Dartworp: Over de rode aarde

Journalist Niels Guns reist het lot achterna. Zijn blinde worp met een dartpijl op de kaart van de Benelux en omgeving brengt hem deze keer naar het zuiden van Luxemburg.

Het ‘land van de rode aarde’, ook wel Minett genoemd.

Foto door Thomas Jutzler
Door Niels Guns
Gepubliceerd 2 nov. 2022 15:36 CET

Telkens wanneer ik voor een verhaal in deze serie op pad ga, is het zoeken naar de juiste voorbereiding. Ik wil me zo minimaal mogelijk inlezen, om het lot en toeval niet al te veel de pas af te snijden. Maar ik wil natuurlijk wel een idee krijgen van de plek waar ik naartoe ga. Een lokaal museum is meestal een goed startpunt, heb ik tot dusver ondervonden. Daar krijg je een beetje een beeld van de omgeving en alles wat je later tegenkomt, zie je door de ingewonnen informatie in een bepaalde context. Nadeel van zo’n globale voorbereiding is dat ik details soms over het hoofd zie. Of hoofdzaken, zoals de openingstijden van het Musée National des Mines de Fer in Rumelange, op zo’n vijftien kilometer vanwaar mijn dartpijl de kaart raakte: in het dorpje Schouweiler. In het winterseizoen is het ijzermijnmuseum voor individuele bezoekers namelijk zeer beperkt geopend, ontdek ik wanneer ik voor de deur sta. Meteen voel ik ook het voordeel van het lot achternareizen: alles wat gebeurt is oké. Ik besluit te gaan wandelen in de bossen rond Rumelange. Minett, of ‘Les Terres Rouges’, zoals die hier in het zuiden van Luxemburg worden genoemd – het ‘land van de rode aarde’, met dank aan het ijzererts in de bodem.

Het pad waarop ik terechtkom, leidt op een gegeven moment een meter of tien door Frankrijk. Tekenend voor het kleine Luxemburg: een grens is nooit ver weg. Het land is op z’n breedst 57 kilometer. Die avond eet ik in Clemency in restaurant Op der Gare, dat huist in een voormalig stationsgebouw. De naam van het restaurant zegt al genoeg: Nederlandse, Duitse en Franse invloeden gevat in drie woorden. Negen letters die de mengelmoes van taal en identiteit van het land mooi samenvatten. Meteen vraag ik me af hoe het kan dat ik eigenlijk geen goed beeld heb van Luxemburg en zijn inwoners. Komt dat alleen doordat het zo klein is? Of is de identiteit van een land met zo veel invloeden van buitenaf gewoon lastig te plaatsen?

Château de Clemency huist in een klein kasteel.

Foto door CHÂTEAU DE CLEMENCY

In de roos

Ik slaap in Château de Clemency, een klein kasteel uit 1635 dat zo’n vijftien jaar geleden is verbouwd tot gastenverblijf. Conciërge Manu leidt me in zijn bouwvakkerstenue uitgebreid langs de vier themakamers. Die thema’s gaan verder dan een gimmick. Veel verder. Alles in de Sherlock Holmeskamer, het vertrek waar ik verblijf, doet laatnegentiende-eeuws aan. Ik heb gezelschap van opgezette dieren: een uil, een wilde kat, verschillende vogels, een krokodillenhuid, en een enorme loep.

De kerkklokken wekken me rond zeven uur de volgende ochtend. Ik heb een fiets gehuurd voor mijn tocht naar Schouweiler, de roos van mijn dartworp. Verhuurder Gregory probeert me te overtuigen een dag later met hem mee te gaan op een volgens hem spectaculaire fietstocht langs oude mijnen. Ik vertel hem erover na te denken.

Het fietspadennetwerk in Luxemburg steekt net wat anders in elkaar dan in Nederland, ondervind ik vlak buiten Clemency. Wanneer je in Nederland van A naar B fietst, volgt de route vaak grofweg de hoofdweg voor auto’s. In Luxemburg hebben fietsers echter een heel eigen trajct. Groot voordeel daarvan is dat je op de mooie paden, die dwars door bossen, valleien en langs akkers leiden, meestal niet op auto’s hoeft te letten. Nadeel is dat het extra oppassen is op de kleine stukjes waar je wel over de hoofdweg rijdt. Niet iedere automobilist houdt er rekening mee dat er weleens fietsers op hun weggedeelte kunnen rijden, merk ik.

Schouweiler is half zo groot als Clemency. Ik wandel een paar rondjes door het dorp en warm op met een kop koffie in frietkot Schuller Grill, het enige etablissement dat in de ochtend al open is. Na nog twee rondes door het dorp, twijfel ik waar ik zal lunchen: bij de snackbar, of in sterrenrestaurant Guillou Campagne. Een paar maanden eerder, toen ik in het hart van Wallonië was, verkoos ik een frietkot boven een sterrenrestaurant. Ditmaal doe ik het omgekeerde. Maar helaas, zo meldt sommelier Gregory (de tweede Gregory van vandaag): er is in het restaurant een besloten feest. En dus zit ik even later wederom bij Schuller Grill, waar eigenaresse Paola me aanraadt een broodje hamburger te bestellen. Haar echtgenoot gebruikt alleen zijn achternaam: Da Silva. Of ze uit Portufotografie gal komen, vraag ik. Aan de overkant zag ik ook een Portugees restaurant. ‘Ja,’ zegt Da Silva. ‘Uit Coimbra, maar we wonen hier al 28 jaar. Er zijn hier heel veel Portugezen. Zonder ons zouden die Luxemburgers niks te eten hebben.’ De eerste Portugezen kwamen in de jaren zestig naar Luxemburg om er in de ijzerertsmijnen te werken. Ze kregen vaste voet aan de grond, wat tot een stabiele stroom van nieuwe migranten leidde. Maar liefst een op de zes Luxemburgers heeft wortels in Portugal. Er bestaat zelfs een woord voor Portugese Luxemburgers, lees ik even later in de bus: Lusoburguês. Het openbaar vervoer is sinds 1 maart 2020 gratis. Waarom niet, dacht ik, toen ik zag dat een busritje naar de hoofdstad maar een halfuur zou duren.

Luxemburg met de rivier de Alzette.

Foto door FT_CPCREATIVES

Rijk

De stad Luxemburg heeft slechts iets meer inwoners dan Zoetermeer. Wanneer je over de oude stadsmuur wandelt, wordt de rijke historie van deze plek snel duidelijk. Eerst bezoek ik het Musée National d’Histoire et d’Art, over de geschiedenis van het land vanaf de prehistorie. Dan het Letzebuerg City Museum, over de historie van de stad. Het begint me steeds meer te dagen hoe Luxemburg alle verschillende invloeden altijd heeft omarmd. Niet vreemd dat het aan de wieg heeft gestaan van de Europese Unie. Luxemburg is de verpersoonlijking van de Europese gedachte. En dat heeft het land geen windeieren gelegd; het is nu een van de rijkste naties ter wereld. Vlak voordat ik in de bus terug stap, spreekt een zwerver me aan. Althans: hij laat een pizzadoos zien met daarop de tekst: J’ai pas de travail et j’ai 62 ans – ‘Ik heb geen werk en ik ben 62 jaar oud’. Ze bestaan wel degelijk, arme Luxemburgers, concludeer ik voorbarig. De man blijkt uit Frankrijk te komen. ‘Hier verdien ik op een dag meer dan in Frankrijk,’ is zijn goudeerlijke bekentenis.

Na nog een nacht in het kasteel vertrek ik uit Clemency. In de ontbijtruimte word ik aangesproken door een Nederlandse: Mayke van Straalen. Ze heeft sinds kort haar intrek genomen op de bovenverdieping van het kasteel, vertelt ze. Of ik trek heb in koffie. Haar verhaal doet me denken aan Ik Vertrek. ‘Ik werkte in de uitvaartbranche en maakte in september een roadtrip naar Italië. Op de terugweg wilde ik een tussenstop maken in Luxemburg. Al voordat ik hierheen reed, voelde ik dat er iets bijzonders zou gebeuren.’ Intussen is ook Pascal Zimmer aangeschoven, eigenaar van het kasteel. ‘Pascal vroeg of ik het verblijf hier wilde gaan runnen. Waarom niet, dacht ik toen. Het is hier heerlijk rustig en het voelde goed. Ik zei mijn baan in Nederland op en nu zit ik hier. Geen seconde spijt van.’

We praten verder. Over de identiteit van Luxemburg en over hoe het land uit zijn schulp aan het kruipen is. Als er één plek is waar dat voelbaar is, is het Esch-sur-Alzette, de op een na grootste stad van het land. Ter indicatie: met zo’n 36.000 inwoners is de stad ongeveer even groot als Goes. Hier werd de basis gelegd voor de huidige rijkdom van het land. De ijzermijnen en verwerking van ijzer zorgden voor het startkapitaal waarmee Luxemburg later een bankennatie werd. Na het goeddeels wegtrekken van de ijzerindustrie, moest Esch-sur-Alzette zichzelf opnieuw uitvinden. In de wijk Belval is duidelijk te zien dat ze daarbij niet over één nacht ijs zijn gegaan: er staat inmiddels een universiteit in een spectaculair gebied dat is ontwikkeld door de vermaarde Nederlandse architect Jo Coenen. Blikvangers zijn een paar oude hoogovens van ongeveer negentig meter hoog die nog fier overeind staan als industriële erfenis.

traatkunst in Esch-sur-Alzette.

Foto door THIÉBAUD FAIX

In het stadscentrum zie ik wederom overal Portugese invloeden: een churrasqueira (een Portugees steakhouse), een welkomstbord in vier talen bij de apotheek (Luxemburgs Frans, Duits én Portugees) en pastéis de nata bij bakkerijen en zelfs het tankstation. Over de Rue du Commerce, de grootste winkelstraat van de stad, rijdt een autonoom busje, een vervoermiddel zonder chauffeur dus. Ik wil instappen, maar technicus Joan vertelt me dat de volgende rit pas over drie kwartier vertrekt. ‘Lopen is sneller,’ bekent hij.

De oude weelde is duidelijk te zien aan de vele artnouveau- en artdecoachtige gevels. Er wonen in dit stadje mensen uit honderdtwintig verschillende landen, lees ik in een folder tijdens de lunch bij pizzeria Da Dino. Ik maak me op voor de fietstocht die Gregory me daags ervoor had voorgesteld. Hij krijgt gelijk: de tocht van zo’n twintig kilometer leidt langs een prachtig landschap met rode aarde. Langs verlaten mijnen, door bossen, over paden waar mountainbikers hun lol op kunnen. Bij sommige roodgekleurde kliffen lijkt het wel alsof ik in Australië ben. Weer iets wat ik van tevoren niet had verwacht.

Die avond zet ik koers naar de Kulturfabrik: opnieuw zo’n heruitgevonden plek. In deze voormalige slachterij huist tegenwoordig een concertzaal, een brasserie, een bioscoop en talloze galerieën. Bij bar Ratelach (vrij vertaald: ‘rattenhol’) drink ik een biertje. Ik raak aan de praat met Nico, een stamgast in een rode wollen trui. Hij bestelt vlak na me een biertje en heeft wel trek in een portie kroegpraat. Zíjn wieg stond wel in Luxemburg. ‘Ik heb hier als jongetje de koeien nog het slachthuis binnen zien lopen,’ vertelt de praatgrage kroegtijger. Ik probeer aan de hand van zijn anekdotes weer wat meer te ontrafelen over de Luxemburgse identiteit. ‘Als je hier woont, ken je al snel iedereen. Dat kan ook niet anders met maar zeshonderdduizend inwoners. Ik heb bijvoorbeeld bij een paar ministers in de klas gezeten.’ Er is altijd een kort lijntje naar alle andere Luxemburgers, beweert Nico. ‘Ken je zelf iemand niet, dan kent je broer, je tante, vader of moeder diegene wel.’

De hoogovens van Belval. Eén toren is toegankelijk voor publiek.

Foto door LFT OLIVER RAATZ

Ik laat het allemaal bezinken. Een paar biertjes later stap ik in bed in The Seven Hotel, gelegen op een heuvel vlak buiten de stad. Een uil roept me die nacht een paar keer wakker. Dit keer is het een levende uil die me in de nacht vergezelt. Luxemburg verrast me vaker dan ik op voorhand kon vermoeden.

Tips voor Luxemburg

Fietsen in Luxemburg - Luxemburg is een prachtig land om te fietsen of mountainbiken. Via moyocci.com kun je (e-)bikes huren en verschillende begeleidde fiets- of mountainbiketochten boeken.

Culturele hoofdstad van 2022 - Samen met Kaunas (Litouwen) en Novi Sad (Servië) is Eschsur-Alzette dit jaar de culturele hoofdstad van Europa. esch2022.lu

Luxembourg Card - Handig om te hebben: de Luxembourg Card. De kaart kost 13 euro per dag (20 euro voor twee dagen, 28 euro voor drie) en geeft je onder andere toegang tot bijna alle musea in het land.

Slapen - Château de Clemency, Clemency en  The Seven Hotel, Esch-sur-Alzette.

Lees ook: 

 

Dartworp: Door het hart van Wallonië

Dartworp: Fietsend langs de Nederlands-Duitse grens

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Reizen
Een heel land voor jezelf
Reizen
Topbestemmingen voor 2021: duurzaamheid
Reizen
Topbestemmingen voor 2021: avontuur
Reizen
Zoektocht: mythen in de Dolomieten
Reizen
Berghutten: 5x hoog en adembenemend

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.