dat wij daar lucht van kregen en we het werk konden laten stilleggen, was er al enorme schade aangericht,’ zegt Jon Seligman van de IAA, destijds hoofdarcheoloog van Jeruzalem. Welnee, zegt Nazmi Al-Jubeh, een Palestijnse historicus en archeoloog aan de Universiteit van Bir Zeit. ‘Er is niets verwoest. Ik was er zelf bij om te zorgen dat bij het graven geen archeologische lagen werden aangeboord. Voordat dat kon gebeuren, riep ik ‘Khalas!’ (‘Genoeg!’)

Later werden de tonnen uitgegraven aarde door de Israëlische politie weggehaald. Sinds 2004, toen er met het doorzoeken van die aarde werd begonnen, zijn al meer dan een half miljoen voorwerpen gevonden. Als ik het laboratorium bezoek waar dat gebeurt, toont de archeoloog Gabriel Barkay stukken gekleurd marmer, volgens hem afkomstig van de pleinen rond de joodse tempel. Maar Seligman en veel van zijn collega’s vinden die vondsten niet bijster waardevol: elke context ontbreekt en ze kunnen ook best later op het plateau terecht zijn gekomen. ‘Paradoxaal genoeg,’ stelt Seligman, ‘is het meeste wat door de Waqf is verwoest islamitisch.’

Op een druilerige winterochtend wandel ik naar de ingang van de tunnels bij de Klaagmuur, in de buurt van het plein dat vol staat met mannen met zwarte hoeden en jassen. Binnen is het een wirwar van ondergrondse ontvangstruim- ten, gebedszalen en archeologische opgravingsplekken. Voorbij een synagoge van glas en staal, in een afgescheiden ruimte in een middeleeuwse islamitische school, liggen Romeinse latrines en een recentelijk uitgegraven theater. Het is het eerste wat is gevonden in het oude Jeruzalem en dateert uit de tweede eeuw, toen de stad een nieuwe bloeiperiode doormaakte als Aelia Capitolina.

Ik ontmoet Shlomit Weksler-Bdolah. Ze praat razendsnel en beweegt idem dito. ‘Kom, kom, ik moet gauw terug naar beneden,’ zegt de IAA-archeologe, en ze stuift een trap af die naar versgezaagd hout ruikt. In de vochtige ruimte beneden sjorren drie jonge Arabische mannen in T-shirt aan een stenen blok van twee ton dat aan ijzeren kettingen hangt. Weksler-Bdolah legt uit dat het gevaarte wordt verplaatst om toeristen toegang te bieden tot banketzalen uit de tijd van Herodes de Grote.

Weksler-Bdolah excuseert zich wanneer ze wordt geroepen door een ingenieur met witte helm die boven aan de trap staat. De twee hebben een hooglopende woordenwisseling over een stuk geel pleisterwerk dat hij wil weghalen om een metalen trap voor de toeristen te kunnen plaatsen. ‘Dat pleisterwerk is uit de Romeinse tijd, echt heel bijzonder,’ zegt ze tussendoor tegen mij. Zulke discussies weerklinken voortdurend onder de straten van Jeruzalem: wat moet blijven en wat mag worden opgeofferd?

Wat er de afgelopen anderhalve eeuw is ontdekt onder Jeruzalem, heeft oude overtuigingen overhoopgehaald en gekoesterde mythen ontzenuwd. Nog maar weinig archeologen hechten geloof aan het Bijbelse beeld van de luisterrijke hoofdstad van een groot rijk onder koning Salomo. De beroemde vorst wordt nergens genoemd in archeologische vondsten uit die tijd. Het vroege Jeruzalem was waarschijnlijk niet meer dan een bescheiden, versterkte heuvelstad. Evenmin werden de christenen plotseling verdreven na de komst van de islam in de zevende eeuw, zoals historici lang hebben gedacht. Uit veel opgravingen blijkt dat het dagelijks leven van de christelijke inwoners nauwelijks veranderde.

Toch zijn bij opgravingen ook kleistempels gevonden met de namen van Bijbelse hovelingen, een bewijs dat zij echt hebben bestaan. De vondsten vormen ook ondersteunend bewijs voor de stelling van keizerin Helena dat Jezus werd gekruisigd en begraven op de locatie van de Heilig Grafkerk. Archeoloog Eilat Mazar van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem beweert zelfs dat hij het paleis heeft ontdekt van koning David, de eerste Israëlitische heerser van Jeruzalem.

Op een rustige zaterdagochtend, de joodse sjabbat, loop ik Mazar tegen het lijf in het verder verlaten Nationaal Park Stad van David, een archeologische trekpleister. Aan de noordoost-kant van de heuvel heeft ze een gebouw met dikke muren uitgegraven naast een imposante trap die langs de steile helling omhoogvoert. Op grond van het gevonden aardewerk dateert Mazar het gebouw op 1000 v.Chr., naar algemeen wordt aangenomen de periode dat de Israëlieten Jeruzalem op de Jebusieten veroverden.

Ze vraagt me mee te lopen. Via een trap naar beneden komen we op een metalen loopbrug boven haar beroemde opgravingsplek. Dan buigt ze zich over de reling en wijst naar de stenen in de diepte. ‘Dit was een bijgebouw van het oude Kanaänitische paleis, maar de manier van bouwen was nieuw. Dit is een koning geweest met een visie, die iets groots en imposants heeft neergezet en die verstand van zaken had.’ Dat kan volgens Mazar alleen koning David zijn geweest. ‘Alles klopt met het Bijbelverhaal.’

Haar ontdekking was in 2005 wereldnieuws, maar bij haar collega’s overheerst scepsis. Ze baseert haar tijdsbepaling grotendeels op aardewerk in plaats van moderne technieken als koolstofdatering. Haar letterlijke interpretatie van de Bijbel deugt volgens veel archeologen evenmin.

‘Ik ga op de feiten af,’ zegt ze gepikeerd wanneer ik haar de bezwaren van andere wetenschappers voorleg. ‘Wat mensen geloven, is weer een ander verhaal.’

Mazar wil graag wat noordelijker gaan graven, waar volgens haar het beroemde paleis van Davids zoon Salomo verborgen ligt. ‘Ik weet zeker dat het daar is,’ zegt ze met plotselinge heftigheid. ‘We moeten het opgraven!’

Maar de IAA hecht tegenwoordig sterk aan technisch geavanceerde methoden en heeft haar nog geen vergunning verleend. ‘Als je nu wilt graven, moet je echt met iets komen: geen munten of aardewerk, maar fysiologische en biologische onderzoeksresultaten,’ zegt Baruch van de IAA. ‘En daar is Eilat Mazar niet van.’

Pas tegenover Mazars veronderstelde paleis van David is Yuval Gadot daar juist wél van. De lange, vriendelijke archeoloog van de Universiteit van Tel Aviv gaf leiding aan het grootste opgravingsproject van dit moment. Waar ooit een stoffige parkeerplaats lag, gaapt nu een gat waarin een groot deel van de 2600-jarige geschiedenis van de stad terug te vinden is, van vroegislamitische werkplaatsen en een Romeinse villa tot indrukwekkende bouwwerken uit de ijzertijd, nog van vóór de Babyloni- sche verwoesting van 586 v.Chr. Een groot deel van het werk wordt niet op locatie gedaan, maar in laboratoria elders, waar experts alles analyseren, van parasieten uit islamitische beerputten tot fraai bewerkte gouden sieraden uit de tijd van de Griekse overheersing.

Binnenkort wordt deze site opengesteld voor het publiek en komt er bovengronds een groot bezoekerscentrum om de almaar groei- ende stroom toeristen op te vangen. Mede door Gadot, Mazar en Uziel is dit ooit zo rustige Arabische dorp uitgegroeid tot een van de populairste attracties in een stad die zich tot de snelstgroeiende toeristenbestemmingen ter wereld mag rekenen. ’s Avonds vormen hun archeologische vindplaatsen het achtergronddecor voor laserlichtshows. ‘Hier is het begonnen, en hier gaat het verder,’ buldert een verteller onder begeleiding van gekleurd licht en aanzwellende muziek. ‘De terugkeer naar Sion!’

Het spektakel is afkomstig van de stichting Stad van David, die werd opgericht om de Joodse aanwezigheid te versterken en die het leeuwendeel van de recente opgravingen bekostigt. De organisatie haalt niet alleen veel geld op bij donateurs in binnen- en buitenland, maar heeft bovendien uitstekende politieke connecties. Bij een ceremonie in juni sloeg de Amerikaanse ambassadeur David Friedman symbolisch een muur kapot ter inwijding van het eerste deel van Uziels tunnel. ‘Dit is de waarheid,’ zei hij, doelend op de monumentale weg.

In de optiek van de tweede man van de stichting, Doron Spielman, een onder de rook van Detroit geboren Jood, wordt iedereen beter van wat hier gebeurt. ‘Mensen kopen ijsjes en frisdrank in Arabische winkels,’ zegt hij. ‘En al die beveiliging hier is gunstig voor de Joden én de Arabieren.’ Verder gelooft hij dat er een heilzame invloed uitgaat van de Joodse inwoners, op dit moment ongeveer één op de tien, die overwegend in ommuurde vestingen wonen waar gewapende bewakers patrouilleren. ‘Dit is een mooi voorbeeld van met elkaar samenleven. En dat midden tussen opgravingen die zo veel mogelijkheden bieden.’

Abs Yoesoef, een steviggebouwde middenstander, ziet dat toch anders. ‘De zaken gaan beroerd!’ zegt hij te midden van de Jeruzalem-souvenirs in zijn winkel. ‘Vroeger kwamen hier veel toeristen, maar nu komt er niemand meer. Ze halen alle toeristen naar hun eigen winkels,’ moppert hij, doelend op concurrenten die een licentie hebben van de stichting Stad van David. Dan wijst hij naar de scheuren in zijn muur. ‘Ik heb al drie keer de deur moeten vervangen door alle bodemverzakkingen.’

Even verderop in de straat ga ik op bezoek bij Sahar Abbasi, lerares Engels en adjunct-hoofd van het Wadi Hilweh Informatiecentrum, een Palestijnse organisatie. ‘De opgravingen zorgen voor veel problemen,’ zegt ze. ‘Schade aan onze huizen, tot instorten toe.’ Het gaat om zo’n veertig getroffen woningen, zegt ze, vijf gezinnen moesten verhuizen omdat hun huizen onbewoonbaar waren geworden. ‘Als ze ons niet van bovenaf onder de duim kunnen houden, doen ze het wel van onderaf,’ zegt Abbasi.

Op een ochtend ontvangt Arafat Hamad, een gepensioneerde herenkapper, me tussen de citroenbomen op zijn binnenplaats. Hij woont in een nauw straatje pal boven Uziels tunnel. ‘Ik heb dit huis in 1964 gebouwd, met een dikke betonnen fundering, maar kijk eens wat er de laatste paar jaar is gebeurd.’ Hij wijst op brede scheuren die van de grond tot aan de ramen van de eerste verdieping lopen. Aan de zijkant van het huis liggen zelfs hele bergen puin. ‘Op een avond in augustus zaten we op de veranda toen het huis begon te schudden,’ vertelt hij. ‘We konden horen dat ze onder ons met zware machines aan het werk waren. Als je je hand op de grond legde, kon je de trillingen voelen. We zijn gauw naar de buren gevlucht, en toen hoorden we een knal. Op de plek waar onze keuken had gestaan, zagen we een stofwolk opstijgen.’

Aan de overkant lijkt Hamads buurvrouw, de al wat oudere Miriam Bashir, niet blij met mijn aanwezigheid. ‘Ik ben wel klaar met journalisten,’ zegt ze. ‘Ik wil met rust gelaten worden. We zijn ten einde raad.’

Maar even later draait ze bij en toont ze me toch de beschadigde muren in haar huis. ‘De scheuren zijn drie jaar geleden ontstaan, maar de afgelopen anderhalf jaar zijn ze veel erger geworden,’ zegt ze. Als ik bij haar hek afscheid neem van Bashir, zie ik voor het eerst een glimlach op haar gezicht. ‘Ik hoop dat u ons verhaal eerlijk en duidelijk vertelt. Wij zijn vreedzame mensen, wij wonen hier en we gaan hier niet weg, ondanks alle schade.’

Toen ik Spielman sprak, deed hij luchtig over de zorgen van de Arabieren. ‘Ja, we werken onder huizen waar mensen wonen, maar dat is geen enkel probleem als je het technisch goed aanpakt, en dat doen we.’

Drie dagen nadat ik de Palestijnen heb gesproken, stuurt Spielman me een kille mail. Hij schrijft dat ik geen podium moet bieden aan ‘de beweringen van politiek gemotiveerde, anti-Israëlische lobbygroepen’. Hij wil dat ik voor publicatie de ‘schandelijke aantijgingen’ in detail aan hem voorleg. Op mijn verzoeken om hem en andere mensen van de stichting Stad van David nogmaals te spreken, komt geen reactie. Natsheh, het hoofd islamitische opgravingen van de Waqf, is een stuk toeschietelijker. Hij twijfelt er niet aan dat de opgravingen en de pogingen om Palestijnen te verdrijven alles met elkaar te maken hebben. ‘Archeologie mag geen instrument zijn om de bezetting mee te rechtvaardigen,’ zegt hij.

Wat er onder Jeruzalem ligt, laat zien dat de geschiedenis van de stad te rijk en te complex is voor slechts één lezing – of die nu joods, christelijk of islamitisch is. Helena slaagde er niet in het heidense verleden uit te vlakken, net zomin als de Romeinen de hoofdstad van de opstandige Judeeërs konden doen verdwijnen of de moslims elke herinnering aan de gehate kruisvaardersbezetting teniet wisten te doen. Wie ook de baas is in de meest betwiste stad ter wereld, er zullen onvermijdelijk sporen uit het verleden opduiken die twijfel zaaien over elk verhaal dat slechts een beperkte politieke of religieuze agenda dient.

‘Alle heersers hebben hetzelfde gedaan: hun eigen toren bouwen en daar de vlag hijsen,’ zegt archeoloog Weksler-Bdolah van de IAA lachend. ‘Maar als je het mij vraagt, is deze stad sterker dan iedereen die haar probeert te bedwingen. Niemand kan de hele voorgeschiedenis wegvagen.’

Andrew Lawler schreef eerder over de verloren kolonie van Roanoke in de juni 2018 editie van National Geographic Magazine. Fotograaf Simon Norfolk heeft conflictgebieden over de hele wereld in beeld gebracht.

Lees verder

Weg aangelegd door Bijbelse slechterik opgegraven in Jeruzalem

De Romeinse prefect Pontius Pilatus gaf opdracht voor de weg die pelgrims tweeduizend jaar geleden naar de joodse tempel leidde en die lange tijd verborgen lag.

Jacht op de Bijbel: hoe wordt getwist om heilige teksten

In de mysterieuze wereld waar archeologie en religie elkaar raken, speuren wetenschappers, verzamelaars en sjacheraars om het hardst naar heilige teksten.