Holle wegen

Als groene rivieren meanderen ze door de Limburgse löss. Grubben en holle wegen, in de loop van eeuwen uitgesleten door erosie en menselijk verkeer, zijn een natuurlijk en cultuurhistorisch fenomeen.

Gepubliceerd 2 mrt. 2022 09:41 CET
Landschap in Limburg

Landschap in Limburg

Foto door David Peskens

Voor even waan ik me in het voorjaar van 1997. Een excursie aardrijkskunde naar Zuid-Limburg. Net als iedere puber op zo’n trip ben ik vooral met andere dingen bezig: de meiden in de klas, stoer doen, keet schoppen. Maar nu ik zo’n 25 jaar later aan het schoolreisje terugdenk, besef ik dat ik toen wel degelijk lesstof heb opgepikt. Ik zie de grubben van toen weer voor me: beschutte kommetjes waarboven knotwilgen weelderig groeiden, met op de hellingen bomen en planten waarover onze docent gepassioneerd vertelde. In de bus terug naar huis wist ik: dit is het mooiste stukje van het land.

Grubben en holle wegen vind je in Nederlands- en Belgisch-Limburg, soms meters diep, veelal rijkelijk begroeid. Ze ontstonden lang geleden door erosie in een reliëfrijke omgeving: meestal een stroompje water dat zijn weg vanaf het plateau naar beneden in het dal zocht. De bodemsoorten hier – löss, (zand)leem en kalksteen – hechten goed, wat de hoge, steile hellingen verklaart. De uitslijting werd nog versterkt doordat mens en dier de grubben als doorgangsroute gingen gebruiken.

Bij Valkenburg ligt deze karakteristieke holle weg met dassenholen in de mergelwand. Dichtbegroeide delen worden afgewisseld met meer open plekken en oude bomen en knotwilgen.

Foto door David Peskens

Zo ontstonden holle wegen, gevormd door boeren die met hun karren sporen trokken vanuit de boerderij of het dorpje naar de akker. De natuur deed de rest en spoelde steeds grotere stukken löss weg, waardoor de wegen nog dieper kwamen te liggen. Ze werden landschappelijke littekens van levensbelang in Limburg. Voor mens en dier.

Holle wegen vertellen een cultuurhistorisch verhaal: ze dienden als verbindingsweg van dorp naar akker, maar ook van lagergelegen kernen naar op de plateaus gelegen plaatsen. De takken van de wilgen die de wegen omzoomden, werden gebruikt als stookhout of om bezems van te maken; van de wilgentenen werden manden gevlochten.

Daarnaast herbergen de holle wegen tot op de dag van vandaag een schat aan dier- en plantensoorten. Door de bijzondere ondergrond en het afwijkende microklimaat ontstonden kleine afgeschermde ecotopen, waarin voor Nederland zeldzame soorten gedijen. Vleermuizen gebruiken ze om zich te oriënteren, dassen bouwen er hun burcht, knaagdieren trekken op hun beurt weer roofvogels aan. Doordat er in holle wegen weinig wind staat en het er vochtig en schaduwrijk is, is het er in de zomer koeler en in de winter juist zachter dan in de directe omgeving. Dit zijn gunstige omstandigheden voor schaduwplanten.

Of waren. Want deze idyllische landschapselementen staan onder druk. Naarmate het gebruik van wilgentakken in het dagelijks leven afnam, werden de wegen minder goed onderhouden. Veel wegen werden bovendien verhard, waardoor het proces van uitholling een halt werd toegeroepen en er afvlakking ontstond. En door intensieve landbouw vloeiden chemische bestrijdingsmiddelen en nitraten zo van de omliggende akkers de holle wegen in. Funest voor de biodiversiteit en het bijzondere ecosysteem.

Hoe is de situatie nu? Om dat te achterhalen, besluit ik 25 jaar na de schoolexcursie een fietsroute in Zuid-Limburg uit te stippelen waarin ik de holle wegen bezoek in alle seizoenen. Een tocht die voert over fikse heuvels en langs dorpen waar het leeftempo niet al te hoog lijkt te liggen.

Aan de rand van Sittard begint een holle weg die eindigt bij de Sint-Rosakapel op de Kollenberg. De kapel is gewijd aan Rosa van Lima, die de stad in 1668 van de zwarte pest zou hebben bevrijd. Ter ere van Sittards beschermheilige trekt sinds 1675 elke laatste zondag van augustus een processie door de holle weg naar de kapel.

Foto door David Peskens

Ik vertrek vanaf station Maastricht in zuidelijke richting. Eenmaal de stad uit, gaat het al meteen flink heuvelop via enkele, inmiddels verharde, holle wegen. Even buiten Sint Geertruid knijp ik in de remmen bij de Schone Grub. Deze ligt in een bos waar Staatsbosbeheer de natuur de vrije hand heeft gegeven, zodat de grub zijn naam alle eer aandoet. Elke boom die omvalt, blijft gewoon liggen, elk dier blijft ongemoeid.

Het is lente en het daslook staat op ontploffen. De plant heeft zich als een grote deken over de helling van de grub uitgespreid. Tegelijk met de bloei van het look brengen de dassen, die overal in de hellingen burchten hebben aangelegd, jongen ter wereld. Dat dit nog in Nederland bestaat, zeg ik tegen een vriend die met me meefietst: een stukje oerwoud in Nederland. Zo slecht gaat het nu ook weer niet met de natuur, concludeer ik.

Daar denkt Wouter Jansen anders over. Jansen is medewerker van Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg (IKL), een stichting die zich inzet voor behoud en ontwikkeling van het landschap in de provincie. Daags na mijn fietstocht hebben fotograaf David Peskens en ik op zo’n vijf kilometer van de Schone Grub met hem afgesproken om een wandeling te maken langs een paar holle wegen. Jansen heeft een afvinklijstje met daarop zo’n vijftien namen van kruiden en andere planten, zoals gevlekte aronskelk, stinkend nieskruid en eenbes. Soorten die hier ooit welig groeiden, maar nu alleen nog hier en daar in plukjes zijn te vinden.

Tijdens onze wandeling komen we een oudere dame tegen. Ook zij heeft een lijstje bij zich. ‘Heb je de aronskelk al gezien?’ vraagt ze. ‘Ik woon al jaren in de Randstad, maar af en toe moet ik echt even terug hiernaartoe om alles weer tot me te nemen.’ Ik geef haar geen ongelijk.

Wielrennen is in België onlosmakelijk verbonden met holle wegen en slecht liggende kasseien. Dat de gemeente Overijse speciaal voor het WK wielrennen vorig jaar de ‘heilige’ kasseistroken opnieuw liet aanleggen, zoals hier aan de Moskesstraat, kon dan ook rekenen op afkeuring van wielerfans en -commentatoren. Volgens hen was daarmee het oorspronkelijke karakter van de wegen aangetast.

Foto door DAVIS PESKENS

Ondertussen uit Jansen doorlopend zijn zorgen. ‘De achteruitgang is een sluipmoordenaar,’ foetert hij. ‘Het gaat hier slecht met de planten, slechter kan bijna niet.’ Dat laatste lijkt enigszins overdreven, want hoewel er minder bijzondere soorten zijn dan 25 jaar geleden, heeft hij na een kwartiertje lopen er al heel wat van zijn lijstje kunnen afstrepen. Maar hij ziet vooral begroeiing die hij liever niet ziet: brandnetel, dauwbraam, speenkruid en zevenblad. De stikstofminnende soorten nemen de flanken van de holle wegen zichtbaar over. Door verkeer en vooral ook landbouw zijn de stikstofwaarden sterk gestegen en is de bodem voedselrijker geworden. Daar houden netels en bramen van, en de unieke soorten die hier van oudsher voorkomen juist niet. ‘Dramatisch’, zegt Jansen hoofdschuddend. ‘Eenmaal bemest blijven nitraten erg lang in de grond. De klimop die je overal ziet, verstikt alles.’

You can’t unsee it, zoals de Britten het zo mooi uitdrukken: als je al die netels en braamplanten eenmaal hebt gezien, zie je ze overal. Vooral vlak langs akkers en wegen nemen ze de boel over. Waar ik eerst nog dacht lekkere bramen te zien, zie ik nu, net als Jansen, sluipmoordenaars. Geert Gabriëls, gedeputeerde Natuur, Milieu en Erfgoed van de provincie Limburg, erkent dat de afname van biodiversiteit rond de holle wegen een groot probleem is. ‘Ze behoren tot de schatten van Zuid-Limburg,’ vertelt hij. ‘Het probleem is alleen complex. Vaak is bijvoorbeeld niet eens duidelijk van wie holle wegen in bepaalde gebieden zijn, soms hebben ze meerdere eigenaren.’

De brede wespenorchis zich thuis in de schaduwrijke holle wegen.

Foto door DAVIS PESKENS

Ik wil weten wanneer de achteruitgang is begonnen. Op zoek naar een antwoord stuit ik op het boek Holle wegen in Limburg, gepubliceerd in 1987. Auteur Jan Stevens onderzocht halverwege de jaren tachtig de situatie van holle wegen in Belgisch-Limburg en signaleerde toen al dat de biodiversiteit er afnam. Hij is bereid om met David en mij terug te gaan naar enkele plekken waar hij bijna 35 jaar geleden onderzoek deed. We spreken af in Mettekoven, in het Vlaamse deel van de Haspengouw. Aan de rand van het dorp bezoeken we een holle weg die vlak langs een grote kersenboomgaard ligt. Net als Jansen herkent en benoemt Stevens meteen verschillende plantensoorten. Brede wespenorchis, wilde marjolein. De holle wegen, vertelt hij, waren door gebrekkig onderhoud overwoekerd geraakt – en werden zo een aantrekkelijke plaats om ongezien afval te lozen. ‘Je vond hier frigo’s, autowrakken… alles wat men niet makkelijk legaal kwijt kon.’ Net als in Nederland nam de afname van biodiversiteit hier begin jaren tachtig een vlucht door intensivering van landbouw en later ook ruilverkaveling, waarbij de akkers en weilanden in oppervlakte toenamen. ‘Toch is het hier op bepaalde vlakken nu beter gesteld dan vroeger,’ concludeert Stevens, uitkijkend op de holle weg. ‘Het is in ieder geval geen vuilnisstort meer.’ Op basis van zijn onderzoek had Stevens in 1987 geadviseerd om toeristen naar de holle wegen te trekken, om zo de sociale controle te vergroten. Dat is ook gebeurd. De holle weg waar we wandelen, maakt deel uit van een fietsroute van het lokale bureau voor toerisme.

D brede wespenorchis voelt zich net als de de gevlekte aronskelk (foto hierboven) thuis in de schaduwrijke holle wegen. Zodra de bloem klaar is voor bestuiving, warmt de kolf op en komt er een sterke geur vrij die insecten aantrekt, zoals mugjes. Ze vliegen de plant in door een krans van haren, waar ze de vrouwelijke bloemen bestuiven. De dag erop gaan de knoppen weer open en kunnen de met stuifmeel bepoederde mugjes de plant verlaten

Foto door David Peskens

Stevens neemt ons mee naar de Romeinse Kassei, een eeuwenoude holle weg bij Heers. Deze weg is na een ruilverkaveling verhard, zo’n vijftien jaar geleden. Daardoor is het proces van uitholling tot stilstand gekomen en zal de weg op den duur afvlakken, waardoor de flora en fauna hun fijne beschutte plek verliezen. Even later lopen we op de Kluisberg, een holle weg met spectaculair hoge hellingen in de gemeente Halen – een terrein dat ook behoorlijk wat motorcrossers aantrekt. Na een paar minuten wandelen zijn we al vier keer opgeschrikt door groepjes die ons met veel lawaai voorbij sjezen. Stevens schudt het hoofd. Dit is niet het toerisme waar hij op doelde.

Een jonge bosuil heeft net zijn nest verlaten in het Savelsbos, even buiten Maastricht. Zijn eerste poging tot vliegen is op de grond geëindigd. Omhoog vliegen kan hij nog niet, daarvoor zijn de vleugelveren nog te kort. Met zijn sterke klauwen kan hij wel weer een boom in klimmen om een nieuwe poging te wagen. Zijn ouders houden hoog in de bomen de omgeving scherp in de gaten. Bij gevaar komen ze onmiddellijk in actie.

Foto door David Peskens

Misschien weten die mensen niet beter, vragen David en ik ons af. De holle wegen en grubben zijn namelijk behalve ecologisch ook cultuurhistorisch van grote waarde: ze hebben een grote invloed gehad op hoe Limburg er nu aan beide zijden van de grens bij ligt. Menig Limburgs dorp heeft zijn ligging te danken aan een holle weg, vertelt emeritus hoogleraar historische geografie Hans Renes, die veel onderzoek deed in Zuid-Limburg. ‘Rond 1100 bijvoorbeeld trokken jonge boeren vanuit het Maasdal bij Eijsden via holle wegen naar boven richting het plateau,’ vertelt hij. ‘Dat waren eerst nog kleine holle wegen die waren ontstaan na kleinschalige activiteiten als houtsprokkelen. Na verloop van tijd breidde zich dat uit naar hout kappen, het aanleggen van akkers en uiteindelijk ook het stichten van nederzettingen.’ De hogergelegen dorpen Sint Geertruid en Herkenrade zijn uiteindelijk zo ontstaan: door het volgen van de holle weg naar boven. De holle wegen horen bij de identiteit van het landschap, meent Edmond Staal van Stichting het Limburgs Landschap. ‘Net als vele andere Limburgers heb ik er romantische herinneringen aan. Ze zijn zo mooi. Je voelt je beschut en waant je een beetje omarmd als je er doorheen wandelt.’ Toch kom ik weinig mensen tegen die dat sentiment delen: de holle wegen lijken voor veel Limburgers een vanzelfsprekendheid. Tijdens mijn eerste fietstocht een paar maanden eerder stuitte ik bij een holle weg buiten Schin op Geul op twee wildbeheerders. ‘Voor ons horen ze er gewoon bij, we zijn er niet zo mee bezig,’ vertelde een van hen, terwijl hij bordjes ophing die voetgangers manen honden aan de lijn te houden. Ik zou eens met Sjeng Jehae moeten praten, adviseerde hij. Die zou me vast meer kunnen vertellen over hoe sommige holle wegen er in het verleden bij lagen.

Twee teams van een sociale werkvoorziening zijn bezig met het onderhoud van een diepe holle weg in de Belgische gemeente Gingelom. Zieke bomen worden gekapt, zodat er meer licht de holle weg kan binnendringen. Het hout wordt deels verhakseld en gebruikt als compost elders in de gemeente – de soorten in de holle weg houden van een voedselarme bodem. Dikke takken en stammen worden als brandhout verkocht.

Foto door David Peskens

Een paar maanden later zit ik aan de koffie in Jehae’s zonovergoten tuin met onbetaalbaar uitzicht op het Vijlenerbos. Bijna elke ochtend rond vijf uur gaat de gepensioneerde boswachter wandelen over de holle weg in het bos; vandaag heeft hij zijn wandeling vanwege mijn komst een paar uur uitgesteld. ‘Zo interessant is een holle weg eigenlijk niet, een weg is een weg,’ vertelt hij. ‘Het is het hele systeem van wegen, bermen, poelen, microklimaatjes en bijzondere dieren en planten die het zo ongelofelijk mooi maakt.’

Wanneer we aan het wandelen zijn, snuffelt Jehae overal rond. Witte klaverzuring, helmkruid, bosandoorn: zijn ogen spotten ze feilloos op plekken waar ik alleen een zee van groen zie. ‘Vroeger stonden hier ook heel veel margrieten en koekoeksbloem. Toen was het nog mooier. Het wordt almaar schraler.’ Jehae ziet ook lichtpuntjes. Zo heeft Staatsbosbeheer nu stukken land langs de holle wegen in beheer waarop niet met mest- en gifstoffen wordt gewerkt. ‘Door natuurbehoud is het hier en daar echt beter gesteld met de begroeiing dan halverwege de jaren tachtig.’

Een paar weken later gaan David en ik op zoek naar een paar dassenfamilies die doorgaans in de avondschemer naar buiten komen op zoek naar voedsel. Op weg naar de Schone Grub zien we hoe op een appel- en perenboomgaard een tractor al spuitend een draai van 180 graden maakt, waarbij een wolk in de begroeiing langs de grub terechtkomt. We zijn er even stil van, maar we hebben geen tijd om met de boer te praten: het schemert al, en de tijdspanne waarin de dassen naar buiten komen, is kort.

Links: Hoogst:

Het vliegend hert (links) is de grootste keversoort van de Lage Landen. Hij is erg zeldzaam: de soort is te vinden in een beperkt aantal holle wegen waar oude bomen en hakhoutstoven aanwezig zijn. De hazelworm (rechts) lijkt op een slang, maar is een pootloze hagedis. Hij voelt zich thuis in bossen met veel beschutting en in kleinschalige landschappen met hagen en graften, maar ook in holle wegen met houtachtige begroeiing.

Foto door DAVIS PESKENS
Rechts: Bodem:

National Geographic

Foto door David Peskens

De dieren hebben verschillende wissels getrokken vanuit de grub, recht de boomgaard in. We zien relatief verse uitwerpselen. David steekt er een stok in en ruikt eraan. ‘Volgens mij hebben ze iets van fruit gegeten. Stinkt helemaal niet. Wel een soort gistgeurtje,’ zegt hij op fluistertoon omdat hij de dassen niet wil storen. David heeft zich in de afgelopen jaren min of meer als een expert in holle wegen en grubben ontpopt. ‘Ik heb weer een mooie holle weg ontdekt,’ is een zinnetje dat hij regelmatig deelt. Plots houdt hij halt. Hij hurkt en wijst naar de helling een meter of twintig verder. Ik moet even goed kijken, maar dan zie ik hem: een das die via zijn gebaande pad naar boven kruipt. Eerst een. Dan nog twee. Een extatisch gevoel. Op weg naar huis gaan mijn gedachten terug naar de dassen en het gif dat langs akkers en boomgaarden zo naar hun habitat vloeit. Ik bedenk me dat deze situatie echter niet alleen op het conto van de boeren kan worden geschreven. Twee weken later wandel ik weer naar de boomgaard aan de rand van Sint Geertruid, om met boer Mark Martinussen te praten. De oogst is in volle gang: ik zie veertien arbeiders appels plukken, vooral Oost-Europeanen. Nadat we hebben kennisgemaakt, plukt Martinussen een grote rood-groene appel met een deukje erin. ‘Kijk, die is volgens de supermarkten te misvormd. Daar wordt dus appelmoes of veevoer van gemaakt,’ zegt hij. Dat betekent dat ze onder de kostprijs worden verkocht, constateer ik. Het is het hele systeem rond de landbouw dat er evengoed bij betrokken is.

Het is voorjaar in het Savelsbos en het daslook staat volop in bloei. Twee jonge dassen zijn op verkenning in de omgeving van hun burcht. Dassen zijn zeker geen zeldzaamheid in het Zuid-Limburgse landschap, en holle wegen met hun steile flanken lenen zich bij uitstek voor het bouwen van burchten. Enkele van de oudste burchten – gigantische bouwwerken met tientallen uitgangen – zijn te vinden in de holle wegen in het Savelsbos.

Foto door David Peskens

De herfst is aangebroken, en ik ben benieuwd hoe de Schone Grub er in dit seizoen bij ligt. Net als David heb ik een band gekregen met deze bijzondere plek, en ik wil er meer over weten. Op een zonnige middag op de parkeerplaats voor Café Riekelt in Rijckholt ontmoet ik Freek van Westreenen, die net een maand met pensioen is als ecoloog bij Staatsbosbeheer. We maken een wandeling van vier uur rond de Schone Grub, waarin hij een rijke tijdlijn schetst van het gebied. Al sinds de prehistorie is hier menselijke activiteit; in 1914 werd vlak in de buurt nog een prehistorische vuursteenmijn ontdekt. Wanneer ik met Van Westreenen de grub betreed, horen we het karakteristieke gekrijs van een buizerd. Elke keer dat ik de Schone Grub bezocht, heb ik er een kunnen horen – door de vele knaagdieren voelt ook deze roofvogel zich thuis rond grubben en holle wegen.

Sjeng Jehae geniet van de natuur die hij zo goed kent: het oude Vijlenerbos in Zuidoost-Limburg. Nog altijd staat Jehae, die hier 43 jaar lang als boswachter werkte, voor dag en dauw op om een wandeling te maken door zijn geliefde bos, waarbij hij geregeld ook langs deze holle weg komt.

Foto door David Peskens

‘Elke eeuw heeft wel zijn eigen kenmerken gehad in dit gebied,’ vertelt Van Westreenen. ‘De enige constante is dat hier doorlopend van alles is veranderd.’ Om dat te onderstrepen, toont hij me een paar foto’s van de Schone Grub uit eind negentiende eeuw. Een wereld van verschil met de situatie van nu, stel ik vast. Het lijkt er opvallend genoeg juist kaler, minder weelderig begroeid. Maar waar de overgang van landbouw naar de grub in de jaren zeventig nog geleidelijk verliep, vertelt hij, is de ‘scheiding tussen cultuur en natuur’ nu messcherp geworden.

‘De verandering gaat onnatuurlijk snel. Daarbij spelen defragmentatie en isolatie van stukken natuur een grote rol.’ Monocultuur ligt op de loer, aldus de ecoloog, die daarom pleit voor uitvoerig genetisch onderzoek van planten en bomen.

Hij heeft een punt, bedenk ik na ons afscheid. Ik kijk nog eens goed naar de hogergelegen grub, waar de winter inmiddels voor de deur staat. De bomen beginnen kaal te worden, maar de klimop langs de hellingen is nog altijd donkergroen. Er leven en groeien veel meer soorten dan ik besefte toen ik 25 jaar geleden kennismaakte met dit natuurlijk en cultureel erfgoed. Hoe zal dat in de komende 25 jaar zijn?

De Nederlandse provincie Limburg geeft subsidies voor het beheer van landschapselementen aan onder meer Staatsbosbeheer. Milieugedeputeerde Geert Gabriëls pleit ervoor holle wegen beter te beschermen in bestemmingsplannen. Toch ligt de sleutel tot hun behoud op langere termijn volgens Gabriëls bij bewoners zelf. ‘Gelukkig zijn er al veel vrijwilligers lid van snoeibrigades, bijvoorbeeld. En we zetten educatieve programma’s op om ervoor te zorgen dat de bewustwording groeit en dat die kennis ook wordt doorgegeven.’

Ik probeer hoop te putten uit die inzet van zulke vrijwilligers en andere natuurbeschermingsprojecten. Ook een recent dorpsprotest tegen de verharding van een holle weg in het Vlaamse Hoeselt toont aan dat het bewustzijn toeneemt. De meeste experts die ik het afgelopen jaar heb gesproken, benadrukken echter dat groeiend bewustzijn alléén niet genoeg is om de biodiversiteit op korte termijn te herstellen. Maar het is in elk geval een stap in de goede richting

Van natuurfotograaf David Peskens verschenen reportages in het Magazine over de grutto (08- 2018) en lichtvervuiling (10-2020). Journalist en Traveler-columnist Niels Guns schreef onder meer het verhaal ‘Eindhoven, wereldstad’ (04-2019).

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Milieu
Ontdekkingsreizigers zien al skiëndeen nieuwe kant van Groenland
Milieu
Earth day 2022!
Milieu
Planet Possible Promo
Milieu
De ultieme transformatoren van de aarde.
Milieu
Wie redt de winter?

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.