De wereldwijde verspreiding van het coronavirus hindert reizigers. Blijf op de hoogte van de wetenschap achter de uitbraak>>

Dwaalspoor

Google Maps weet er geen raad mee: er is geen route te berekenen tussen de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang en Amsterdam. Niet over land, niet door de lucht. Toch waagt redacteur Kevin van Huët het erop.

Het Chongnyon Hotel in Pyongyang biedt uitzicht op een van de vele beeltenissen van Kim Il-sung (links) en Kim Jong-il.

Foto van Kevin van Huët
Gepubliceerd 28 jun. 2021 16:01 CEST

Dit artikel verscheen in de derde editie van National Geographic Traveler 2021.

Het is zaterdag 23 februari 2019. In het treinstation van de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang zijn tientallen hoogwaardigheidsbekleders samengekomen. Enkelen van hen hebben een rode loper uitgerold over het metersbrede perron van spoor 1 – het enige dat recht doet aan de onfeilbare status van de leider van hun land. Terwijl de rest van het gezelschap in formatie sierlijk met roze plumeaus staat te zwaaien, komt een limousine het perron opgereden. 

Kim Jong-un, sinds 2012 aan de macht in Noord-Korea, stapt uit. Hij schudt wat handen en neemt met een flauw lachje een aantal buigingen in ontvangst. Vervolgens begeeft hij zich over het rode tapijt richting de gepantserde staatstrein die voor hem gereed is gemaakt. Nadat hij is ingestapt, wuift Kim vanuit de deuropening nog een laatste keer naar zijn onderdanen. Onder luid gejuich begint de delegatie aan een reis van 4500 kilometer naar Hanoi, de hoofdstad van Vietnam. Daar zal de ‘ Briljante Kameraad’, zoals een van Kims vele titels luidt, vier dagen later een van de hoofdrolspelers zijn tijdens een diplomatieke top met de Amerikaanse president Donald Trump.

De jongste telg van de Kimdynastie was zeker niet de eerste Noord-Koreaanse leider die een dagenlange treinrit verkoos boven een vlucht van amper een paar uur. Kim Il-sung – stichter van het land in 1948, opa van Kim Jong-un, en ’s werelds enige overleden staatshoofd dat formeel nog in functie is – trok in de jaren tachtig al per spoor naar de socialistische Sovjetstaten in Oost-Europa. Diens zoon en opvolger, Kim Jong-il, volgde dat voorbeeld; vanwege zijn vliegangst reisde hij liever over land dan door de lucht.

De kruin van Kim

Op zo’n slotstuk hoef ik niet te rekenen wanneer ik een aantal maanden later op hetzelfde perron sta. De rode loper is weg en van een afscheidsceremonie is ook geen sprake. Nadat ik een week lang met een reisorganisatie door Noord-Korea ben getrokken, begint in het treinstation van Pyongyang het volgende hoofdstuk van dit avontuur. Ik ben intussen bijna een half jaar onderweg, een trip die me naar landen als Iran, Sri Lanka, Myanmar, Maleisië, Taiwan, Zuid-Korea en China heeft gebracht. Via Beijing ben ik uiteindelijk verzeild geraakt in Noord-Korea, en vanuit dat geïsoleerde land begin ik aan de lange terugreis. Niet met het vliegtuig, maar over land en een heel klein stukje zee. Een rit van ruim twaalfduizend kilometer, van Pyongyang naar Amsterdam.

Zoals vrijwel alle Noord-Koreanen dragen ook deze straatverkopers in Sariwon een speldje met de beeltenis van de Kimdynastie.

Foto van Kevin van Huët

Kinderen vieren Kinderdag in Pyongyang.

Foto van Kevin van Huët

Veel asfalt, weinig verkeer: het is een bekend beeld in Noord-Korea, zoals hier in Kaesong.

Foto van Kevin van Huët

Ondanks de afwezigheid van een afscheidscomité voel ik me bepaald niet ongezien in de Noord-Koreaanse hoofdstad. Tijdens de laatste dag van mijn verblijf verschaf ik in mijn eentje werk aan maar liefst drie gidsen, een 21-jarige Canadees en twee Noord-Koreanen. De afgelopen week behoorden ook mijn zeven reisgenoten tot hun klantenkring, onder wie een Braziliaans stel op huwelijksreis en een jonge Canadese communist met het hoofd van Jozef Stalin en Che Guevara op de borst en bovenarm getatoeëerd. Zij zijn echter een dag eerder al vertrokken naar Beijing, sommigen per vliegtuig, een enkeling per trein.

Ik bleef als enige van de groep nog een dag langer in het gesloten land. Niet onder dwang, maar vrijwillig, om getuige te kunnen zijn van een grootse productie van de Noord-Koreaanse propagandamachine: de Mass Games, een stadionspektakel met parades, dans, sport en een flinke dosis Koreaanse discipline.

Sinds de eerste editie in 2002 zijn de Mass Games Noord-Korea’s belangrijkste visitekaartje aan de buitenwereld. Al zouden het opschorten van de werkkampen en het afblazen van het kernwapenprogramma waarschijnlijk meer bijdragen tot het opvijzelen van het imago. De organisatie van de Mass Games is altijd omgeven met mysterie, wat in Noord-Korea eigenlijk voor alles geldt. Onder Kim Jong-il was het een nagenoeg jaarlijks terugkerend evenement, maar zijn zoon en opvolger Kim Jong-un sloeg aanvankelijk ook weleens een aantal edities over. Voor sommige uitvoeringen werden de Noord-Koreanen maanden van tevoren al warm gemaakt, maar evengoed kan de officiële aankondiging op zich laten wachten tot een aantal dagen voor aanvang, als dat het regime beter uitkomt.

Kinderen voeren een show op tijdens de Mass Games.

Foto van GETTY IMAGES

Zo ook dit jaar. De openingsshow blijkt uitgerekend plaats te vinden op de dag waarop ons reisgezelschap het land weer zal verlaten. Maar onze Canadese gids komt met een pleister op de wond: wie wil, kan een dag langer blijven om de grootste propagandashow ter wereld met eigen ogen te aanschouwen. Verrassend genoeg ben ik de enige die op het aanbod ingaat. En dus maken de gids en ik, terwijl mijn reisgenoten zich vergapen aan een boekwinkel met Koreaanse literatuur, een kort uitstapje om ons visum te verlengen. In het land waar je bewegingsruimte wordt beperkt tot een minimum, blijk je dat gewoon op straat te kunnen doen.

Dat de jongste Kim nog altijd stevig in het zadel zit, ontdek ik in een volgepakt Rŭngradostadion – met een geschatte capaciteit van 114.000 bezoekers naar verluidt het grootste stadion ter wereld. Nadat het publiek een uur lang is opgewarmd door tienduizenden kinderen, die in formatie en met beschilderde vellen karton boven hun hoofd fungeren als levend televisiescherm, dient het hoogtepunt van de avond zich aan. Totaal onaangekondigd maakt Kim Jong-un zijn opwachting. Onder oorverdovend gejoel wandelt hij naar de roodfluwelen stoel die speciaal voor hem is neergezet. De fauteuil is tijdens de gehele opwarmsessie door twee onderdanen zorgvuldig van stof ontdaan. Een uitzinnige menigte van tienduizenden Koreanen en een paar toeristen weet niet wat ze meemaakt – een ontmoeting met de Briljante Kameraad is ook voor een Noord-Koreaan geen dagelijkse kost.

Een krankzinnig schouwspel volgt: Koreanen barsten in huilen uit bij elke keer dat hun leider met de ogen knippert en klimmen op elkaars schouders om een glimp van hem op te vangen. Voor de artiesten die als levende kanonskogel worden afgevuurd en aan de andere kant van het stadion weer worden opgevangen, hebben ze minder aandacht, net zomin als voor een groot musicalensemble dat de tragiek van een onbegrepen land uitbeeldt. Een avond lang staar ik afwisselend naar het bizarre spektakel en de kruin van Kim, die aan een bureau ongeveer dertig meter bij mij vandaan driftig aantekeningen maakt.

De Mongolische dieseltrein staat klaar voor vertrek naar hoofdstad Ulaanbaatar.

Foto van Kevin van Huët

Een Mongolisch jongetje fotografeert het Baikalmeer vanuit de rijdende trein.

Foto van Kevin van Huët

Wanneer ik ruim een etmaal later de eerste van vele treinritten heb uitgezeten en veilig aankom in Beijing – mijn gids leert me dat een beetje ‘vakantiegeld’ voor de Noord-Koreaanse douane de tassencontrole aanzienlijk versnelt –, laat Kim Jongun optekenen dat hij bepaald niet onder de indruk was van het spektakel. De artiesten brachten ‘de verkeerde energie’, en hij schort de vervolgshows voor onbepaalde tijd op.

Woestijndino's in Erenhot  

Net als Kims tocht naar Hanoi, bestaat mijn rit van Pyongyang naar Amsterdam uit verschillende etappen. Dat worden er nog meer dan gepland als blijkt dat de wekelijks rijdende trein van Beijing naar Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië, net is vertrokken. Het alternatief heeft vier wielen: de nachtbus naar de Chinees-Mongolische grens.

Na veertien uur in een quasicomfortabele plastic sarcofaag te hebben gelegen, bereik ik de Chinese grensplaats Erenhot, bijgenaamd Dinosaur City. In het kale woestijnlandschap net buiten dit stadje zijn resten gevonden van talloze dinosauriërsoorten. Enorme dinobeelden herinneren hier nog aan minder ingeslapen tijden. Twee 34 meter lange brontosaurussen vormen het huzarenstukje, maar na twee opeenvolgende nachten in trein en bus, én na het zien van de Mass Games, lijk ik even nergens meer van onder de indruk te kunnen zijn.

De bus wordt bij aankomst in Erenhot met open armen ontvangen door de bevolking. Nog voordat de passagiers, voornamelijk reizigers op doorreis naar Mongolië, hun tas uit het laadruim kunnen halen, staan tientallen Chinezen en Mongoliërs te dringen om de passanten met jeeps en pickups een rit naar de andere kant van de grens te kunnen aanbieden. Dat is hier big business, vooral omdat de kilometers brede strook niemandsland tussen China en Mongolië niet uitnodigt om te voet af te leggen. In groepjes die groot genoeg zijn voor de bestuurders om er wat aan te verdienen, vertrekken rijen auto’s richting Mongolië.

Het ruiterstandbeeld van Dzjengis Khan, even ten oosten van Ulaanbaatar (Mongolië), is maar liefst veertig meter hoog en gemaakt van staal.

Foto van Kevin van Huët

Over de grens begin ik aan een derde opeenvolgende nacht in het openbaar vervoer, ditmaal de trein naar Ulaanbaatar. Het is zonder twijfel de comfortabelste rit tot dusver. Dat komt deels doordat ik door de vermoeidheid inmiddels overal in slaap kan vallen, maar vooral doordat mijn treingenoten me laten kennismaken met de Mongolische gastvrijheid. Op de slaapbank tegenover me zitten vijf familieleden die ervoor zorgen dat ik geen tekort heb aan hun zelfgemaakte koekjes. Ik vraag me af hoe vijf mensen ’s nachts één slaapbank zullen delen. Maar wanneer de trein langzaam in beweging komt, weten vier van hen niet hoe snel ze het gevaarte moeten verlaten. In het uitgestrekte Mongolië zwaai je je familie blijkbaar niet uit op het perron, maar gewoon in de trein. Terwijl mijn cabinegenoot en ik door het raam zien dat de achterblijvers aan een ongeplande treinrit weten te ontkomen, razen we de Gobiwoestijn in.

Instantnoedels in de platzkart

Over het interieur van de gepantserde boemel van Kim Jong-un is net zo weinig bekend als over de ‘Geweldige Leider’ – nog zo’n titel – zelf, van wie zelfs het geboortejaar raadselachtig is. Zijn trein zou onder meer zijn voorzien van een luxe kantoor met leren stoelen en een vergaderruimte waar andere staatshoofden worden ontvangen. Ook zou de menukaart niet misstaan in menig sterrenrestaurant. Terwijl zijn land afhankelijk is van ontwikkelingshulp, doet Kim zich onderweg graag te goed aan peperdure bordeauxwijn, kreeft en verschillende gerechten uit de Koreaanse, Chinese en Franse keuken.

Dat de derde klasse in een Russische trein van een heel andere orde is, ontdek ik een aantal weken later. Na een deel van het Mongolische binnenland te hebben verkend – waaronder het gigantische stalen ruiterbeeld van Dzjengis Khan; de door hem gestichte voormalige hoofdstad van het Mongoolse Rijk, Karakorum; en het Ögiimeer – reis ik verder naar Irkoetsk, een stad in Siberië. Niet ver hier vandaan komen de trajecten van de trans-Mongolische en de befaamde trans-Siberische spoorlijn samen.

De zonnigste dagen beleef ik op Olchon, een eiland in het gigantische Baikalmeer. Terwijl ik in korte broek langs de rotsige kliffen loop, kan ik me haast niet voorstellen dat een meer zo groot als België ’s winters helemaal dichtvriest. Een week lang is mijn grootste zorg het kiezen van een mooie plek om de zonsondergang te bekijken, om me vervolgens in de schemer af te vragen of er beren op het eiland lopen. Bij terugkomst in Irkoetsk verruil ik de houten eilandblokhut voor de ‘platzkart’, de derde klasse in de Russische slaaptreinen. Langzaam trek ik verder in westelijke richting, langs Russische steden als Krasnojarsk, Novosibirsk, Omsk en Jekaterinenburg.

Russische functionarissen lopen langs de Hermitage in Sint-Petersburg.

Foto van Kevin van Huët

Een nomadenkamp in het binnenland van Mongolië.

Foto van Kevin van Huët

Een Mongolische schept zelfgemaakte yoghurt op.

Foto van Kevin van Huët

In de platzkart is geen plek voor leren stoelen, wel voor 54 simpele stapelbedden. Kreeft en wijn worden er niet opgediend, de belangrijkste maaltijd bestaat vrijwel elke dag uit instantnoedels, die je met de boiler aan het begin van elke coupé kunt voorzien van kokend water.

Svetlana en Igor zijn tijdens mijn veertig uur durende rit van Irkoetsk naar Omsk verantwoordelijk voor het verschonen van het beddengoed en het knippen van de kaartjes. Ook de taak om mij erop te wijzen dat ik op tijd terug moet zijn bij de trein na het strekken van de benen, nemen ze heel serieus. Tot slot moeten ze de harmonie tijdens de rit weten te bewaken. Dat laatste lijkt geen overbodige luxe in een coupé zonder afgesloten slaapcompartimenten, maar niets blijkt minder waar. Veertig uur lang is de stemming opperbest. Met behulp van een Russisch woordenboek probeer ik contact te leggen met mijn bovenbuurman, Dmitri. Als we met veel handen- en voetenwerk elkaars eindbestemming weten te ontrafelen, wordt dat door de hele coupé gevierd met wodka, broodjes en andere zelfgemaakte baksels. Even wegdommelen kan zomaar betekenen dat je weer een tijdzone verder bent. Of dat je een nieuwe buurvrouw of -man hebt, en het kennismakingsritueel opnieuw begint.

Wanneer we de kale Siberische vlakten langzaam inruilen voor bosrijker gebied, praat ik met Lina over de houten datsja’s, de Russische buitenhuisjes die aan ons voorbijrazen. Haar ouders hebben er ook een. Niet langs het spoor, maar ergens diep weggestopt in de wouden van de overwegend islamitische deelrepubliek Tatarije. Elke keer wanneer ze na familiebezoek de trein van Kazan naar Moskou pakt, tuurt ze naar buiten en luistert ze naar ‘От Питера до Москвы’, of ‘Van Sint-Petersburg naar Moskou’, een liedje over heimwee in de trein van de Russische zanger Maksim Leonidov.

De Kul Sharifmoskee in de Tataarse hoofdstad Kazan.

Foto van Kevin van Huët

De pont in Amsterdam 

Waar Kim Il-sung vorige eeuw in het westen van Rusland afboog naar Oost-Europa, maak ik een omweg via het noorden. Als ik de Russisch-Finse grens passeer en weer in de Europese Unie ben, voelt het als thuiskomen, maar dan op een plek waar ik niet eerder ben geweest. Na al die uren in de trein zijn afstanden kleiner geworden – de boottocht van Helsinki naar Tallinn lijkt niet langer te duren dan een tochtje met de pont in Amsterdam.

Via de Baltische staten en Polen reis ik naar Berlijn en begin ik aan de laatste etappe. Onderweg denk ik aan alle mensen die ik heb ontmoet, plaatsen die ik heb bezocht en ervaringen die ik heb opgedaan. En ik concludeer dat het best mogelijk is om vanuit Noord-Korea terug naar Nederland te boemelen. Nadat de trein langzaam Amsterdam Centraal binnenrolt – de enige kilometers met wat vertraging –, word ik enthousiast binnengehaald door familie en vrienden. Niet met een rode loper of een grote parade. Zelfs niet met roze plumeaus. Maar gewoon met een stevige knuffel.

National Geographic-redacteur Kevin van Huët is een fervent reiziger. Meer over deze en andere reizen die hij maakte, vind je op kevinvanhuet.com.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.