Okavango: een unieke delta in de woestijn

Een ambitieuze expeditie toont de ongekende soortenrijkdom van de Afrikaanse Okavangodelta – en alles wat deze bedreigt.

donderdag, 9 januari 2020,
Door David Quammen
Foto's Van Cory Richards
De Okavangodelta in Botswana kent een grote soortenrijkdom dankzij de watertoevoer uit Angola. Olifanten dragen bij ...
De Okavangodelta in Botswana kent een grote soortenrijkdom dankzij de watertoevoer uit Angola. Olifanten dragen bij aan de dynamische verhouding tussen water en land: ze maken paadjes, die later geulen worden.
Foto van Cory Richards

Dit artikel verscheen in de november 2017 editie van National Geographic Magazine

Vanuit de ruimte gezien lijkt de Okavangodelta in het noorden van Botswana op een grote bloem, met een steel die vanaf de grens met Namibië in zuidoostelijke richting wijst. De bloembladeren vormen een cirkel van 150 kilometer in het Kalaharibekken. Het is een van de belangrijkste wetlands op aarde, een groot geheel van levenbrengende geulen en lagunes en seizoens­ gebonden poelen, in een door ernstige droogte gekenmerkt deel van het continent. 

De Okavangodelta mondt niet uit in zee, maar is geheel omsloten door land: in het zuidoosten verdwijnt het water in het diepe zand van de Kalahariwoestijn. De delta kan daarom worden gezien als de grootste oase van de wereld, een drassig toevluchtsoord voor olifanten, nijlpaar­den, krokodillen en wilde honden, antilopen, knobbelzwijnen, kafferbuffels, leeuwen, zebra’s en een verbluffend aantal soorten vogels. En niet te vergeten een toeristenindustrie die elk jaar honderden miljoenen euro’s in het laatje brengt. Maar vanuit de ruimte zijn de wilde honden die bijeengekropen zitten in de schaduw van een doornstruik niet te zien, zomin als de verheugde gezichten van bezoekers en ondernemers. En wat je ook niet ziet, is de bron van al dat water.

Met het Okavango Wilderness Project wil National Geographic de bovenloop van de rivieren die de delta voeden in kaart brengen en helpen beschermen. De eerste expeditie was in 2015 op de Cuito in Angola, die hier, vlak bij haar bron, zo smal is dat de teamleden hun volgeladen boten acht dagen lang moesten voortslepen.
Foto van Cory Richards

Vrijwel al het water komt uit het door conflict geteisterde Angola. Het ontspringt er in de water­rijke hooglanden en stroomt naar het zuidoosten van het land – in snel tempo via de Cubango, trager via de Cuito, waarna het zich ophoopt in meren. Dan sijpelt het langzaam door met gras begroeide riviervlakten, veenafzettingen en de zandlaag eronder, om uit te vloeien in zijrivieren. De Cuito en de Cubango stromen samen bij de Angolese zuidgrens en vormen vanaf daar een bredere rivier: de Okavango. Die loopt door de Caprivistrook, een smalle corridor van Namibië, en vervolgt zijn weg Botswana in. Zo komt jaar­lijks gemiddeld 9,4 biljoen liter water het land binnen, als een vloeibaar geschenk van Angola, zonder welk de Okavangodelta niet meer zou bestaan. Zonder al dat water zou het gebied een heel ander aanzien krijgen en zouden er geen nijl­ paarden, sitatoenga’s of Afrikaanse zeearenden meer leven. 

Op grond van de veranderingen die het zuid-oosten van Angola nu ondergaat of die nog worden verwacht – inzake grondgebruik, het verleggen van de loop van rivieren, bevolkingsdichtheid en handel – is dit vooruitzicht misschien pessimistisch maar niet irreëel. Om die reden bestaat er steeds meer belangstelling voor de Cuito en de Cubango, en daarom ook is een internatio­ naal gezelschap van wetenschappers, ambtenaren, bodemexperts en jonge onderzoekers, onder aanvoering van de Zuid­Afrikaanse bioloog Steve Boyes en met steun van de National Geographic Society, het Okavango Wilderness Project gestart. Alle deelnemers aan dit grootschalige natuurbeschermingsonderzoek beseffen dat het welzijn en de toekomst van de Okavangodelta op het spel staan, en dat dit ook geldt voor het welzijn en de toekomst van Zuidoost­Angola.

In de delta en in de rivieren die erin uitmonden, wemelt het van de nijlpaarden. ’s Nachts grazen ze op het land, overdag rusten ze in het water. Waar de mannetjes strijden om territorium, beschermen de vrouwtjes hun jongen, onder meer met hun lange, zelfslijpende hoektanden.
Foto van Cory Richards

“We zitten in blessuretijd”, vertelt Boyes me wanneer we na een lange dag in onze mokoro’s (de kano’s van de Okavango) stroomafwaarts hebben gepeddeld, op onze kampeerplek zitten bij de Cubango. Boyes is opgegroeid in Johannesburg en heeft al sinds zijn jeugd een passie voor de natuur. Hij heeft gewerkt als barkeeper, als natuuronderzoeker en gids en als bedrijfsleider van een kampeerterrein in de Okavangodelta.

Ondertussen promoveerde hij. Gaandeweg werd hem steeds duidelijker hoe nijpend de waterproblematiek in de regio is. Toen hij in 2007 een campagne opzette om het bewustzijn daarvan onder de Botswanen te vergroten, was de reactie lauw.

“Het boeide ze gewoon niet”, vertelt hij. “Dan kreeg ik te horen: ja, wat is het erg in Angola hè, en jammer hoor als de rivier droogvalt. Door zulke reacties voelde hij zich tot actie gedwongen. Hij richtte zijn blik naar het noorden, naar de bronnen van de rivier. “We gaan proberen uit te zoeken hoe het watersysteem precies werkt”, kondigde hij aan. Maar hij hoopte het niet alleen te doorgronden, maar ook bij te dragen tot het behoud ervan.

Het Angola van 2017 biedt uitzonderlijke mogelijkheden. Het land was decennialang verscheurd door oorlog. De voormalige Portugese kolonie werd in 1975 na een bloedige bevrijdingsoorlog onafhankelijk, maar raakte vervolgens verstrikt in een burgeroorlog die 27 jaar zou aanhouden, waarbij het lang een speelbal was van de wereldmachten van die tijd. Het wemelde er bovendien van de landmijnen.

Projectleider Steve Boyes, rechts, en National Geographic-filmmaker Neil Gelinas rusten even uit. In ruim tien jaar veldwerk voor het behoud van de Okavangodelta moest Boyes al veel overwinnen: bureaucratie, landmijnen... Dan is een aanval van ‘zweetbijen’ niet iets om wakker van te liggen.
Foto van Cory Richards

Maar sinds 2002 is er veel veranderd. In dat jaar werd de rebellenbeweging UNITA definitief verslagen. Angola ging op grote schaal olie exporteren en de economie groeide als kool. “Het voornaamste is dat Angola nu een stabiel land is”, vertelt milieuminister Maria de Fátima Monteiro Jardim op een bijeenkomst in de hoofdstad Luanda. “Nu zetten we in op natuurbehoud.” Wat die inzet concreet inhoudt, is nog onbekend.

In elk geval staan de Angolese autoriteiten achter het plan van het team van Boyes om, met internationale steun, elke kilometer van de Cuito en de Cubango en enkele zijrivieren in kaart te brengen. Daarbij wordt ook onderzoek gedaan naar wilde soorten en de waterkwaliteit, en er wordt gekeken waar er mensen wonen en welke gevolgen hun aanwezigheid heeft. Met al die – ook voor het grote publiekelijk toegankelijke – informatie moet duidelijk worden op welke manier het zuivere water van Zuidoost-Angola het leven in de Okavangodelta in Botswana waarborgt.

Van deze expedities hebben er vooralsnog acht plaatsgevonden. De eerste begon op 21 mei 2015, toen Boyes en zijn team aankwamen bij het bronmeer van de Cuito. Ze hadden duizenden kilo’s aan materiaal bij zich, en zeven mokoro’s waarmee ze met al hun materiaal stroomafwaarts wilden varen. Nadat ze op de eerste dag het hele meer waren overgeroeid, ontdekten ze dat de bovenloop van de Cuito niet meer dan een beekje is, amper een meter breed en diep: onbevaarbaar voor de zes meter lange mokoro’s. Daarom besloten ze de rivieroever af te lopen en de volgeladen boten stroomafwaarts te trekken. Ondertussen registreerden ze wat ze zagen. De mokoro’s waren van glasvezel en hout, en lang niet zo zwaar als de traditionele boomstamkano’s, die van ebbenhout of een andere boomsoort zijn gemaakt, maar toch nog een flink gewicht met de volledige bepakking. Ruim een week moesten ze de boten voorttrekken tot ze bij het punt kwamen waar de Cuito bevaarbaar is. Eenmaal met peddels en vaarbomen onderweg, kregen ze met een nieuw type uitdaging te maken: krokodillen en nijlpaarden.

Aan zijn bovenloop is de Cuito een wildernisrivier – helder water, riet langs de oevers, geen dorpen, weinig tekenen van menselijke aanwezigheid. In de ochtend van 11 juli 2015 waren ze net bij een flauwe bocht toen ze een plons in het riet hoorden. “Krokodil!”, riep Boyes, stuurman van de voorste kano. Het was al bijna gewoon. Hij stuurde de kano naar het midden van de rivier, om het dier de ruimte te geven bij de oever.

Plotseling werd het water naast de boot van Boyes omhoog gestuwd en dook er een ontredderd nijlpaard op – een jong mannetje, denkt Boyes nu. De manier waarop je een krokodil ont- wijkt bleek níet de manier te zijn om een nijlpaard uit de weg te gaan. Nijlpaarden zijn heer en meester in het diepste gedeelte van de rivier. “Het was een grote fout”, vertelt Boyes. “Onze eigen schuld. We voeren pal over het dier heen, hij moest zichzelf wel verdedigen.”

De diversiteit aan amfibieën en reptielen in de rivieren die uitkomen in de delta is enorm, zoals ook deze specimina laten zien. Tot en met 2016 zijn er bij de expedities 64 reptiel- en 35 amfibiesoorten gevonden, waaronder waterslangen, hagedissen, padden en de donkere kikker Amietia angolensis, die alleen in Angola voorkomt.
Foto van Pete Muller

Het nijlpaard sloeg de boot lek met zijn onderste hoektanden (die een halve meter lang kunnen worden en erg scherp zijn). Het scheelde niet veel of hij beet de mokoro helemaal doormidden; wel sloeg de boot om. Boyes en zijn boegroeier Giles Trevethick vielen in het water. Ze klauterden op de romp van de kano, en een van de teamleden vuurde een pijl af om verdere aanvallen af te wenden. “Zwemmen!” schreeuwde Boyes’ jongere broer Chris, die de expeditie leidde, vanuit zijn boot pal achter die van Boyes. Trevethick en Boyes bereikten de oever uiteindelijk ongedeerd. Binnen twee uur hadden ze de boot gerepareerd en kon de expeditie worden vervolgd.

Het incident is een goed voorbeeld van hoe het verzamelen van data bij dit project in zijn werk gaat. Dankzij de observaties in dat ene uur, zowel digitaal als met het menselijke oog, weten we dat dit deel van de Cuito een sterke stroming kent, een zanderige bodem heeft, dat er niet veel waterplanten groeien, maar dat er wel diverse vissoorten voorkomen. Trevethick zag eerst een bonte ijsvogel, gevolgd door een malachiet-ijsvogel en een smidsplevier, alle op boomtakken langs de rivier. We weten precies op welke lengte- en breedtegraad het incident plaatshad, tot op twaalf cijfers achter de komma. We weten dat de hartslag van Steve Boyes, geregistreerd met zijn horloge, om precies 10.57 uur abrupt steeg van 81 naar 208 – een hartslag die niet vreemd is bij een gezonde man die een nijlpaard eruit probeert te zwemmen.

Visvangst voor eigen consumptie is vanouds van groot belang voor de dorpelingen in het stroomgebied van de Cuito en de Cubango. Tegenwoordig beschikken ze over betere netten, waarmee ze meer vis vangen, die ze roken en per motorfiets of boomstamkano naar de streekmarkt brengen. Boyes vreest dat de grootschaligere visvangst niet duurzaam is.
Foto van Cory Richards

Toen ik me bijna twee jaar later bij Boyes’ team voegde op de Cubango, hadden ze inmiddels meer methoden om gegevens te verzamelen. Op een ochtend keek ik toe hoe de jonge Namibiër Götz Neef de oogst van de nacht in zijn fuik bekeek: een cichlide, een tapirvis, een baardmeerval en zo nog wat soorten. Aan de hand van de vangst krijgen viskundigen inzicht in de mate waarin de vispopulaties in de Cubango verschillen van die in de Cuito, en kunnen ze bepalen of het om unieke soorten of ondersoorten voor dit gebied gaat.

Aan de oever van de Cuito bijvoorbeeld, vonden de onderzoekers mogelijk een nieuwe soort van Clariallabes, een palingachtig geslacht van meervallen die perfect lijken toegerust voor een leven in verzadigde veenmoerassen. Andere deskundigen uit Angola, Zuid­Afrika en Engeland hebben amfibieën, reptielen, insecten, kleine zoogdieren en planten verzameld. Kikkers en libellen, waarvan de larven in het water leven, zijn gevoelig voor vervuiling, en daarom is hun aanwezigheid een belangrijke indicator van de waterkwaliteit. Een specifieke groep knaagdieren – moerasratten of vleirotte in het Afrikaans, die bekendstaan om hun heel kleine territorium – lijkt in de hooglanden geëvolueerd tot meerdere nieuwe soorten.

“Angola is de ontbrekende schakel om het verspreidingspatroon van deze dieren te kunnen doorgronden”, zegt bioloog Peter Taylor, die als expert kleine zoogdieren aan het project is verbonden. Het doel van Boyes is om met al deze informatie te komen tot een ‘biologisch en hydrologisch mozaïek’ van het tweerivierenstelsel, om het effectiever te kunnen beschermen en daarmee het voortbestaan van de Okavangodelta te waarborgen.

We peddelen verder stroomafwaarts. Neef vangt niet alleen vis in zijn fuik, hij verzamelt ook gegevens over de waterkwaliteit met behulp van twee gevoelige sensoren. Verder fotografeert hij: op een statief staat een 360­gradencamera, uit de boeg van zijn mokoro steken twee spiegelreflextoestellen die elke vijf minuten automatisch een foto maken. ’s Avonds gebruikt Neef op onze kampeerplek een vleermuisdetector, een geel kastje dat de ultrasone kreten opvangt, op basis waarvan later kan worden vastgesteld om welke soorten het gaat. Andere teamleden maken aantekeningen over vogels, reptielen en menselijke activiteit. Boyes zelf kijkt uit naar vogels; zodra hij een bepaalde soort heeft gespot – Afrikaanse reuzenijsvogel, hamerkop, witkapbijeneter, vorkstaartscharrelaar – licht hij de Angolese bioloog Kerllen Costa in, die vervolgens de gps­coördinaten invoert op een tablet. Costa’s zus Adjany is viskundige en Emerging Explorer van National Geographic. Ze fungeert als contactpersoon tussen de expeditieleden en de Angolese autoriteiten. In Boyes’ team zitten Zimbabwanen, Zuid­Afrikanen, Namibiërs, Amerikanen en uiteraard Botswanen: de vaardigste mokoro­bootslui komen uit de Okavangodelta zelf.

De bootsman van mijn mokoro is de even kleine als krachtige Tumeletso Setlabosha, bijgenaamd Water, een Wayeyi die in het hart van de delta is opgegroeid. Zijn moeder gaf hem die bijnaam omdat hij in een poel water werd geboren toen ze een tocht door de lagunes maakte. Op de vraag naar zijn leeftijd antwoordt Water dat hij op het droge 54 is, maar “wanneer ik peddel, ben ik 25”. Hij gedoogt me een week lang op de boeg van zijn kano, waarvandaan ik alles met grote ogen gadesla. Ik maak aantekeningen en probeer mijn aandeel te leveren met de peddel.

Ondertussen wordt de vaste grond door de buffels losgewoeld en bemest. In de Okavango blijft niets lang hetzelfde. Het leven geeft vorm aan het landschap en andersom.
Foto van Picture by Beverly Joubert, NATIONAL GEOGRAPHIC CREATIVE  

In het gebied langs de bovenloop van de Cubango wonen maar weinig mensen, ook nu de burgeroorlog al een tijd voorbij is en al degenen die het gebied eerder zijn ontvlucht, hebben mogen terugkeren naar hun dorpen hier in het afgelegen zuiden, waar eerder UNITA­rebellen heer en meester waren. Al peddelend tussen de met riet omzoomde oevers zien we zo nu en dan een aangemeerde mokoro, slaapplaatsen van vissers, hier een koe, daar een geit, of vrouwen die kleren wassen of in een eenvoudig distilleerapparaat kashipembe maken, een drank van jakhalsbessen of andere wilde vruchten. Verder stroomafwaarts verschijnen er meer mensen, meer boten, meer vee, maisvelden, een voetbalveld, een enkele motorfiets. ’s Nachts horen we niet alleen het gesjirp van krekels, maar ook het gebrom van vrachtwagenmotoren op weg naar de Namibische grens. Langs die weg en via die grens komen levensmiddelen het land binnen en wordt gekapt hout uitgevoerd. Afgezien van hout, illegaal bushmeat en water heeft het stroomgebied van de Cubango de wereld niet veel te bieden. Kennelijk heeft niemand in deze uithoek van Angola nog diamanten, goud of olie gevonden. Hier is zuiver water de schat waar het om draait.

Op een dag meren we rond het middaguur op de linkeroever aan, vlak voor een kleine stroomversnelling, en omdat een volgeladen mokoro te kwetsbaar is, observeren we de situatie eerst vanaf de kant. Lopend langs de oever ziet Boyes een strik voor nijlpaarden, gemaakt van stevig ijzerdraad. Het ding is gecamoufleerd met rietstengels en geplaatst op het pad dat door de nijlpaarden wordt gebruikt wanneer ze uit het water komen. Het gehuil van een nijlpaard dat klem zit in een strik, is het droevigste geluid op aarde, zegt Boyes, die het ijzerdraad doorknipt. Boyes heeft veel begrip voor de mensen die langs de Cubango leven en beseft dat de inspanningen om de twee rivieren, de biologische rijkdom van Zuidoost­Angola en de Okavangodelta, te beschermen, hand in hand moeten gaan met steun aan de bevolking. Maar de illegale handel in het vlees en het ivoor van de tanden van nijlpaarden is allesbehalve duurzaam; Boyes kan dit niet accepteren.

Op een andere dag gaan we vroeg aan land om zo te voorkomen dat we de nacht moeten doorbrengen in de buurt van Savate: de omgeving van het dorp is bezaaid met landmijnen. We leggen wat verder stroomopwaarts aan, op een plek waar koeienvlaaien het enige gevaar vormen. Kinderen kijken toe hoe we duizenden kilo’s aan spullen uit de boten halen – tenten, tafels, dozen voedsel, plunjezakken, vouwkrukjes, geavanceerde elektronica. Vrouwen komen aanlopen met bergen wasgoed, want kennelijk is dit hun vaste wasplaats, die ze nu voor één keer moeten delen met een hele vloot kano’s. Vlakbij staat een vastgebonden ezel te grazen. Wie in dit gebied een ezel heeft, is rijk. Kort na zonsondergang is ons eten klaar: een stevig en geurig gerecht van bonen en rijst, dat we boven het kampvuur hebben bereid. De kinderen zijn inmiddels verdwenen. Ik vraag me af wat ze van ons denken.

Wie naar de Okavangodelta kijkt op 150 meter hoogte vanuit een Cessna, ziet een tapijt in rijkgeschakeerd motief: ovale vormen, strepen en vlekken in allerlei tinten groen en bruin. Het water in de lagunes lijkt van bovenaf gezien bijna zwart; de geulen en hoefijzervormige meren hebben een zilveren glans door de lage middagzon. Midden op enkele eilandjes ligt, omringd door bomen, een laagje zout. Vanuit dit standpunt dringt snel door hoe dynamisch en heterogeen het landschap is, hoe het water het land blijft vormen door nieuwe geulen te openen en oude af te sluiten, door per jaargetijde hoger en lager te staan, door natuurlijke zoutpannen vol te laten lopen en ze later weer te laten opdrogen, door eilanden in te sluiten en op die manier een uniek ecosysteem te vormen.

Een vuurzee in het overstromingsgebied van de Cuito vlak bij een van de kampeerplekken van het team. Natuurbranden zijn gewoon, maar er wordt ook bos aangestoken om wild naar jagers te drijven, wat erosie en verzilting bevordert. De rivieren die de Okavango voeden worden ook bedreigd door kunstmest en pesticiden, en door het verleggen van hun loop voor de landbouw.
Foto van James Kydd

Dit fraaie perspectief op de delta heb ik te danken aan de Amerikaanse natuurbeschermingsbioloog John ‘Tico’ McNutt. Hij wacht me op op het vliegveldje van Maun, waar ook de toeristen die Okavango bezoeken aankomen, en brengt ons met het vliegtuigje naar het onderzoekerskamp dat al bijna drie decennia lang zijn uitvalsbasis is. McNutt bestudeert er de bedreigde hyenahond, of Afrikaanse wilde hond. Als geen ander is hij op de hoogte van de ecologische en politieke processen in de delta. Op de grond laat hij me roedels honden zien, maar daarnaast neemt hij me vier dagen mee in zijn vliegtuig. Bij alles wat we vanuit de lucht zien geeft hij tekst en uitleg, zonder de stuurknuppel uit het oog te verliezen. Ondertussen houdt hij ook nog zijn telemetrische ontvanger in de gaten, waarop hij signalen binnenkrijgt van honden die met een zendertje zijn uitgerust.

We zien grote kudden litschiewaterbokken, wat rietbokken en impala’s, termietenheuvels op eilandjes, sporen van nijlpaarden, olifanten die een lange schaduw werpen in de late namiddag. “Er zijn geen aasgieren”, zegt hij. “Ze zouden in die palmbosjes daar moeten slapen. Het zou hier echt moeten barsten van de aasgieren.” Maar stropers hebben een hekel aan aasgieren omdat ze verraden waar verse olifantenkarkassen liggen; ze doden de vogels door gif in het achtergelaten vlees te stoppen. Ook met voldoende watertoevoer heeft de Okavango zo zijn problemen.

We vliegen verder noordwaarts, totdat McNutt zegt: “Hier moet ongeveer de breuklijn lopen, vanwaar alles een andere kant uitgaat.”

Het gaat om een brede strook met langzaam stromend water, die wordt begrensd door heuvels die boven het laaggelegen moeras uitsteken. Het gebied begint net ten zuiden van de grens met Namibië en stroomt zuidoostwaarts tot aan de lijn die McNutt zojuist noemde, de Gumare­breuklijn. Voorbij de lijn ligt een vlak stroomdal, een van de het laagste punten in het Kalaharibekken. Even verderop spreiden de wateren van de Okavango zich uit in hun bloemvorm. Twee andere diagonale breuklijnen vormen de zuidoostgrens van de delta. Bij deze natuurlijke dammen buigt het overgebleven oppervlaktewater in westelijke richting af naar het Ngamimeer, of het sijpelt weg in de zandgrond. Ten zuiden hiervan liggen alleen natuurlijke zoutpannen en woestijn.

In de delta zelf regent het wel, maar niet veel, en wat er valt, valt overwegend in de zomermaanden, van december tot en met maart. Het centrale hoogland van Angola krijgt veel meer neerslag, ongeveer 1300 millimeter per jaar, waardoor de turfafzetting en de zandbodem in het overstromingsgebied van de bovenloop van de Cuito verzadigd raken, waarna het water heel langzaam in de Cuito en zijn zijrivieren terechtkomt. Ook de Cubango profiteert van de regenval, maar de ondergrond van het waterbekken van de Cubango is steiler en rotsachtiger, zodat hier het regenwater in het regenseizoen snel naar beneden stroomt.

Het gevolg van dit alles is dat de Okavangodelta elk jaar op drie verschillende momenten een toestroom van water kent. Daardoor heeft de delta een langere en gevarieerdere aanvoer van water dan de meeste andere zoetwatergebieden. Doordat het zoete water verspreid over het jaar via een steeds wisselend patroon van geulen, zoutpannen en poelen binnenstroomt, wordt een grote diversiteit aan planten gevoed, bemest met de uitwerpselen van olifanten, nijlpaarden en impala’s. Dit alles is een goed recept voor biologische rijkdom.

De Makgadikgadi-zoutvlakten zijn de restanten van een oeroud meer dat ooit rijk was aan leven en een groot deel van het huidige Noord-Botswana bestreek, totdat de loop van de rivieren die het meer werden verlegd door verschuivende breuklijnen. Khoisan leiden hier nu toeristen rond. Het is een majestueus gezicht, maar het laat ook zien wat er zonder water van de Okavangodelta zou overblijven.
Foto van Cory Richards

De grootste uitdaging die het Okavango Wilderness Project wacht, is het overtuigen van Angolese hoogwaardigheidsbekleders én de bevolking van het belang van het behoud van de Cuito en Cubango in hun huidige staat, zonder dat rivieren worden verlegd of dat het water wordt vervuild. Dat houtkap en houtskoolproductie beperkt blijven, dat er geen bossen worden afgebrand voor de jacht, dat de commerciële exploitatie van bushmeat, het grootschalig gebruik van kunstmest, mijnbouw of andere schadelijke activiteiten worden beteugeld. Dat alles te bereiken, is even urgent als moeilijk.

Volgens optimisten kan het natuurschoon langs de Cuito en Cubango een toeristische bestemming worden. Er zouden exclusieve lodges kunnen komen waar buitenlandse bezoekers de wilde dieren kunnen bekijken, waaronder soorten die door de burgeroorlog decennialang gedecimeerd waren, maar nu terug zijn, zoals de reuzensabelantilope. Wellicht zouden deze toeristentrekkers deel kunnen uit maken van een tour langs bekendere bestemmingen in de Okavango. Ook bestaat de hoop dat de regering van Botswana en de toeristenbranche daar met een vooruitziende blik gaan opereren en Angola financieel willen compenseren als dat land ervoor zorgt dat het water blijft stromen. Je kunt dat afpersing noemen, of, zoals Boyes, een ‘watercontract’. Het is in elk geval een rationele aanpak. Het is misschien onwaarschijnlijk om te rekenen op ratio en een vooruitziende blik als het om diplomatieke betrekkingen en grondstoffen gaat, maar de Okavangodelta is zelf ook een onwaarschijnlijk natuurverschijnsel, dat vraagt om buitengewone zorg en verbeeldingskracht.

Ondertussen gaan de veranderingen in Angola razendsnel, vertelt Boyes. “Als we drie jaar langer hadden gewacht voor we aan deze missie begonnen, dan zou er al niets meer over zijn om te beschermen.”

Auteur David Quammen schrijft vaker voor National Geographic. Van Cory Richards verschenen eerder fotoreportages in het magazine en online. 

Reis in januari mee tijdens Travel Month. Natgeo.nl/travelmonth

Ontdek meer

Traveler

Travel Month

In januari staat National Geographic in het teken van reizen.

Kenia: Afrika op zijn wildst

Reisjournalist en fotograaf Hans Avontuur neemt zijn gezin mee op safari door de Keniaanse wildernis. Hij hoopt dat ook zij worden gegrepen door de magie van zijn favoriete continent.

Een gewaagd plan om de bedreigde giraffen van Afrika te redden

De raadselachtige reuzen lopen steeds meer gevaar. Voor sommige zou overplaatsing beter zijn. Maar dat brengt nieuwe risico’s met zich mee.
Lees meer