Zo krijgen onze beken hun bochten terug

In Nederland en België werden veel beken vorige eeuw gekanaliseerd voor een snelle waterafvoer. Ze worden nu weer uit hun strakke keurslijf bevrijd en mogen opnieuw meanderen.

Thursday, June 4, 2020,
Door Astrid Smit
Foto's Van Jacob Kaptein
In 1963 werd een groot deel van de Ruiten Aa in Oost-Groningen gekanaliseerd. Al jaren werkt ...

In 1963 werd een groot deel van de Ruiten Aa in Oost-Groningen gekanaliseerd. Al jaren werkt Waterschap Hunze en Aa’s samen met andere overheden en natuurorganisaties aan het terugbrengen van de bochten in de beek, om zo een te snelle waterafvoer te voorkomen en de biodiversiteit rond de stroom terug te brengen.

Foto van Jacob Kaptein

Dit artikel verscheen in de juni 2020 editie van National Geographic Magazine.

‘Hoe vind je het?’ vraagt Jeroen Duiven terwijl hij zijn shag rolt. De hele dag heeft hij met een graafmachine stukken boom in de wand geduwd van een vrijwel droogstaand deel van de Ruiten Aa, een beek in Oost-Groningen. Het is een vreemd gezicht: de wortels zitten niet in de grond, maar steken naar buiten. ‘Ik vind het mooi,’ zegt Peter Paul Schollema. ‘Heb je genoeg stobben voor de hele oeverrand?’ Duiven wijst naar een berg boomstronken verderop: ‘Meer dan zat.’ 

Schollema, aquatisch ecoloog van Waterschap Hunze en Aa’s, draait zich naar mij toe. ‘We houden het waterpeil van de beek nu nog even laag,’ vertelt hij. ‘Als Jeroen klaar is, verhogen we de waterstand en komen de wortels grotendeels onder water te liggen. Dan krijg je een schuilplaats voor vissen en waterinsecten, en stroomversnellingen en -vertragingen. Precies wat de flora en fauna hier nodig hebben.’ 

Tot in de jaren tachtig werden beken overal in Nederland gekanaliseerd, om het water uit een gebied snel te kunnen afvoeren. Ook werden er veel watergangen bij gegraven om het land verder te draineren. Dat was goed voor de landbouw, immers: koeien en gewassen hielden droge voeten en de opbrengsten gingen omhoog. Gaandeweg bleek echter veel van de biodiversiteit in en rond de beken te verdwijnen. Bovendien werden de bovenstroomse gebieden door het geleidelijk veranderende klimaat de laatste decennia in het voorjaar en in de zomer steeds droger; zo kwamen in 2018 beken volledig zonder water te zitten en legden vissen massaal het loodje. Benedenstrooms ontstaat er in de herfst en winter juist wateroverlast door overvloedige neerslag. 

De Rosep, een laaglandbeek bij Oisterwijk (Noord-Brabant), werd in de 19de eeuw aangepast aan de behoeften van de landbouw. De beek kreeg onder meer een rechte loop met steile oevers. In 2013 werd begonnen met het herstel van het beekdal. Door de verbeterde waterkwaliteit gedijen nu ook insecten als schaatsenrijders en schrijvertjes.

Foto van Jacob Kaptein

Water- en natuurbeheerders proberen deze situatie de laatste jaren ten dele terug te draaien en trekken een groot aantal beken, zoals de Ruiten Aa, weer krom: het water legt daardoor een grotere weg af en blijft dus iets langer in het gebied. Met geld van waterschappen, provincies en gemeenten worden aanliggende gronden aangekocht, oude meanders uitgegraven en stuwen verwijderd. Het is een megaproject: het streven is dat voor 2027 enkele duizenden kilometers aan beken weer een natuurlijke, vrije loop hebben gekregen. Alleen al het herstel van de dertig kilometer lange Ruiten Aa en het natuurgebied eromheen kost twintig miljoen euro, en dat nog zonder aankoop van extra grond. Ook het Waddenfonds levert een flinke bijdrage, want de beek mondt via de Westerwoldse Aa uit in de Dollard en is een belangrijke trekroute voor vissen die migreren tussen zout en zoet water, zoals paling, bot en rivierprik. 

De herinrichting van de Ruiten Aa is voor boeren in de omgeving een ommezwaai: ze moesten land verkopen of ruilen. De percelen langs de beek zijn nu in eigendom van natuurorganisaties; boeren kunnen ze tegen een gereduceerde prijs pachten, mits ze biologisch gaan boeren en overstromingen op de koop toe nemen. 

Boer Hidde Wolfs, die grond van Staatsbosbeheer pacht bij het Oost-Groningse Smeerling, is er content mee: ‘Het is goede grond en er is altijd water bij de hand.’ Op sommige stukken heeft hij schapen, geiten en koeien staan, op andere verbouwt hij granen. Als er te veel water op het land staat, brengt hij zijn vee naar hogergelegen percelen. Ook met akkerbouw beweegt hij mee met de beek: is het voorjaar erg nat, dan wacht hij met inzaaien of laat hij een groter deel van het land braak liggen. Het is rendabel, zegt Wolfs. ‘Ik krijg goede prijzen voor mijn biologische producten.’

In het Heelsums Beekdal warmt een weidebeekjuffer zich aan de eerste zonnestralen van
de dag. Het dal, dat drie beken herbergt, verbindt de rand van de Veluwe met de uiterwaarden van de Nederrijn bij Doorwerth en Renkum. De laatste jaren zijn veel van de kronkels in de beken teruggebracht.

Foto van Jacob Kaptein

De zwarte fourwheeldrive van ecoloog Schollema zet koers naar Nationaal Park Drentsche Aa, tussen Assen, Gieten en Haren, zo’n dertig kilometer ten westen van de Ruiten Aa. We stoppen bij het Deurzerdiep, een gekanaliseerde beek die tot 2015 gewoon rechtdoor liep; stuwen regelden de waterstanden. Nu stroomt het water onbelemmerd al kronkelend richting Groningen. 

Schollema, in zijn groene outfit meer een boswachter dan een waterschapsambtenaar, beent naar de nieuwe houten brug over het Deurzerdiep. Hij wijst op de drab aan de stengels van de lisdodde op de oevers, volgens hem het gevolg van een zomerse stortbui de dag ervoor. In Assen stonden de straten blank, maar hier kon het water overal naartoe. ‘Zie je de witgele velden met moerasspirea en dotterbloemen langs de beek? Dit was tot 2015 nog landbouwgrond. Daarvan hebben we natuur gemaakt. Als de boel hier overstroomt, ontstaan er geen problemen.’ Onder de brug zwemmen een paar scholen vis. Ze laten zich noordwaarts meevoeren met de stroom. ‘Alver en serpeling, die houden van stromend water,’ zegt Schollema. ‘Ze komen uit beken in de Drentsche Aa die nooit zijn rechtgetrokken. Voorheen zaten hier alleen maar sloot- en kanaalvissen, zoals zeelt en snoek.’ 

Ook in België mogen beken weer meanderen, al zijn de werkzaamheden er minder grootschalig. Onlangs werd in Belgisch-Limburg een twee kilometer lang traject van de Zwarte Beek hersteld, een dertig kilometer lange laaglandbeek die begint ten oosten van het Kempens Plateau en via de rivier Demer afwatert op de Schelde. Op een grote kaart in Bezoekerscentrum De Watersnip laat Jan Kenens van Natuurpunt zien hoe de beek rechte lijnen trekt door agrarisch gebied en dan meandert door een aangrenzend militair oefenterrein. ‘Daar is de beek het mooist en oorspronkelijkst,’ zegt hij. ‘Soms zijn zulke oefenterreinen goed voor de natuur. De wolvin Naya, die even door Nederland liep en helaas is afgeschoten, verbleef hier lange tijd.’ 

Op een warme nazomermiddag wandelen we langs het herstelde traject van de Zwarte Beek. Er is een stuw verwijderd en er is een vispassage aangelegd, en de oude bochten zijn teruggebracht. De oevervegetatie heeft zich snel hersteld, vertelt Kenens. ‘De kleine egelskop was zo weer terug. En zie je dat prachtige insect met metaalblauw lijfje en donkerblauwe vleugels? Dat is de weidebeekjuffer. Die zien we weer in grotere aantallen. Net als de bosbeekjuffer.’ 

In de eerste helft van de jaren 60 werd de Essche Stroom bij Boxtel (Noord-Brabant) verbreed en verdiept en werden de bochten verwijderd. Inmiddels is een groot deel weer in oude luister hersteld. Op de foto rechts is onder het rechtgetrokken deel van de beek te zien en boven het herstelde.

Foto van Jacob Kaptein

In welke mate de ‘hermeandering’ tot dat succes heeft bijgedragen, is volgens Kenens moeilijk te zeggen. De waterkwaliteit is de laatste jaren namelijk aanzienlijk verbeterd, doordat meer huizen in de omgeving zijn aangesloten op het riool. Ook is het maaibeheer aangepast; in de periode dat de weidebeekjuffer haar eitjes op de water- en oeverplanten afzet, worden deze niet gemaaid. Natuurpunt had gehoopt benedenstrooms de achteruitgang van weidevogels, zoals de watersnip, een halt toe te roepen, maar dat lukt niet zo. ‘De droogte van de afgelopen zomers heeft ook hier enorme gevolgen gehad. Ik denk dat de watersnip een van de klimaatkanaries is die naar het noorden opschuift.’ 

In Nederland is zo’n 2300 kilometer beek inmiddels hersteld, meldde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in april 2020. Tot 2027 komt daar waarschijnlijk nog zo’n zeshonderd kilometer bij. De herstelde beken mogen er dan vaak aantrekkelijk uitzien en gewenste beeksoorten als weidebeekjuffer en serpeling aantrekken, toch blijven de waterkwaliteit en biodiversiteit achter bij de verwachtingen. 

De afgelopen jaren heeft de Hierdense Beek in Gelderland haar oude loop teruggekregen en werd de waterkwaliteit sterk verbeterd. Daardoor komen nu ook weer typische waterplanten voor als de grote waterranonkel, die op het oppervlak een spectaculaire deken vormt van witte bloemetjes met een gele kern.

Foto van Jacob Kaptein

Beekherstel kun je op veel manieren invullen, zegt Frank van Gaalen van het PBL. ‘Vaak krijgt een beek niet echt de ruimte, bijvoorbeeld omdat er kostbare landbouwgrond naast ligt. Ook willen boeren en andere omwonenden dat de waterschappen het waterpeil laag houden, zodat hun gewassen en grasland niet onder water komen te staan en hun kruipruimte droog blijft.’ De waterschappen zijn daartoe ook wettelijk verplicht. Laten ze het peil te veel los en overstromen landbouwpercelen, dan riskeren ze een boete. Een groot deel van de beek blijft daardoor toch gestuwd of heeft een te laag waterpeil. 

In zijn werkkamer aan de Wageningen University & Research spreek ik beekexpert Piet Verdonschot, hoofd van de kennisgroep zoetwatersystemen. Al veertig jaar onderzoekt hij beken, speurend naar mogelijkheden om ze te herstellen. Ik begin over de aanhoudende hitte buiten. ‘Nu voelen mensen tenminste aan den lijve dat het klimaat verandert,’ glimlacht hij. ‘Dan gaan we misschien eindelijk anders met ons water om.’ Verdonschots kamer biedt uitzicht op een mooie binnentuin met een vijver met waterlelies, maar gelukkig heeft hij ook stromend water in de buurt: amper zeven kilometer verder ligt de Renkumse Beek, die in 2013 in oude luister werd hersteld. De zoetwaterecoloog gaat er vaak met studenten naartoe om uit te leggen hoe een beek werkt. 

‘Een beek moet altijd stromen. Die kan niet drie maanden droogvallen in de zomer en tien waterpieken hebben in de herfst en winter, zoals nu vaak gebeurt,’ zegt hij. ‘Door de droogte sterven de planten en dieren, bij waterpieken worden ze ruw met de stroom meegesleurd. Veel herstelde beken in Nederland staan nog altijd bloot aan die enorme fluctuaties.’ De Hierdense Beek op de Veluwe bijvoorbeeld, die onlangs is hersteld en waar de beekprik voorkomt, stond in 2018 en 2019 vijf maanden lang droog. Hetzelfde geldt voor delen van de Renkumse Beek. 

Aan de Tungelroyse Beek in Limburg ligt de Leumolen, een graan-, olie- en watermolen. Piet Zegers is vrijwilliger en is vaak aanwezig om bezoekers te laten zien hoe de beek vroeger werd gebruikt om graan of olie te verwerken. In twaalf jaar tijd is in totaal dertig kilometer van de beek gesaneerd en opnieuw ingericht – een van de grootste beekherstelprojecten in Nederland ooit.

Foto van Jacob Kaptein

Een ander probleem is dat er niet genoeg biotoop is voor beeksoorten, aldus Verdonschot. Bij het onderzoek naar beekherstel is volgens hem onvoldoende rekening gehouden met de habitat in en rond de beek. ‘Het meanderen en kunnen overstromen stonden voorop. Terwijl een beek ook altijd omgeven moet zijn met struiken en bomen. Blad is dé energiebron van de beek.’ Bladeren en de afbraakproducten ervan zijn een belangrijke voedselbron voor veel organismen – zoals waterinsecten, die op hun beurt worden gegeten door vissen. Verder blijft het beekwater in de boomschaduw ’s zomers koel, wat de groei van waterplanten en algen, die de beek kunnen verstikken, beperkt. Verdonschot ontdekte nog een voordeel: vegetatie langs de beek vormt een buffer tegen meststoffen en landbouwbestrijdingsmiddelen. Bomen en struiken nemen de stoffen op of breken ze gedeeltelijk af. 

Met deze kennis ontwierp Verdonschot tien jaar geleden een ideale beekinrichting. Dit ‘brede beekdal’ (illustratie op pagina 56) bestaat uit vijf zones: de beek zelf; aan weerszijden ervan een boszone; een bosschagezone met struiken; een bufferzone met korte vegetatie of extensieve landbouw; en een beekflank met traditionele landbouw of bebouwing. ‘Als je de beek zo inricht, gaat het hele beekdal functioneren als een spons. Het houdt water vast in natte tijden en geeft water af in droge tijden. Bovendien krijgen de flora en fauna ook alles wat ze nodig hebben: schaduw, bladeren, vocht, en altijd water.’ Waterschap Limburg heeft het idee als eerste omarmd. De provincie kampt sinds 2010 met wateroverlast en droogte, en er zijn plannen voor een grondige aanpak van het waterbeheer. 

Op een druilerige herfstdag rijd ik in een witte mini naar de Tungelroyse Beek, die ontspringt aan de oostkant van het Kempens Plateau in Belgisch-Limburg en uitmondt in het Nederlandse deel van de Maas. Vanaf 1999 is de beek over een lengte van dertig kilometer hersteld. Met ecoloog Esther de Jong van Waterschap Limburg en haar collega Frans Verdonschot, een hydroloog (en de jongere broer van Piet), bezoek ik het traject tussen Tungelroy en Stramproy. Verdonschot wijst op de smalle stroken ruig land van Staatsbosbeheer langs de beek, waar nu een aantal runderen grazen tussen de opgeschoten bosjes. Dertig meter verderop begint alweer een maisakker. ‘De beek heeft eigenlijk veel meer overstromingsruimte nodig,’ zegt Verdonschot. ‘Toen het in 2016 hard regende, stond het hele beekdal onder water en klaagden de boeren.’  

HET BREDE BEEKDAL - Zoetwaterecoloog Piet Verdonschot introduceerde het ‘brede beekdal’. De beek (1) wordt ondieper en smaller, het omliggende dal dient als waterbergingsgebied; bossen en bosschages (2, 3) houden water langer vast en bieden schaduw, zodat het water minder snel opwarmt en de waterkwaliteit toeneemt; de bufferzone (4) filtert sediment en andere stoffen uit de beekflank (5), waar bebouwing en landbouw mogelijk zijn.

‘Zie je dat hogerliggende deel?’ vraagt De Jong. ‘Daar ligt de oorspronkelijke flank van de beek. In het nieuwe plan zouden we dat hele stuk willen betrekken bij het beekdal. Dat wordt dan de buffer- en overstromingszone.’ Nu is het een akker van een boer verderop. Dat kan zo blijven, zegt de ecoloog, maar dan moet de boer wel zijn landbouw extensiveren, een overstroming op de koop toe nemen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest achterwege laten, om de flora en fauna in de beek te sparen. Alleen op de flanken is plek voor intensieve landbouw, zegt De Jong. ‘De mest en bestrijdingsmiddelen uit de gangbare landbouw kunnen dan in de bufferzone worden afgebroken of opgenomen.’ 

Het Limburgse plan is ambitieus en heeft verstrekkende gevolgen voor boeren met percelen die grenzen aan de beek. Zoals Gerard Kemper uit Swartbroek, bij Weert. Het deel van zijn perceel dat direct aan de beek ligt, pacht hij van Natuurmonumenten; het stuk landinwaarts is zijn eigendom. Hij is biologisch veeteler, dus dat hij geen bestrijdingsmiddelen of kunstmest mag gebruiken, is geen probleem. Toch is hij niet meteen enthousiast. ‘We hebben nu al veel meer overstromingen gehad dan het waterschap op basis van zijn modellen had voorspeld. In juni 2016 ging mijn hooi verloren doordat het gras overstroomde, vlak voor het zou worden gemaaid. Daarvoor hebben we geen cent schadevergoeding gekregen. Met dit plan komen er nog grotere overstromingen.’ Ook vraagt hij zich af of dat water wel goed is voor de landbouwgrond. ‘Wij krijgen hier het vieze water uit België, en uit Weert, waar er door nieuwbouwwijken juist steeds meer verhard oppervlak bij is gekomen.’

De beken in het Renkums Beekdal, ten westen van Arnhem, werden ooit rechtgetrokken om proceswater van de papierindustrie af te voeren. Zo’n vijftien jaar geleden zijn ze hersteld. Hier halen vrijwilligers woekerplanten weg. Het werk neemt volgens hen alleen maar toe door de grote stikstofneerslag.

Foto van Jacob Kaptein

Ook Jan Visser, die boert langs de Rijdtbeek, een zijtak van de Tungelroyse Beek, heeft zijn bedenkingen. Hij teelt schorseneren en heeft grasland waarop jonge koeien grazen. Daarmee zou hij moeten stoppen. ‘Dan wil ik wel een forse compensatie. Ik denk dat collega’s die dure gewassen telen – asperges, bloembollen, blauwe bessen – er ook zo over denken. Die brengen zo tien- tot vijftienduizend euro per hectare op.’ 

De boeren mogen van de plannen geen nadeel ondervinden, vindt Arnold Jansen, bestuurder van het Waterschap Limburg. Daarom willen de provincie en het waterschap de agrariërs in de bufferzone eenmalig compenseren voor een lagere oogst. Met dat geld kunnen zij dan nieuwe grond op de flanken kopen. Jansen denkt dat de kosten daarvan even hoog zullen zijn als bij traditioneel beekherstel, waarbij smalle gebieden langs de beek worden aangekocht. 

Peter van Dijck van de Limburgse Land- en Tuinbouwbond vindt het op zich een goede deal, mits het op basis van vrijwilligheid gaat. Hij maakt zich meer zorgen over de primaire functie van de beken: de aan- en afvoer van water. ‘Dat is in Limburg de laatste jaren soms misgegaan. Wij vragen ons af of je een beek wel kunt reguleren zonder stuwen,’ aldus Van Dijck. 

Boer Jan Visser deelt die zorgen. De stuw bij het dorpje Baexem, in Midden-Limburg, staat al een tijd op de nominatie om te worden verwijderd, zodat de beek nog natuurlijker wordt. Dat is tegen het zere been van de boeren. ‘Dan hebben wij geen vat meer op ons waterregime,’ zegt Visser. Hydroloog Frans Verdonschot bevestigt dat dit het plan was, maar dat het waterschap daar omwille van de boeren van afziet. ‘We laten daar nu een vispassage aanleggen.’ 

Boer Hidde Wolfs pacht land van Staatsbosbeheer naast de Ruiten Aa (Groningen). Wekelijks doet hij een rondje over zijn land om te controleren of alles in goede staat verkeert. De beek is voor hem van groot belang: de Ruiten Aa voert water af en aan. Als er te veel water op het land staat, brengt hij zijn vee naar hogergelegen percelen.

Foto van Jacob Kaptein

Ook op andere plekken hoeven boeren langs de Tungelroyse Beek voorlopig niet te vrezen. Er zijn twee andere stroomgebieden aangewezen waar het concept van het brede beekdal zal worden beproefd: de Geul over een lengte van dertig kilometer en de Groote Molenbeek over 35 kilometer. ‘Als die pilots slagen,’ zegt Arnold Jansen van Waterschap Limburg, ‘pakken we ook de overige achthonderd kilometer beekdal in de rest van Limburg aan.’ 

Terug naar de Drentsche Aa. Ecoloog Peter Paul Schollema wil me graag nog iets laten zien. We struinen door hoog gras naar het Gasterense Diep, een beek die nooit is rechtgetrokken. Naarmate we dichter bij de beek komen, wordt de grond onder onze voeten steeds natter. ‘Hoor je dat?’ vraagt Schollema. Achter de struiken klatert water. Een kleine waterval? opper ik. ‘Klopt. Daar ligt de anderhalve meter hoge dam van de familie bever. Die heeft het bovenstroomse deel van de beek veranderd in een moeras.’ Misschien moet de beverdam worden afgebroken, anders verliest de zeldzame rivierprik in dit gebied belangrijk paaigebied. ‘Zeker hier in Nederland is beekbeheer toch een hogere vorm van tuinieren,’ lacht Schollema.

Wetenschapsjournalist Astrid Smit schreef eerder voor National Geographic over gps-onderzoek bij vogels (5-2018). Fotograaf Jacob Kaptein maakte een reportage over voedselbossen (3-2020). 

Lees verder

Voedselbossen: een alternatief voor intensieve landbouw?

Zijn voedselbossen een alternatief voor de intensieve landbouw? In de Nederlandse polder wordt volop geëxperimenteerd. 
Milieu

Wandelende waddeneilanden: hoelang blijven ‘onze’ eilanden nog bij ons?

Sinds in 1573 door cartograaf Schrooten het Waddengebied werd vastgelegd, is veel veranderd in dit dynamische gebied. Zo ‘wandelen’ de eilanden langzaam richting het oosten.

Gps-ecologie: Vlieg mee met de vogels

Met geavanceerde gps-loggers zijn vogels nauwkeuriger te volgen en is een gerichte natuurbescherming mogelijk.
Lees meer