Waarom verandert de hoogte van de Mount Everest steeds?

Door een kolossale aanvaring in een ver geologisch verleden werd de majestueuze Himalaya-keten opgestuwd – en die botsing is nog steeds gaande.

Gepubliceerd 10 dec. 2020 14:02 CET
De eerste stralen van de ochtendzon zetten de piek van de Mount Everest in een gouden ...

De eerste stralen van de ochtendzon zetten de piek van de Mount Everest in een gouden gloed.

Foto van Edson Vandeira, National Geographic Image Collection

Bergbeklimmers die de top van de Mount Everest halen, weten het waarschijnlijk wel, maar onder het dikke pak sneeuw op de berg ligt een rots van gevlekte grijze steen dat ooit de bodem van een oceaan vormde.

De rotsen zijn tot een verrassende hoogte van bijna negen kilometer boven zeeniveau opgestuwd door de langzame beweging van tektonische platen, de aardschollen van massief gesteente waaruit de gebarsten korst van de aarde is opgebouwd. Deze platen veranderen voortdurend van positie ten opzichte van elkaar, waarbij ze een groot scala van landschapskenmerken op het aardoppervlak doen ontstaan. Op sommige plekken worden de platen uit elkaar getrokken, waarbij diepe slenken worden gevormd. Elders botsen ze juist op elkaar, zodat hele bergketens omhoog worden gestuwd.

Ook de Mount Everest, op de grens tussen Tibet en Nepal, is het resultaat van zo’n tektonische aanvaring, in dit geval tussen de Indische en Euraziatische Platen. De botsing, die tientallen miljoenen jaren geleden begon, heeft het hele landschap over een breedte van zo’n 2400 kilometer in een kreukelzone veranderd en de bergketen doen ontstaan die we nu als de Himalaya kennen. Hoewel er over de precieze opeenvolging van de fases van deze continentale aanvaring nog veel onduidelijkheid bestaat, weten we dat de botsing nog altijd gaande is en dat de hoogte van de Everest daardoor blijft veranderen. (Bekijk de resultaten van de laatste hoogtemetingen op de Mount Everest.)

Geboorte van een bergketen

Het verhaal van de Himalaya begint zo’n tweehonderd miljoen jaar geleden, wanneer het supercontinent Pangea in grote landmassa’s uiteen begint te vallen. Daarbij maakt ook de Indische Plaat zich uiteindelijk los van het rompcontinent, waarna dit brok steen noordwaarts trekt, in de richting van een landmassa die we nu Azië noemen. De Indische Plaat verplaatste zich met een voor geologische begrippen verrassend hoge snelheid van negen meter of meer per eeuw.

Destijds lag tussen India en Eurazië de grote oceaan Tethys, maar naarmate India verder naar het noorden opschoof, begon deze oceaan steeds kleiner te worden. De plaat onder de oceaan, opgebouwd uit oceanische korst met een hoge dichtheid, schoof onder de zuidrand van de lichtere continentale korst van de Euraziatische Plaat, waarbij een zogenaamde subductiezone ontstond. Terwijl de oceanische korst langzaam de aardmantel in gleed, werd op de zeebodem een dikke laag afzettingen van de Indiase Plaat afgeschraapt en aan de rand van de Euraziatische Plaat opgehoopt. Die reusachtige hoeveelheid zanderig materiaal werd later tot steen samengeperst en uiteindelijk tot de hoogste pieken van de Himalaya opgestuwd. (Bekijk de top van de Everest en de omringende bergen in een panorama van 360 graden.)

Rond vijftig miljoen jaar geleden nam de snelheid waarmee de Indiase Plaat noordwaarts schoof opeens sterk af, een verandering die door veel wetenschappers wordt gezien als de eerste fase van de botsing met Eurazië. Nadere aanwijzingen uit mariene (pelagische) sedimenten wijzen erop dat het laatste stuk oceaan van de Tethys zich tussen de vijftig en zestig miljoen jaar geleden sloot.

In tegenstelling tot oceanische korst, die relatief dun is maar een hoge dichtheid heeft, bestaat de Indiase Plaat uit continentale korst, die dikker maar lichter is. Terwijl de beide landmassa’s tegen elkaar schoven en de Indiase Plaat zich onder de Euraziatische Plaat perste, veranderde het landschap in een kreukelzone en hoopte de korst zich op in een machtige bergketen die we nu als de Himalaya kennen. Dat althans was lange tijd de algemeen aanvaarde versie van het verhaal.

Maar terwijl wetenschappers elke kreukel, breuk en steensoort van dit geologische systeem onderzochten, rezen er steeds meer vragen. Onderzoekers kunnen de positie van landmassa’s in de loop van hun geologische evolutie in kaart brengen door onderzoek te doen naar oeroude patronen in het magneetveld van de aarde dat in het gesteente is vastgelegd. En uit recent onderzoek waarbij deze methode werd gebruikt, is gebleken dat India zich zo’n 55 miljoen jaar geleden – toen het subcontinent inmiddels op Eurazië moest zijn gebotst – nog verrassend ver van die landmassa verwijderd lag. Er gaapte dus een enorme en mysterieuze kloof tussen beide gesteentemassa’s.

Is de Indische Plaat eerst op een andere landmassa gebotst, een obstakel dat lang geleden is verdwenen en ooit tussen de beide platen in lag? Of strekte de noordrand van de Indiase Plaat zich veel verder naar het noorden uit dan tot nu toe werd aangenomen? Waarom verplaatste de Indiase Plaat zich vóór de botsing zo snel? Dat zijn enkele van de vele vragen waarop wetenschappers het antwoord zoeken.

Vanaf het noordelijke Everest-basiskamp is de klimroute naar de hogere kampen en de top van de berg te zien.

Foto van Renan Ozturk, National Geographic

Ups en downs

Hoe de aanvaring tussen India en Eurazië ook is begonnen, de botsing die ook de Everest deed ontstaan, is nog steeds gaande. India schuift in een tempo van enkele centimeters per jaar naar het noorden en wetenschappers schatten dat de Himalaya door de nog altijd werkende krachten tot grotere hoogte zal worden opgestuwd: het noordwesten van het massief stijgt gemiddeld met zo’n tien millimeter per jaar, rond de Everest bedraagt de stijging één millimeter per jaar. (Ontdek waarom het zo lastig is om de Everest op te meten.)

De opstuwing kan in horten en stoten verlopen, veroorzaakt door gewelddadige schokken in de aardkorst, want het proces waarbij India onder Eurazië schuift, verloop lang niet altijd soepel. Terwijl gesteenten worden samengeperst, worden er krachten opgebouwd die zich ontladen als ze een kritiek punt hebben bereikt. In dat geval kunnen enorme stukken aarde plotseling verschuiven, waardoor zich een aardbeving in de bodem erboven voordoet.

Maar aardbevingen zorgen er niet per se voor dat de Everest hoger wordt. Afhankelijk van de manier waarop de bodem verschuift en de plek waar dat gebeurt, kan een aardbeving de berg een beetje opstuwen of juist doen inklinken. Dat kan ook zijn gebeurd tijdens de zware aardbeving van 2015 in Nepal, zoals blijkt uit satellietmetingen.

Terwijl het gesteente op langere termijn verder wordt opgestuwd, wordt het tegelijkertijd weer afgebouwd door erosie. De rotsen worden langzaam door wind en water weggeschuurd, waarbij het schraapsel als sediment in rivieren naar lager gebied wordt vervoerd. In de Himalaya wordt veel van dat sediment door de grote rivieren de Ganges en de Brahmapoetra afgevoerd. Als de hellingen aan de voet van de bergketen minder steil worden en het water minder snel gaat stromen, dwarrelt het slib op de bodem neer, waar het in de loop van miljoenen jaren de grootste rivierdelta ter wereld en daarmee het grootste deel van het huidige Bangladesh en de Indiase deelstaat West-Bengalen heeft gevormd.

Hoewel de hoogte van het dak van de wereld dus aan banden wordt gelegd door de erosie en de zwaartekracht, blijven de tektonische platen onder en tegen elkaar schuiven, waarbij ze de Everest uiteindelijk tot nog grotere hoogte zullen opstuwen.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer