Dieren

Ontdekt: prehistorische dolfijnensoort die zijn prooi opslurpte

De dwergdolfijn zocht zijn prooien vaak op de bodem van een ondiepe zee en maakte handig gebruik van zijn korte snuit. donderdag, 9 november 2017

Door Heather Brady

Het fossiel van een schedel die in South Carolina is gevonden, blijkt van een oeroude dolfijnensoort te zijn die zijn voedsel niet kauwde maar opslurpte.

De gefossiliseerde vissoort had een korte snuit en geen tanden, aldus een artikel dat in de Proceedings of the Royal Society B is verschenen. In het fossiel zijn gaatjes in de botten van de dolfijn te zien, die op vergrote lippen of snorharen kunnen wijzen. In plaats van zijn prooi met zijn tanden te vangen en te doden en daarna in zijn geheel in te slikken – zoals de meeste moderne dolfijnen dat bij voorkeur doen – zoog dit oeroude dier zijn prooi op van de zeebodem, volgens een methode die zuigvoeding (suction feeding) wordt genoemd.

Wetenschappers denken dat de dolfijn (met de naam Inermorostrum xenops) mogelijk de eerste tandeloze nazaat van de Odontoceti is, de onderorde van de tandwalvissen, waaruit uiteindelijk talloze verschillende voedingstechnieken binnen deze groep zijn voortgekomen.

Deze evolutionaire vertakking vond plaats in het Oligoceen, een tijdperk binnen het Paleogeen en een van de belangrijkste perioden in de evolutie van de walvissen. Het fossiel is rond de dertig miljoen jaar oud en dateert uit een tijd waarin snuitvormen en de aanwezigheid van tanden binnen de onderorde van de tandwalvissen steeds diverser werden.

De snuitvorm bleef zich binnen deze orde verder ontwikkelen, totdat het optimale ontwerp ontstond dat nu bij moderne tuimelaars is te vinden.

De schedel werd aangetroffen in de rivier de Wando, die nu langs Charleston naar de Atlantische Oceaan stroomt, aldus een artikel in het tijdschrift TheAtlantic. Duikers die op zoek waren naar tanden van de monsterhaai megalodon, zagen het fossiel los op de bodem van de rivier liggen. Men denkt dat deze dolfijn ongeveer net zo groot was als de moderne bruinvis, die zo’n anderhalve meter lang wordt en ruim vijftig kilo kan wegen.

Robert Boessenecker, de paleontoloog aan het College of Charleston die het artikel over de nieuwe soort schreef, zegt dat veel soortgelijke fossielen in de ‘Oligocene Ashley Formation’ in South Carolina worden gevonden.

“Dit soort spul komt hier overal uit greppels en bouwplaatsen tevoorschijn,” zegt hij. “Het is een verbazingwekkend rijke fossielenlaag.”

Volgens hem zijn er in de wereld maar weinig bassins waar in de bewuste periode actief sedimenten zijn afgezet, waardoor er in de hele wereld niet meer dan drie andere belangrijke plekken bestaan waar goede fossielen van dolfijnen met echolocatie en baleinwalvissen zijn te vinden: het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland, Japan en het Pacifische Noordwesten in de VS en Canada.

Het fossiel is het vroegste voorbeeld van een specialist in zuigvoeding, oftewel een soort die niet anders kon dan zich door middel van deze techniek te voeden omdat hij geen tanden had. Boessenecker zegt dat sommige zoogdieren, zoals tuimelaars, kunnen kiezen voor zuigvoeding als ze dat willen, hoewel de techniek met een langere snuit lastiger is. Maar de nieuwe soort was geheel en al afhankelijk van zuigvoeding, waardoor de dolfijn over een beperkt voedselaanbod beschikte.

“Het dier was geheel en exclusief aangepast aan deze manier van voeding,” zegt hij.

Hoewel de nieuwe soort het eerste voorbeeld is van deze evolutionaire anomalie, heeft de kortere snuit zich sindsdien op verschillende momenten ontwikkeld. De snuit van de nieuwe soort was ongeveer tweemaal zo kort als die van de moderne tuimelaar en leek meer op de snuiten van huidige dwergpotvissen en bruinvissen.

Omdat de prehistorische dolfijn erg klein was, leefde hij waarschijnlijk in ondiepe wateren omdat hij niet beschikte over de capaciteit om diep te duiken, zoals grotere zeedieren.

“We vermoeden dat dit dier vanwege zijn lichaamsomvang erg dicht onder de kust bleef hangen,” zegt hij.

De snuit was naar onderen gericht, dus denkt Boessenecker dat hij een flink deel van zijn tijd besteedde aan het omwoelen en opschrikken van prooien op en in de zeebodem.

Lees meer