Stop met Plastic

Plastic: van wondermateriaal tot wereldprobleem

Het leek zo’n mooi product. Nu komen we erin om. donderdag, 7 juni 2018

Door Laura Parker
Foto's Van Randy Olsen

Dit verhaal maakt deel uit van onze #STOPMETPLASTIC-serie, waarin we gedurende meerdere jaren aandacht vragen voor de wereldwijde vervuiling door plastic afval. Lees meer over wat jijzelf kunt doen om het gebruik van wegwerpplastic te verminderen.

Als de Pilgrims hun lege flessen en chipszakken gewoon overboord hadden gekieperd, zoals veel mensen tegenwoordig doen, dan was al dat plas­tic intussen door zonlicht en golfslag uiteen­ gevallen. Maar in kleine deeltjes zou het dan nog steeds in zee drijven en door het absorberen van giftige stoffen nog schadelijker worden dan het al was. Met alle gevolgen van dien.

We mogen wel dankbaar zijn dat de Pilgrims geen plastic hadden, bedenk ik me wanneer ik in de trein zit naar Plymouth aan de Engelse zuidkust, op weg naar een man die me alles kan vertellen over de puinhoop die we hebben gemaakt met ons plastic, vooral in de oceanen.

Omdat kunststof pas sinds eind negentiende eeuw bestaat en de productie pas rond 1950 goed op gang is gekomen, hebben we tot nu toe ‘maar’ 8,3 miljard ton plastic gefabriceerd. Daarvan is ruim 6,3 miljard ton inmiddels afval, en van dat afval is een verbluffende 5,7 miljard ton nooit in een recyclecontainer beland – veel meer dan de wetenschappers die in 2017 dit rekensommetje maakten hadden verwacht.

Niemand weet precies hoeveel plastic er in zee terechtkomt, de ultieme afvalput van de aarde. Maar de ruwe schatting die Jenna Jambeck van de University of Georgia in 2015 maakte, haalde het wereldnieuws: alleen al vanuit de kustgebieden tussen de 4,8 miljoen en 12,7 miljoen ton per jaar. Het gros is niet afkomstig van schepen, volgens Jambeck, maar wordt op het vasteland weggegooid of in rivieren gedumpt, vooral in Azië, en vervolgens door de wind of het water naar zee gevoerd.

Zie je het voor je, zegt Jambeck: vijftien plastic boodschappentassen volgepropt met plastic op elke meter kustlijn wereldwijd? Dat komt overeen met acht miljoen ton, haar gemiddelde schatting van wat er per jaar aan plastic in zee terechtkomt. Hoe lang het duurt voordat dat plastic helemaal is afgebroken, is onduidelijk. Schattingen lopen uiteen van 450 jaar tot nooit.

Intussen wordt het zwerfplastic in de oceanen jaarlijks naar verluidt miljoenen zeedieren fataal. Van bijna zevenhonderd, soms bedreigde, diersoorten weten we zeker dat ze onder het plastic te lijden hebben. Soms zichtbaar, zoals dieren die stikken in achtergebleven visnetten of ronddobberende sixpackringen, maar veel vaker onzichtbaar. Zeedieren in alle soorten en maten, van zoöplankton tot walvissen, krijgen microplastic binnen, plasticdeeltjes tot een halve centimeter doorsnee.

Ik ben eens op een strand geweest op Big Island in Hawaï dat maagdelijk had moeten zijn – er liep niet eens een weg naartoe –, maar waar ik tot mijn enkels door het microplastic banjerde. Sindsdien begrijp ik goed dat er mensen zijn die het plastic in de oceanen als een tikkende tijdbom zien.

Het plasticprobleem is een stuk minder complex dan de klimaatverandering. Er zijn vooralsnog geen ‘plasticontkenners’. En om de oceanen weer schoon te krijgen, hoeft niet ons hele energiesysteem op de schop.

“Dit is geen probleem waarvoor niemand een oplossing heeft”, zegt grondstoffeneconoom Ted Siegler uit Vermont, die al ruim 25 jaar ontwikkelingslanden helpt bij de omgang met afval. “Vuilnis ophalen is niet zo moeilijk: iedereen kan het. En het is ook niet zo moeilijk om het te verwerken en te recyclen.” Het is gewoon een kwestie van de juiste organisaties en systemen optuigen.

Onder de sombere hemel van een Engelse herfst staat Richard Thompson me op te wachten bij het Coxside Marine Station, een onderzoekspost aan de rand van de haven. Thompson, een tanige man van 54, deed promotieonderzoek naar de puntkokkels en microalgen die op de rotsen langs de kust groeien. Toen deed hij een keer mee aan een strandschoonmaakactie op het Isle of Man. Terwijl de andere vrijwilligers plastic flessen, tassen en netten opraapten, boog Thompson zich over het kleine spul, de minuscule flintertjes langs de vloedlijn waarvoor verder niemand oog had. Aanvankelijk wist hij niet eens zeker of het wel plastic was.

In die tijd viel er nog echt een mysterie op te lossen, althans in academische kring: wetenschappers vroegen zich af waarom er niet veel meer plastic in zee werd gevonden. Want terwijl de productie wereldwijd exponentieel toeneemt – van 2,1 miljoen ton in 1950 tot 147 miljoen ton in 1993 en 407 miljoen ton in 2015 – bleven de hoeveelheden plastic die in zee en op stranden werden aangetroffen daar nogal bij achter, al waren ze op zich alarmerend genoeg. “De vraag is dus: waar blijft dat allemaal?”, zegt Thompson.

Inmiddels heeft Thompson het zijne bijgedragen aan een voorlopig antwoord: het ‘verdwenen’ plastic is verbrokkeld tot stukjes die amper nog zichtbaar zijn. ‘Microplastic’ is de term die hij daarvoor lanceerde in een artikel uit 2004, waarin hij voorspelde dat die minuscule deeltjes zich “mogelijk op grote schaal” kunnen gaan ophopen in de oceanen.

Als ik hem in het najaar van 2017 in Plymouth ontmoet, heeft Thompson net een onderzoek afgerond waaruit blijkt dat er naast golven en zonlicht waarschijnlijk nog meer krachten zijn die het plastic verpulveren. In het laboratorium hebben ze kwelderspringers, vlokreeftjes die veel voorkomen in Europese kustwateren, stukken plastic zien verschalken. Eén plastic tas kunnen ze in wel 1,75 miljoen flintertjes scheuren, rekende het team uit.

Op alle plekken in de oceanen waar naar microplastic is gezocht, werd het gevonden, van de diepste zeebodem tot in het ijs op de Noordpool – waaruit volgens een specifieke schatting wel een biljoen stukjes plastic kunnen vrijkomen als het de komende tien jaar ontdooit.

Op sommige stranden op Big Island in Hawaï bestaat het zand voor wel 15 procent uit microplastic. Op Kamilo Point Beach, het strand waar ik ben geweest, wordt het plastic aangevoerd door de Noord­-Pacifische gyre, de smerigste van de vijf stromingen die afval over de oceanen transporteren en bijeendrijven. Het strand van Kamilo Point ligt bezaaid met wasmanden, flessen en bakken met etiketten in het Chinees, Japans, Koreaans, Engels en Russisch.

Terwijl we dit alles bespreken, vaar ik met Thompson in een scheepje door de baai van Plymouth. Op een gegeven moment werpt Thompson een fijnmazig net uit dat meestal voor het onderzoek naar plankton wordt gebruikt. Niet ver hiervandaan hebben andere onderzoekers een paar jaar geleden 504 vissen van tien verschillende soorten gevangen. Toen Thompson die vervolgens ontleedde, trof hij bij ruim een derde microplastic in de ingewanden aan.

Na een poosje varen haalt Thompson het net binnen. Op de bodem ligt een hoopje plastic confetti in allerlei kleuren. Thompson is niet zo bang voor microplastic in zijn fish and chips – er zijn weinig aanwijzingen dat het vanuit de ingewanden in de delen van de vis terechtkomt die we eten. Hij maakt zich wel druk om de chemicaliën die aan plastic worden toegevoegd om ze de gewenste eigenschappen te geven, zoals weekmakers, en het nanoplastic waarin het microplastic waarschijnlijk uiteenvalt. Want die stoffen kunnen wél doordringen in het weefsel van vissen en mensen.

“Concentraties van chemische stoffen kunnen tijdens de productie hoog zijn”, zegt Thompson. “Maar we hebben eigenlijk nog nauwelijks een idee hoeveel er nog in het plastic zitten tegen de tijd dat het een hapklaar brokje voor de vis is geworden.”

Hij vervolgt: “Nanodeeltjes zijn nog nooit in het milieu gevonden – die zijn zo klein dat ze met geen enkel instrument kunnen worden opgespoord. Toch wordt aangenomen dat ze er wel degelijk zijn. En als ze inderdaad in het weefsel kunnen worden opgenomen, verandert dat de zaak.”

Thompson wil niet op de bevindingen in zijn vakgebied vooruitlopen. Hij is geen onheils­profeet, maar hij is er wel van overtuigd dat het plastic in de oceanen meer is dan een esthetisch probleem. “We moeten niet gaan zitten afwach­ten tot het definitieve bewijs is geleverd dat vis eten al dan niet gevaarlijk is”, zegt hij. “We weten echt wel genoeg om in actie te komen.”

Hoe is het zover gekomen? Wanneer werd duidelijk dat de wonderbaarlijke kunststoffen ook een duistere kant hadden? Sinds het een rol speelde bij de overwinning van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog – denk aan nylon parachutes en lichtgewicht vliegtuigonderdelen – hebben kunststoffen ons leven meer veranderd dan welke andere uitvinding ook, en veelal ten goede.

Plastic heeft een impuls gegeven aan de ruimtevaart en een revolutie ontketend in de geneeskunde. Het maakt auto’s en vliegtuigen lichter, wat een stuk scheelt in brandstofverbruik en dus ook in luchtvervuiling. Het houdt ons voedsel langer vers in de vorm van flinterdun folie. En het helpt dagelijks mensenlevens te redden doordat het verwerkt is in airbags, couveuses, valhelmen én in de inmiddels zo verguisde wegwerpflessen waarmee dorstigen van drinkwater worden voorzien.

In een van de eerste toepassingen redde kunststof het leven van wilde dieren. In de negentiende eeuw werden pianotoetsen, biljartballen, kammen en allerhande snuisterijen nog gemaakt van ivoor. Toen het aantal olifanten terugliep en ivoor schaarser en duurder werd, loofde een biljartfabriek een beloning van tienduizend dollar uit aan de bedenker van een alternatief.

John Wesley Hyatt nam de uitdaging aan, schrijft Susan Freinkel in haar boek Plastic – A Toxic Love Story. Hij ontwikkelde celluloid, een materiaal op basis van cellulose, een polymeer dat in alle planten voorkomt. Hyatts bedrijf beloofde een eind te maken aan de drang “om de aarde te plunderen op zoek naar almaar schaarser wordende stoffen”. Celluloid redde niet alleen olifanten het leven, het veranderde ook biljarten van een liefhebberij voor de aristocratie in een tijdverdrijf dat ook was weggelegd voor de gewone man in het café op de hoek.

Dat is nog maar een heel prozaïsch voorbeeld van de ingrijpende revolutie die kunststof ontketende: een tijdperk van materiële overvloed. In het begin van de twintigste eeuw raakte die revolutie in een stroomversnelling toen kunststof voortaan werd gemaakt van hetzelfde spul dat ons ook grote hoeveelheden goedkope brandstof leverde: aardolie.

Bij de raffinage van olie bleven afvalgassen over als ethyleen, tot duidelijk werd dat die konden worden gebruikt als bouwstenen – monomeren – voor allerlei nieuwe polymeren, zoals polyethyleen- tereftalaat (pet). Ineens was men niet alleen meer op natuurlijke polymeren aangewezen. Er ging een wereld aan mogelijkheden open. Van plastic kon van alles en nog wat worden gemaakt; omdat het vrijwel niets kostte, was dat precies wat er gebeurde.

Plastic was zelfs zo goedkoop dat het als grondstof diende voor spullen die niemand wilde bewaren. In 1955 bracht het tijdschrift Life een lofzang op de bevrijding van de Amerikaanse huisvrouw uit haar eentonig bestaan. Een foto met de kop Throwaway Living (‘wegwerpleven’) – toonde een gezin dat borden, bekers en bestek in de lucht wierp. Het zou veertig uur kosten om dat allemaal schoon te maken, vermeldde de begeleidende tekst, “maar dat hoeft de huisvrouw niet meer te doen”. Wanneer kwam de duistere kant van plastic aan het licht? Misschien wel op het moment dat de troep op die foto op de grond kletterde.

Ruim zestig jaar later is zo’n 40 procent van de 406 miljoen ton plastic die inmiddels per jaar wordt geproduceerd bedoeld om weg te gooien, vaak zelfs al vrijwel meteen na aankoop van een artikel. De productie groeit zo razendsnel dat pakweg de helft van al het plastic dat ooit is gemaakt dateert van de afgelopen vijftien jaar. Vorig jaar gaf de Coca-Cola Company, een van de grootste producenten van plastic flessen ter wereld, voor het eerst toe hoeveel dat er zijn: 128 miljard stuks per jaar. Nestlé, PepsiCo en andere drankenfabrikanten leveren eveneens een forse bijdrage.

De plasticproductie stijgt zo snel dat de afvalverwerkers het niet kunnen bijbenen. Daardoor veranderen de oceanen in vuilnisvaten. “Het is geen wonder dat het systeem niet meer werkt”, zegt Jambeck. “Tegen zo’n snelle groei valt gewoon niet op te boksen.” In 2013 kwam een team onderzoekers met een andere kijk op het ‘wegwerpleven’. Ze schreven in het wetenschappelijk tijdschrift Nature dat wegwerpplastic niet meer moet worden gezien als een aanwinst voor de huisvrouw, maar als een gevaarlijke stof.

De toename van de plasticproductie in de afgelopen jaren komt vooral op het conto van de ontluikende economieën in Azië, waar steeds meer wegwerpverpakkingen worden gebruikt terwijl de vuilophaaldiensten er nog in de kinderschoenen staan. In 2010 was de helft van al het zwerfplastic in de wereld volgens Lambeck afkomstig uit vijf Aziatische landen: China, Indonesië, de Filippijnen, Vietnam en Sri Lanka.

“Stel dat 100 procent van het plastic in Noord-Amerika en Europa wordt gerecycled”, zegt Ramani Narayan, hoogleraar chemische technologie aan de Michigan State University en tevens werkzaam in zijn geboorteland India. “Dan heeft dat amper effect op het plastic dat in zee terechtkomt. Als je daar iets aan wilt doen, zul je het afvalprobleem moeten aanpakken in de landen waar het plastic vandaan komt.”

Ooit gleed de Pasig als een majestueuze rivier door de Filippijnse hoofdstad alvorens uit te monden in een maagdelijk schone Baai van Manilla. De waterweg was voor de Filippino’s een bron van trots. Nu staat de Pasig in de top tien van rivieren die het meeste plastic in zee lozen. Ruim 65.000 ton plastic per jaar stroomt er door de Pasig, vooral tijdens de moesson. In 1990 werd de rivier biologisch dood verklaard.

In 1999 werd de Pasig River Rehabilitation Commission opgericht, een organisatie die de rivier weer schoon probeert te krijgen. Directeur Jose Antonio Goitia heeft goede moed dat het ooit zal lukken, maar het zal niet makkelijk zijn. “Het beste is misschien nog een verbod op plastic tasjes.”

De Pasig wordt gevoed door 51 zijrivieren, waarvan sommige totaal verstopt zijn door het plastic afval van illegale sloppenwijken. Een zijrivier in de buurt van Chinatown, waar gammele krotten tussen moderne gebouwen staan, zit zo vol met troep dat je de voetgangersbrug niet nodig hebt om over te steken. De stranden aan de Baai van Manilla liggen bezaaid met plastic zwerfvuil.

Vorig najaar hield Break Free From Plastic, een samenwerkingsverband waarin ook Greenpeace deelneemt, een schoonmaakactie op een strand op Freedom Island, dat wordt aangeprezen onder de vlag van ecotoerisme. De deelnemers raapten 54.260 plastic voorwerpen op, van slippers tot etensbakjes. Als ik er een paar weken later kom kijken, ligt het strand alweer vol met essen, snoepverpakkingen en tasjes.

Het beeld in Manilla is kenmerkend voor alle overbevolkte stadsregio’s in Azië. De Filippijnen zijn een dichtbevolkte archipel met 105 miljoen inwoners dat grote problemen heeft op het gebied van de volksgezondheid; via water overdraagbare ziekten als tyfus en diarree komen veel voor. Geen wonder dat het land de explosieve toename van plastic afval niet aankan. Al in 2004 kampte de regio met plaatsgebrek voor veilige vuilnisbelten. Dat tekort aan ruimte en de bijbehorende problemen worden met de dag groter.

Enige verlichting wordt gebracht door de informele recycle-industrie in Manilla, een leger van duizenden vuilnisrapers. Een van hen is Armando Siena (34), die net als zijn vrouw Angie (31) al zijn leven lang tussen het vuil woont. Ze zijn geboren op Smokey Mountain, een beruchte vuilnisbelt die officieel in 1990 is gesloten. Nu wonen ze met hun drie kinderen in de buurt van de baai in een eenkamerwoning met een peertje als lichtbron en een paar plastic stoelen als meubilair. Riolering, beddengoed of een koelkast hebben ze niet. Hun woninkje ligt in de zwaar vervuilde sloppenwijk Aroma, die grenst aan het al even smerige Happyland.

Elke dag rijdt Siena op een krakkemikkige fiets door de omringende buurten, waar hij de straten afspeurt naar herbruikbare rommel om die in zijn zijspan te proppen. Plastic soepbakjes zijn topvondsten; die brengen twintig pesos (dertig cent) per kilo op. Als hij alles gesorteerd heeft, brengt hij het naar de afvalhandel van zijn oom; daarvandaan gaat het per vrachtwagen naar de recyclefabrieken aan de rand van Manilla.

“Iedereen wil een spectaculaire remedie. Maar we moeten gewoon zorgen dat het vuilnis wordt opgehaald.”

door grondstoffeneconoom Ted Siegler

Vuilnisrapers als Siena zijn een deel van de oplossing, zeggen sommige activisten, alleen zouden ze een behoorlijk loon moeten kunnen verdienen. In de sloppenwijk Baseco aan de Baai van Manilla zit een kleine recyclewerkplaats van de Canadese organisatie Plastic Bank of Vancouver, die wat meer betaalt voor het plastic. Dit wordt dan doorverkocht aan multinationals die goede sier maken met hun gerecyclede producten.

Siegler, de econoom uit Vermont, heeft genoeg van de wereld gezien en genoeg rekensommetjes gemaakt om sceptisch te zijn. “Zo’n model is niet rendabel, daarvoor is plastic gewoon te weinig waard”, zegt hij. “Het is goedkoper om een vuilophaalsysteem op te tuigen dan om de inzameling van plastic te subsidiëren.”

Het zwerfvuil op de stranden en in de rivieren van Manilla bewijst Sieglers gelijk. Het bestaat voor een groot deel uit miniverpakkingen – zakjes met één portie saus, koffie, shampoo of tandpasta. Die worden massaal verkocht aan mensen als de Siena’s, die te arm zijn om grotere verpakkingen te kunnen kopen. De zakjes waaien door Manilla als boomblaadjes in de herfst. Omdat ze niet-recyclebaar zijn, raapt niemand ze op.

“Het aandeel van dit type verpakkingen wordt steeds groter”, zegt Crispian Lao van de publiek-private afvalorganisatie NSWMC. Na de schoonmaakactie op het strand van Freedom Island publiceerde de milieuorganisatie Greenpeace een lijst met de merknamen van de gevonden miniverpakkingen. Nestlé stond bovenaan, Unilever op plaats twee.
 De schuld ligt niet alleen bij de rommelmakers, benadrukt Abigail Aguilar van Greenpeace. “Een groot deel van de verantwoordelijkheid ligt bij de bedrijven die plastic voor eenmalig gebruik produceren en verkopen.” Volgens een woordvoerder van Unilever in Manilla wordt er inmiddels gewerkt aan de ontwikkeling van recyclebare sachets.

Nadat Malaysia Airlines-vlucht 370 in 2014 onderweg van Kuala Lumpur naar Beijing van de radar was verdwenen, werd er een zoekactie op touw gezet van Indonesië tot het zuiden van de Indische Oceaan. Wekenlang hield de wereld de adem in. Maar het wrak werd niet gevonden. Soms gloorde er hoop, als op satellietbeelden was te zien dat er iets in zee dreef. Maar telkens bleek het om afval te gaan: stukken van scheepscontainers, oude visnetten en natuurlijk plastic tasjes.

Kathleen Dohan, wetenschapper en hoofd van het Earth and Space Research in Seattle, zag het drama ook als een kans: de beelden uit de ruimte vestigden de aandacht op een veronachtzaamd probleem. “Dit is voor het eerst dat de hele wereld toekijkt”, vertelde ze me. “Het is goed dat mensen nu eens inzien dat onze oceanen vuilnisbelten zijn.” Dohan ontwaarde een kentering in de publieke bewustwording – en daarin heeft ze misschien wel gelijk gekregen.

Want het hoopgevendste aspect aan het plasticprobleem is dat er nu zo veel aandacht voor is en dat er zelfs hier en daar wordt geprobeerd om het op te lossen. Een paar voorbeelden van de afgelopen vier jaar, in willekeurige volgorde: Kenia sluit zich aan bij de groeiende groep landen met een plastictasjesverbod. Frankrijk doet plastic borden en bekers per 2020 in de ban. De Nederlandse regering heeft een verbod aangekondigd op microkorreltjes in verzorgingsproducten; in België hebben cosmeticaproducenten beloofd ze uit te faseren.

Ook het bedrijfsleven reageert op de publieke opinie. Coca-Cola belooft uiterlijk in 2030 voor elke fles die het wereldwijd verkoopt er een te gaan “inzamelen en recyclen”. Andere multinationals, waaronder PepsiCo, Amcor en Unilever, hebben toegezegd in 2025 alleen nog verpakkingen te zullen gebruiken die kunnen worden hergebruikt, gerecycled of gecomposteerd. En Johnson & Johnson vervangt het plastic in zijn wattenstaafjes door karton.

Zelfs al dan niet bekende personen werpen zich in de strijd. De Britse zeilster Ellen MacArthur, heeft een stichting opgericht ter promotie van de ciculaire economie, waarin alle materialen, ook plastic, worden hergebruikt. Acteur Adrian Grenier leent zijn naam aan de campagne tegen plastic limonaderietjes. En de 23-jarige Nederlander Boyan Slat is bezig met het verwezenlijken van zijn jongensdroom om de grootste drijvende vuilnisbelt in de Grote Oceaan op te ruimen. Zijn Ocean Cleanup heeft al bijna 25 miljoen euro ingezameld.

Al deze inspanningen helpen – zelfs de strandschoonmaakacties die soms zo zinloos lijken. Zo’n actie was voor Richard Thompson een kwarteeuw geleden immers aanleiding om met het plasticprobleem aan de slag te gaan. Maar de echte oplossing, denkt hij nu, ligt in het voorkomen dat er nog meer plastic in zee terechtkomt. “We hebben ons best gedaan om te zorgen dat plastic doet wat het doen moet, maar zijn vergeten om verder te kijken”, zegt hij. “Ik zal niet zeggen dat plastic de vijand is, maar het bedrijfsleven mag best wat meer doen om een oplossing dichterbij te brengen.”

Er zijn grofweg twee manieren waarop het bedrijfsleven dat kan doen. Allereerst kan het nieuwe soorten kunststof en plastic producten ontwikkelen die afbreekbaar zijn of makkelijk recyclebaar. Maar nieuwe materialen en meer recycling zijn langetermijnoplossingen, net als het tegengaan van onnodig gebruik van plastic. De methode om snel resultaat te boeken, zegt Siegler, is eenvoudiger: meer vuilniswagens en vuilnisbelten.

“Iedereen wil een spectaculaire remedie”, zegt hij. “Maar we moeten gewoon zorgen dat het vuilnis wordt opgehaald. In de meeste landen waar ik werk, blijft de troep op straat liggen.”

Dat is de tweede manier waarop het bedrijfsleven kan helpen: door te betalen. Siegler heeft ooit voorgesteld voortaan wereldwijd twee dollarcent belasting per kilo te heffen op de korrels waaruit plastic wordt gemaakt. Dat zou bijna vijf miljard euro per jaar opleveren, geld dat kan worden gebruikt om de vuilnisdiensten in ontwikkelingslanden te verbeteren. Het idee is nooit aangeslagen. Maar in het najaar van 2017 heeft een groep wetenschappers het plan van een wereldwijd fonds nieuw leven ingeblazen. Zij pleiten voor een internationaal verdrag naar het model van het klimaatakkoord van Parijs.

Op de milieutop van Nairobi in december hebben alle 193 lidstaten van de VN daaraan hun steun gegeven. Maar het verdrag voorziet niet in een plastictaks. Het is niet bindend en er zijn geen sancties. Het is niet meer dan een intentieverklaring – de intentie om de strijd aan te binden met de plasticsoep.

National Geographic staat de hele maand juni in het teken van #STOPMETPLASTIC. Zo vestigen we de aandacht op de plasticsoep in oceanen en het overmatige gebruik van wegwerpplastic.