In de afgelopen miljoenen jaren zwierven duizenden diersoorten over de aarde. Sommige soorten verdwenen na een bepaalde periode weer, terwijl andere zich aan hun veranderende wereld aanpasten en overleefden. Dankzij deze evolutie lijken vogels tegenwoordig vrijwel niet meer op hun gigantische voorouders: de dinosaurussen. Toch zijn er soorten die zó perfect ontworpen zijn dat ze zichzelf nauwelijks hoefden aan te passen.
Onderstaande dieren zijn zogeheten levende fossielen. Ze zijn vrijwel identiek aan hun honderden miljoenen jaren oude voorouders. Qua uiterlijk dan, want hun DNA is wel degelijk anders. Ze hebben in veel gevallen dan ook geen levende nauwe verwanten meer.
1. Nautilussen
Nautilussen zijn bijna mythische weekdieren. Ze hebben een schelp die uit meerdere kamers bestaat en maar liefst negentig tentakels. Ze leven op de zeebodem, op enkele honderden meters diepte. ‘Ze overleven vrijwel zonder zuurstof,’ vertelt paleontoloog Peter Ward van de University of Washington (VS). ‘Hun schelp is ontzettend sterk; het is heel moeilijk om hem te breken. Het zijn net gepantserde reuzen.’
Leestip: Nieuwe studie verklaart hoe deze klonende vis de evolutie al duizenden jaren tart
De geschiedenis van nautilussen gaat zeker een half miljard jaar terug. Ondanks hun lange stamboom staat Nautilus pompilius sinds 2018 op de lijst van bedreigde diersoorten. Nautilussen hebben miljoenen jaren kunnen overleven, maar de invloed van de mens lijkt dit prehistorische dier geen goed te doen: hun schelp is een geliefd verzamelobject en sieraad.
2. Degenkrab
Hoewel hun naam anders doet vermoeden, zijn degenkrabben geen krabben. Ze vertonen meer overeenkomsten met spinnen en schorpioenen. Deze geleedpotigen bewegen zich al sinds het Paleozoïcum (540-248 miljoen jaar geleden) over de zanderige oceaanbodem voort, waar ze de wereldzeeën deelden met trilobieten (een klasse van geleedpotigen) en Orthoceras (weekdieren).
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
Terwijl het ene na het andere zeedier uitstierf, bleven de degenkrabben overeind. Dat danken ze aan hun grote aanpassingsvermogen: ze kunnen in zowel zoet als zout water overleven en hebben weinig zuurstof nodig.
3. Brughagedis
Dit reptiel komt voor in Nieuw-Zeeland. Zijn voorouders liepen rond op het supercontinent Gondwana, dat bestond uit gebieden die tegenwoordig op het zuidelijk halfrond liggen. Het bijzondere aan dit dier? Hij heeft een derde oog op zijn voorhoofd en twee rijen boventanden.
Brughagedissen lijken weliswaar op hagedissen, maar zijn het niet. Ze behoren tot het geslacht Sphenodon. Het is de enige nog levende soort binnen dit geslacht. Een knappe prestatie, want zijn bloedlijn gaat zeker 230 miljoen jaar terug.
In 2022 vonden wetenschappers een bijna volledig fossiel van Navajosphenodon sani, een neef van de brughagedis. Onderzoek naar N. sani wees uit dat de moderne brughagedis in de afgelopen 190 miljoen jaar amper is veranderd.
4. Coelacanten
Coelacanten zorgden in de twintigste eeuw voor een grote verrassing. Deze robuuste vissenfamilie heeft acht ledemaatvormige vinnen en een drielobbige staartvin. Gevonden coelacantfossielen dateren uit het Vroeg-Devoon en het Laat-Krijt. Daarna verdwenen de vissen van het strijdtoneel.
Leestip: Hoe broedden dinosaurussen hun eieren uit? Nieuw onderzoek biedt verrassend antwoord
Althans, dat dachten we. Op 23 december 1938 werd in Zuid-Afrika een coelacant gevangen. Al die tijd verkeerde men in de veronderstelling dat het dier was uitgestorven. Sindsdien is het vaker waargenomen en onderzocht. Wat blijkt? Er bestaan nog twee levende soorten binnen de familie. Hun genetische samenstelling is flink veranderd ten opzichte van hun fossiele voorouders. Toch is hun uiterlijk vrijwel hetzelfde gebleven.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!













