Het onbekende verhaal over ’s werelds meest intense tankslag

Dertig jaar geleden stonden duizenden tanks tegenover elkaar op een slagveld in het midden van de woestijn. Tegenwoordig liggen veteranen uit de Golfoorlog nog altijd wakker van ‘Fright Night’.

Gepubliceerd 1 mrt. 2021 11:19 CET, Geüpdatet 9 mrt. 2021 09:39 CET
Amerikaanse soldaten onderzoeken een Iraakse tank die in februari 1991 is vernietigd nadat 35 landen de ...

Amerikaanse soldaten onderzoeken een Iraakse tank die in februari 1991 is vernietigd nadat 35 landen de handen ineen hebben geslagen om Koeweit te bevrijden van de militaire bezetting door de Iraakse dictator Saddam Hoessein.

Foto van Photograph Eric Bouvet, Gamma-Rapho/Getty Images

De meest intense tankslag in de geschiedenis van de oorlogvoering vond niet plaats in de strijd tegen de nazi’s in Europa of Noord-Afrika, maar amper dertig jaar geleden in de woestijn van Irak.

Operatie ‘Desert Sabre’ (‘Woestijnsabel’), het vierdaagse grondoffensief gedurende de zes weken durende militaire campagne Desert Storm, omvatte ook een felle tankslag, die zelfs nog heviger was dan de zware Slag bij Koersk in de Tweede Wereldoorlog, waar zesduizend Duitse en Sovjet-tanks elkaar gedurende zes meedogenloze weken bestookten.

“Koersk was groter als je kijkt naar de hele campagne,” zegt kolonel buiten dienst en historicus Gregory Fontenot, die het bevel had over een tankbataljon gedurende de waarschijnlijk meest intense uren van Desert Storm – de nachtelijke aanval waarbij iedereen op alles schoot en die door veteranen later ‘Fright Night’ werd genoemd.

“Maar vóór of sinds Desert Storm is er geen enkele slag geweest waarin meer dan drieduizend tanks en nog eens duizenden andere pantservoertuigen elkaar in de loop van minder dan 36 uur hebben bestookt.” 

Abrams M1A1-tanks en andere gevechtsvoertuigen denderen door de woestijn in het noorden van Koeweit. Het succes van de campagne berustte mede op de vindingrijkheid waarmee troepen van de Coalitie zich een weg wisten te banen door de uitgestrekte mijnenvelden van Saddam Hoessein.

Foto van Corbis/Getty Images

In drie epische confrontaties, die de codenamen ‘73 Easting’, ‘Medina Ridge’ en ‘Fright Night’ (officieel de ‘Slag van Norfolk’) hebben gekregen, bestookten de zwaarste tanks en pantservoertuigen van beide kampen elkaar en veranderden de onafzienbare woestijn in een slagveld waar méér tanks per vierkante kilometer waren geconcentreerd dan in welke andere slag in de geschiedenis van de oorlogvoering dan ook. 

Voor de miljoenen Amerikanen die eind februari 1991 aan de buis gekluisterd zaten, was het nieuws uit Koeweit triomfantelijk. Geallieerde troepen verpletterden de strijdkrachten van de Iraakse dictator Saddam Hoessein, bestormden de ene na de andere Iraakse positie en verdreven de Irakezen uit Koeweit, het rijke oliestaatje dat in augustus 1990 door het leger van Saddam was overvallen.

In nieuwsreportages was te zien hoe zwermen Geallieerde tanks als een stampende bizons door de woestijn raceten en de ene na de andere Iraakse tank van Sovjet-makelij veranderden in rokend en brandend puin. Horden Iraakse soldaten gaven zich zonder te vechten over. Grimmige beelden van verbrande Iraakse lijken met verwrongen vingers leken duidelijk te maken hoe onverstandig het was geweest om de ‘good guys’ van de wereld uit te dagen.

Toen alles voorbij was, nog geen honderd uur na het begin van het offensief, vernam de tv-kijker hoeveel manschappen er waren gesneuveld: 292 man aan de zijde van de Coalitie, waarschijnlijk tienduizenden aan de zijde van Saddam. We bekeken het allemaal vanaf onze comfortabele sofa en zeiden tegen elkaar: “Nou, dat ging vlot.”

Maar de werkelijkheid was heel anders.

Vanaf het moment dat Irak zijn veel kleinere buurland binnenviel, op 1 augustus 1990, werd de aanval door een hele reeks regeringen in de wereld veroordeeld. In de maanden erna werd onder leiding van de Verenigde Staten een reusachtige troepenmacht samengesteld in het naburige Saoedi-Arabië, met eenheden uit 35 verschillende landen. Die militaire aanwezigheid was vooral bedoeld om Irak ervan te weerhouden ook Saoedi-Arabië binnen te vallen, maar het was geen geheim dat als Irak nog langer in Koeweit zou blijven, de Coalitie de aanval zou openen en de Iraakse troepen terug naar hun eigen land zouden drijven.

“Ten eerste: zeg nooit dat het een campagne was die maar honderd uur heeft geduurd. Daarmee doe je geen recht aan de Air Force en andere legeronderdelen, die al in januari waren begonnen met aanvallen op de Irakezen,” zegt Fontenot, zittend in de werkkamer van zijn huis in Lansing, Kansas. Achter hem hangt een schilderij waarop twee Amerikaanse tanks op de beschouwer afrijden, “zoals de Irakezen ze hebben zien aankomen.”

Op 17 januari 1991 begon de Coalitie met luchtaanvallen op Iraakse doelen, waaronder raketbases en andere militaire installaties. Intussen werden in Saoedi-Arabië grondtroepen getraind in de oorlogvoering in de woestijn en vonden er verspreide schermutselingen langs de Saoedisch-Iraakse grens plaats.

Halverwege februari leken troepen van de Coalitie zich te richten op de gelijknamige hoofdstad van Koeweit, tevens de belangrijkste havenstad van het land. Toen steeds meer oorlogsschepen zich voor de kust van Koeweit begonnen te verzamelen, raakten de Irakezen ervan overtuigd dat er een aanval vanaf zee zou worden gelanceerd.

Maar terwijl de Irakezen zich bezighielden met de verdediging van Koeweits toegangspoort, viel de Coalitie via de achterdeur aan: op 24 februari verzamelde zich een van de grootste tanklegers in de geschiedenis en begonnen ruim drieduizend tanks en nog eens duizenden begeleidende pantservoertuigen en infanterie door de woestijn richting de langgerekte en slecht verdedigde Iraaks-Saoedische grens ten westen van Koeweit op te rukken. Het was opperbevelhebber generaal Norman Schwarzkopf die deze tactiek van de ‘linkse hoek’ had bepaald: de tanks van de Coalitie zouden met grote snelheid noordwaarts oprukken en Irak binnenvallen, waarna ze een abrupte draai naar het oosten zouden maken, richting de stad Koeweit zouden oprukken en onderweg elk vijandelijk verzet zouden uitschakelen.

Eens een 'tanker', altijd een 'tanker'

Paul Sousa kijkt naar een enorme M1A1 Abrams-tank met de genegenheid waarmee een man van middelbare leeftijd een foto van zijn allereerste auto zou bekijken. Het gevaarte is een kleine tien meter lang en weegt bijna 68 ton, maar voor hem is het gewoon een heerlijk wagentje.

“Dit is mijn beest,” glimlacht hij. “Ik heb achttien jaar op een van deze dingen gezeten. Tijdens Desert Storm heb ik er honderd uur achtereen op gewerkt – ik kwam er alleen uit om m’n behoeften te doen, te helpen met het bijtanken of het machinegeweer te bemannen als andere jongens aan het bijtanken waren.”

Zo’n 1900 van deze monsters werden tijdens Desert Storm tegen de Irakezen ingezet. De vijand had de beschikking over duizenden goede tanks van Sovjet-makelij, maar niets dat zich kon meten met de vuurkracht die Sousa, boordschutter bij de Amerikaanse 1e Cavaleriedivisie, in zijn instrumentarium had.

Gemoderniseerde versies van de M1A1 zijn nog altijd overal ter wereld gestationeerd, maar dit specifieke model staat in een uithoek van het ruim zesduizend vierkante meter grote American Heritage Museum in Stow, Massachusetts, en is de enige tank van dit type ter wereld dat op een expositie is te zien.

Een M109A6 Paladin-tank vuurt een salvo af richting Iraakse posities. Het enorme kanon van de tank vuurt pijlvormige granaten af (sommige geladen met verarmd uranium) die met een snelheid van ruim anderhalve kilometer per seconde met gemak de bepantsering van een vijandelijke tank kunnen doorboren.

Foto van Steve McCurry, Magnum Photos

Terugtrekkende Iraakse troepen steken het olieveld van Boergan in brand. Al snel breidde zich een olieachtige en giftige wolk van bijna vijftig kilometer doorsnede boven de Perzische Golf uit. “We konden alleen een sprankje licht aan de horizon zien,” zegt boordschutter Paul Beaulieu. “Boven ons hing die rookwolk van de olievelden, en onder ons was de grond doorweekt met olie.”

Foto van Bruno Barbey, Magnum Photos

De M1A1 werd bediend door vier manschappen: de commandant, de chauffeur, de boordschutter en de lader. Deze jongens noemden zichzelf ‘tankers’. “Eens een ‘tanker’, altijd een ‘tanker,’” zeggen ze graag. De commandant zit bovenin en houdt de omgeving in de gaten. De chauffeur zit voorin, waarbij zijn hoofd net onder de geschutskoepel uit een luikje steekt. Maar wie in de stoel van de schutter zit, krijgt pas echt het gevoel dat deze machine voor hem of haar is gebouwd. Hier is er geen centimeter speelruimte, alleen maar een hele reeks instrumenten en munitie.

“Voor mij bestond de hele oorlog eruit dat ik in het pikkedonker door een periscoop tuurde,” zegt Sousa. “In een hele krappe ruimte.”

In de vroege ochtend van 24 februari hadden troepen van de Coalitie zich in het diepste geheim opgesteld langs een 480 kilometer lang segment van de Saoedisch-Iraakse grens. Iraakse officieren hadden zo hun bedenkingen, maar sloegen geen alarm.

“Ik zal je eens wat vertellen: mijn moeder had het wel door,” zegt Randy Richert, die in de 1e Infanteriedivisie diende. Hij werd opgeleid als tanker, maar zou uiteindelijk als chauffeur in een onbewapende Humvee een kolonel rondrijden tussen de tankformaties, als een dolfijn tussen een school potvissen.

“Mijn moeder hoorde steeds weer nieuws over allerlei divisies die zich in het oosten voor Koeweit-Stad samentrokken, maar niets over ons. Dus zei ze tegen haar vrienden: ‘Ik denk dat Randy daar ergens in de woestijn zit.’”

Voorafgaand aan Desert Storm hadden de meeste tankers van de Amerikaanse landmacht het grootste deel van hun loopbaan op M1A1’s in Europa gediend, waar ze werden getraind op de mogelijkheid van een Sovjet-invasie voorbij het IJzeren Gordijn.

“Dat was de Koude Oorlog,” herinnert schutter Paul Beaulieu zich. “We waren altijd paraat; altijd voorbereid op die Sovjet-invasie. Ik had nooit kunnen denken dat ik mijn training ergens in de woestijn zou toepassen, maar ik was er klaar voor.”

Terwijl hij rond de M1A1 in het American Heritage Museum loopt, merkt Beaulieu op dat de tank dankzij zijn geavanceerde vering verrassend soepel reed, zelfs in het ruigste woestijnlandschap. Hij wijst naar een oude Sheridan M551-tank uit de jaren zestig, die iets verderop staat en eveneens bij Desert Storm werd ingezet: “Vergeleken met een ritje in die tank daar was de M1A1 een Cadillac.” De ironie wil dat de Sheridan werd gebouwd door Cadillac.

'Het regende modder'

Die eerste ochtend boorden de tanks zich samen met de infanterie en andere pantservoertuigen dwars door de Iraakse linies, waarvan grote gedeelten al door eerdere luchtaanvallen waren verwoest.

Het tankleger rukte gestaag naar het noorden op, waarbij de tienduizenden manschappen van de Iraakse infanterie – vooral tieners en jongemannen die gedwongen dienst hadden genomen in het leger van Saddam – zich dapper weerden maar volledig werden overmand. Veel Irakezen gaven zich over zodra de tanks hun posities hadden bereikt. Dit waren niet de meest beproefde Iraakse strijders. Zij dienden veeleer als kanonnenvoer, opgesteld in diepe linies vóór de gevreesde Republikeinse Garde. 

Thuis in de VS zagen tv-kijkers archiefbeelden van M1A1-tanks onder een staalblauwe hemel door de woestijn rijden. Maar dat waren trainingsfilms. Het eigenlijke weer in Irak was vreselijk: gedurende het grootste deel van het offensief regende het dat het goot in de woestijn. En het was een plakkerige, olieachtige regen, want de neerslag had zich vermengd met de roetzwarte rookwolken boven de Koeweitse olievelden, die doelbewust in brand waren gestoken door de Irakezen.

De snelle en geslaagde opmars van de Coalitie verraste zelfs Schwarzkopf, die zijn troepen beval om duidelijk vóór op hun schema verder op te rukken. Dat besluit leverde de Coalitie nog meer terreinwinst op, maar het eiste wel zijn tol onder de vermoeide manschappen.

“Van slapen kwam gewoon niets,” zegt Richert. “Zodra je stopte, viel je in slaap. Misschien kon er een dutje van twintig minuten vanaf, maar daar moest je het dan de komende acht uur mee doen.”

Tijdens de eerste twee dagen van het offensief vonden er meerdere directe confrontaties tussen vijandelijke tanks plaats, maar de echte tankslag begon pas op 26 februari, toen het Amerikaanse 2e Pantsercavalerieregiment en andere eenheden op hun oostwaartse route naar Koeweit op tanks van de Republikeinse Garde stuitten. Tijdens een intense confrontatie nam ‘A-Troop’ (onder bevel van toekomstig Nationaal Veiligheidsadviseur kapitein H.R. McMaster) een positie in op de verhoogde oever van een uitgedroogde rivierbedding en sloeg daar vier uur lang de ene na de andere golf van Iraakse tankaanvallen af.

Uren later belandden de 1e Infanteriedivisie en de 3e Brigade van de 2e Pantserdivisie (de ‘Hell on Wheels’) in een nachtelijke tankslag met nog meer tanks van de Republikeinse Garde – de ‘Fright Night’ waarover Fontenot het had.

In het pikkedonker en in de regen en de rook konden de omstandigheden niet ongunstiger zijn. Tanks vuurden op elkaar zonder zeker te weten tot welk kamp ze behoorden. Iraakse soldaten beklommen de Amerikaanse tanks in eigen persoon en zochten naar spleten waardoorheen ze hun machinegeweren konden afvuren. De tankers reageerden door hun luiken hermetisch te sluiten terwijl ze door hun kameraden in naburige tanks onder machinegeweervuur werden genomen, waardoor de Iraakse soldaten van de M1A1’s af werden geschoten. (Ruim 75 jaar later ligt deze veteraan nog altijd wakker van de Slag om Iwo Jima.)

De hemel lichtte op van de vele lichtspoormunitie. Wanneer tanks langs een heuveltje of een depressie reden, sprongen Iraakse soldaten te voorschijn, richtten hun antitankgeschut op de vijand en probeerden de voertuigen van achteren uit te schakelen. Slechts door snel ingrijpen van de boordschutters in de Amerikaanse tanks kon een ramp worden voorkomen.

“Soms zag je alleen maar rijen tanks die elkaar uit alle macht bestookten,” zegt Fontenot. “Het was een 360o-veldslag.”

In de verwarring en de duisternis was het bijna onvermijdelijk dat er fatale ongelukken gebeurden. In zijn boek The First Infantry Division and the U.S. Army Transformed: Road to Victory in Desert Storm beschrijft Fontenot het ziekmakende moment waarop een M1A1 per ongeluk een pantserdoorborende granaat afvuurt op een Amerikaans Bradley-pantservoertuig, dat in een vuurwerk van metaalsplinters explodeert.

Fontenot had zijn manschappen het uitdrukkelijke bevel gegeven om alleen maar te vuren als ze er absoluut zeker van waren dat ze de vijand in het vizier hadden. Toch wordt hij nog altijd achtervolgd door de beelden van die “broedermoord” zoals hij het noemt, in die chaotische nacht. Door een combinatie van eigen en vijandelijk vuur werden zes Amerikanen gedood en raakten er 32 gewond.

“Er speelden zó veel factoren,” zegt Fontenot. “Het regende verdomme modder. Overal om ons heen dreven wolken en rook, die ons zicht in de war schopten. Iemand zei dat het zicht hem deed denken aan het kijken in een donkere kast, maar dan met een zonnebril op.”

Ook vermoeidheid speelde een rol, zegt Fontenot. “De jongens zagen dingen die ze verwachtten te zien, maar die er in de werkelijkheid niet waren. Als je gevechtsvoertuigen op je af ziet komen, reageer je daarop, en dat is misschien niet de juiste reactie.”

Na Fright Night zou er nóg een intense tankslag plaatsvinden, een veertig minuten durende confrontatieslag die de naam ‘Medina Ridge’ zou krijgen, tussen zo’n drieduizend pantservoertuigen, waaronder 348 M1A1-tanks. Het was de laatste en meest formidabele tegenstand van de Republikeinse Garde. Maar het vuurbereik van de M1A1’s was dusdanig superieur aan dat van de Irakezen dat ze vrijwel zonder tegenslag konden vuren. Aanvalshelikopters en A-10-antitankvliegtuigen kwamen helpen bij het opruimwerk.

De zege op Medina Ridge was snel en beslissend – maar voor veel Amerikanen ook een trauma. 

“Ik denk niet dat mijn vrouw hoeft te weten wat zich daar heeft afgespeeld,” verklaarde een tanker tegenover The New York Times. “Ik wil niet dat zij die kant van mij kent.” 

Elke dinsdagavond is War Night op National Geographic!

Een Amerikaanse patrouille nadert een verwoeste Iraakse tank en een verkoold lichaam. Troepen van de Coalitie bevrijdden Koeweit op 27 februari 1991. Circa 50.000 Iraakse soldaten waren gesneuveld en overal in het landschap van Koeweit waren nog de sporen van het conflict te zien: olielekken, branden en tanksporen.

Foto van Bruno Barbey, Magnum Photos

Vanaf de eerste salvo’s tot het staakt-het-vuren duurden de tankslagen van Desert Storm minder dan honderd uur. Tussen de 25.000 en 50.000 Iraakse soldaten kwamen om en 80.000 werden gevangen genomen. Van de 219 Amerikaanse soldaten die sneuvelden, kwamen er 154 in gevechten om het leven, onder wie te veel manschappen door ‘friendly fire’. 

Bij tankslagen in de woestijn en luchtaanvallen werden zo’n 3300 Iraakse tanks vernietigd. De Coalitie verloor 31 tanks.

Sombere plek

De M1A1 in het American Heritage Museum glanst als nieuw. Het is maandag (het museum is dicht) en museummedewerker Hunter Chaney vraagt me of ik even in de tank wil zitten. Dat wil ik natuurlijk graag.

Om in de tank te kunnen klimmen, wordt voor mij een ladder klaargezet, maar een jonge soldaat zou er als een berggeit in zijn geklauterd. Ik laat me in het duistere binnenste van de tank zakken, verstel de vering van de schuttersstoel en ga ervoor zitten. Met knoppen en schakelaars kan ik de blower van de geschutskoepel en de vuurgereedheid van het 120-mm-kanon aan- en uitzetten. Op een metalen plaatje van de fabrikant staat te lezen dat alleen al de geschutskoepel, pal boven mijn hoofd, ruim 23 ton weegt.

De laatste keer dat ik een van deze gevaarten in het echt zag, was in de maanden na Desert Storm, tijdens de zegetocht door de straten van Washington DC.

Maar hierbinnen voel je geen overwinningsroes. Het is een sombere plek, die des te grimmiger is omdat in de stoel naast mij later een man zou sneuvelen. Na de Golfoorlog bleef deze specifieke M1A1 in het Midden-Oosten gestationeerd, waar hij werd ingezet in de Irak-oorlog. Op 3 augustus 2006 werd de tank tijdens een patrouille buiten Falluja getroffen door een bermbom. Een metaalfragment boorde zich in de nek van de commandant, een jonge vader met de naam George Ulloa.

In een eerbetoon op video die permanent bij de tank wordt afgespeeld, is te zien hoe Ulloa’s echtgenote met tranen in de ogen vertelt over zijn liefde voor zijn drie kinderen en voor zijn land.

Oorlogen kunnen meedogenloos snel verlopen of zich juist eindeloos lijken voort te slepen. En afhankelijk van ons gezichtspunt kan zelfs een ‘honderdurige’ oorlog aanvoelen als een eeuwigheid.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.