Wetenschap

Hoe oude Chinese geneesmiddelen onze gezondheidszorg veranderen

Traditionele Chinese geneeswijzen die lang over het hoofd werden gezien door de westerse geneeskunde, worden nu wetenschappelijk op hun werking getoetst.dinsdag 18 december 2018

Door Peter Gwin
Foto's Van Fritz Hoffmann
In dit exemplaar uit 1620 van De klassieke leer der interne geneeskunde van de Gele Keizer, dat zo’n 2100 jaar geleden voor het eerst verscheen, staat onder meer een overzicht van qi-lijnen en acupunctuurpunten.
Dit verhaal verschijnt in de januari 2019 editie van National Geographic Magazine.

Een warm, kloppend hart ligt in mijn hand. Een glanzende bol rood-wit-roze weefsel ter grootte van een flinke grapefruit.

Ik voel de kamers samentrekken en hoor zachtjes het vocht ruisen dat het rondpompt. Het hart is slijmerig en stinkt eningszins.

Het orgaan leeft nog, terwijl het toch bijna acht uur geleden is dat ik zag hoe Paul Iaizzo het in een ondergronds lab uit een genarcotiseerd varken tilde, aansloot op slangetjes en met een elektrische schok weer op gang bracht, zoals dat ook bij mensen gebeurt na een hartstilstand. Maar dit varkenshart blijft zijn werk doen buiten het lichaam, bezield door een onzichtbare, onverklaarbare oerkracht. Ik vind het niet zozeer bizar als wel hypnotiserend mooi.

Een van de redenen dat het varkenshart blijft kloppen, is dat Iaizzo, hoogleraar chirurgie aan de University of Minnesota, het heeft behandeld in een badje van chemicaliën met de eigenschappen van berengal. Het is een wetenschappelijk verantwoorde toepassing van iets wat Chinese genezers al in de achtste eeuw wisten: dat berengal een heilzaam effect op het lichaam kan hebben.

Naar berengal is ook nu nog veel vraag. In Azië worden beren om hun gal gehouden, in krappe kooien, met slangen in hun buik om het spul af te tappen. Het is een inhumane praktijk, waarvan dierenbeschermingsorganisaties schande spreken. En toch, als ik met het kloppende varkenshart in mijn hand luister naar Iaizzo, die uitlegt dat de sto en die de organen van de beer tijdens zijn winterslaap beschermen ook goed kunnen zijn voor de organen van de mens, vraag ik me onwillekeurig af of berengal mijn vader met zijn zieke hart voor een vroegtijdige dood had kunnen behoeden, of dat later bij mij of mijn kinderen zal kunnen doen.

Weinig kwesties leiden in medische kringen tot zulke verhitte debatten als de traditionele Chinese geneeskunde. Een complicerende factor zijn de verrassende ontdekkingen van onderzoekers zoals Iaizzo die door een wetenschappelijke bril naar traditionele geneeswijzen kijken – ontdekkingen die grote gevolgen kunnen hebben voor de moderne geneeskunde. Culturen van de Noordpool tot de Amazone en van Siberië tot de Stille Zuidzee hebben hun eigen medicijnkast met traditionele middelen. Maar de grootste van allemaal staat in China, waar de ervaringen van geneesheren al millennia worden geboekstaafd.

De oudste Chinese verhandelingen stammen uit de derde eeuw v.Chr., toen heelmeesters zich gingen verdiepen in de werking van het lichaam en de reacties op verschillende behandelingen, zoals kruidentherapie, massage en acupunctuur.

James Harrison maakte in zijn zestien jaar durende loopbaan als American football-speler dankbaar gebruik van acupunctuur en andere Chinese geneeswijzen om pijn te bestrijden. ‘Als ik me er goed bij voel,’ zegt de onlangs gestopte sportman, ‘dan heb ik geen wetenschappelijk bewijs nodig.’

In de ruim 2200 jaar die volgden hebben steeds nieuwe generaties geleerden deze kennis vergroot en geperfectioneerd. Het resultaat is een canon van literatuur over elke denkbare aandoening, van verkoudheid en geslachtsziekten tot verlamming en epilepsie, vastgelegd in manuscripten met intrigerende titels als De klassieke leer der polsslag (derde eeuw), Doktersvoorschriften die duizend goudstukken waard zijn (zevende eeuw) en Essentiële gehei- men van buiten de metropool (achtste eeuw).

De traditionele geneeskunde bleef de belangrijkste vorm van gezondheidszorg in China tot begin twintigste eeuw, toen de laatste keizer van de Qingdynastie werd afgezet door Sun Yatsen, een arts die in het Westen had gestudeerd en die wetenschappelijk onderbouwde geneeskunde propageerde. Tegenwoordig worden artsen in China volgens de modernste inzichten opgeleid en geregistreerd. Toch is de traditionele geneeskunde nog steeds een belangrijk onderdeel van de staatsgezondheidszorg. In de meeste Chinese ziekenhuizen is er een speciale afdeling voor. Vanwege mogelijke kostenbesparingen en revolutionaire behandelingen die het prestige van China kunnen verhogen, heeft president Xi Jinping er een speerpunt van gemaakt in zijn volksgezondheidsbeleid. Hij heeft de 21ste eeuw een nieuwe gouden eeuw voor traditionele geneeskunde genoemd.

En dat zou het best eens kunnen worden, óók op wetenschappelijk gebied. Onderzoekers van vooraanstaande universiteiten in Europa en de Verenigde Staten, maar ook in Azië zelf proberen te bewijzen waarom traditionele behandelingen voor ziekten als kanker, diabetes en parkinson precies werken.

Professor Yun-Chi Cheng van Yale onderzoekt een notoginsengplant in een onderzoekscentrum in de Chinese provincie Yunnan. Cheng bestudeert kruidenmiddelen op basis van eeuwenoude Chinese recepten, waaronder een kankermedicijn dat op dit moment wordt getest.

Maar ook patiënten kiezen steeds vaker voor een combinatie van moderne en traditionele zorg. Als de westerse geneeskunde geen uitkomst biedt, zoeken ze hun heil in traditionele behandelingen, zoals acupunctuur, wat tegenwoordig vaak door zorgverzekeraars wordt vergoed, en cupping, een therapie die op de spieren werkt en waarbij veel sporters baat vinden.

Reguliere artsen doen de traditionele Chinese geneeskunde soms af als kwakzalverij. Ze geven bizarre voorbeelden als het oude gebruik om boze geesten te verjagen met knalvuurwerk of mysterieuze concepten als de ongrijpbare levenskracht qi (letterlijk ‘de damp die van de rijst opstijgt’). Anderen keren zich tegen het gebruik van dierlijke ingrediënten en waarschuwen tegen de gevaren van sommige kruidenmiddelen.

'Het gebeurt zelden dat iemand er echt onbevooroordeeld naar kijkt,’ zegt medisch historicus Paul Unschuld, expert in de geschiedenis van de Chinese geneeskunde. Unschuld heeft honderden oude geneeskundige verhandelingen verzameld en vertaald, en kijkt nu samen met een Chinees-Duitse start-up of daar bruikbare ideeën tussen zitten voor de behandeling van allerlei aandoeningen, waaronder epilepsie. ‘Mensen zien meestal alleen wat ze willen zien,’ zegt hij, ‘in plaats van alle voor- en nadelen af te wegen.’

Zelf heb ik al eerder kennisgemaakt met deze lastige materie toen ik een reportage maakte over neushoorns die worden gedood om hun hoorn. In oude Chinese recepten wordt hoorn gebruikt tegen koorts en hoofdpijn. In Vietnam sprak ik patiënten die het middel gebruikten tegen een kater en tegen de bijwerkingen van chemotherapie. Diverse studies hebben echter aangetoond dat de farmacologische werking van hoorn, dat uit keratine bestaat (net als onze nagels), bij inwendig gebruik zo goed als nihil is. Als patiënten er toch baat bij hebben, is dat dankzij het placebo-effect. Na publicatie van mijn stuk kreeg ik boze brieven van lezers die de Chinese geneeskunde ‘dom’, ‘wreed’ en geen haar beter dan ‘hekserij’ noemden.

Die lezers hebben een punt. Mede door de Aziatische handel in hoorn wordt de neushoorn met uitsterven bedreigd. En naast beren worden ook andere wilde dieren, waaronder bedreigde soorten als tijgers, luipaard en olifanten, gedood of als levende grondstofleverancier geëxploiteerd.

Maar ook de moderne geneeskunde heeft haar schaduwkanten. Zo staat de werkzaamheid van diverse veelgebruikte antidepressiva ter discussie nu uit verscheidene onderzoeken is gebleken dat ze niet veel meer uitrichten dan placebo’s. Toch worden deze middelen stevig gepromoot en op grote schaal voorgeschreven, en daaraan worden miljarden verdiend. En als je kijkt naar andere misstanden (het onnodig voorschrijven van zware pijnstillers, artsen die hun zegen geven aan modediëten, operaties van twijfelachtig nut), dan is de westerse verontwaardiging over de traditionele Chinese geneeskunde eerder hypocriet dan hippocratisch.

Neem slangenolie, vaak gebruikt als synoniem voor zwendel. Het gaat om een traditionele Chinese balsem gemaakt van het vet van platstaarten, een geslacht van zeeslangen. Het middel werd in de negentiende eeuw naar de VS gebracht door Chinese arbeiders die in de spoorwegbouw werkten en het gebruikten tegen pijnlijke spieren en gewrichten. Het kreeg er een slechte naam toen Amerikaanse marskramers plantaardige olie als Chinese slangenolie gingen verkopen.

Gojibessen, die goed zouden zijn voor slaap en sportprestaties, liggen te drogen in een kwekerij in de provincie Qinghai. Vanwege de grote vraag naar deze bessen worden ze op steeds meer plekken geteeld, zoals hier in Noordwest-China, waar de bessen groter worden. Hun werkzaamheid kan variëren door verschillen in bodem en klimaat.

Maar nu het mooie: onderzoek heeft aangetoond dat het vet van platstaarten, dat in diverse traditionele Chinese geneesmiddelen zit, meer omega 3-vetzuren bevat dan zalm. Omega 3 werkt ontstekingsremmend en cholesterolverlagend, bevordert de leerprestaties en helpt tegen depressiviteit. Ook wordt het gebruikt in huidverzorgingsproducten. Toen Japanse onderzoekers begin deze eeuw slangenolie voerden aan muizen, gingen de dieren beter zwemmen en vonden ze sneller hun weg uit een labyrint.

‘Je moet het kind niet met het badwater weggooien,’ lacht Yung-Chi Cheng, hoogleraar farmacologie aan de Yale School of Medicine. ‘Mensen staan er niet bij stil dat we een van de oudste en effectiefste middelen hebben te danken aan de traditionele geneeskunde: de werking van aspirine is wetenschappelijk bewezen.’ De oude Egyptenaren gebruikten al gedroogd mirteblad tegen pijn, en Hippocrates, de Griekse arts uit de vierde eeuw v.Chr. die geldt als de vader van de westerse geneeskunde, schreef een extract van wilgenbast voor tegen koorts. Maar pas in de negentiende eeuw ontdekten Europese geleerden dat salicylzuur het werkzame bestanddeel in die middelen was, en hoe ze dat in het laboratorium konden namaken. Nu is aspirine met een paar cent per tablet het kosteneffectiefste geneesmiddel ter wereld.

‘Het is begonnen met mensen die merkten dat wilgenbast werkte en het tegen allerlei kwalen gingen gebruiken,’ zegt Cheng. ‘In dit geval was het medicijn er eerder dan de wetenschap.’ 

Aspirine is lang niet het enige moderne geneesmiddel dat voortkomt uit de traditionele geneeskunde. In 1972, toen Cheng promoveerde als farmacoloog aan de Brown University in Rhode Island, maakte de scheikundige Tu Youyou in China de ontdekking van een middel tegen malaria bekend. Het was gebaseerd op een Chinees kruidenmiddel waarover al in de vierde eeuw werd geschreven.

Een winkel in een markthal in Guangzhou is gespecialiseerd in lichaamsdelen van herten. Onder meer penissen, pezen en geweien worden in traditionele middelen verwerkt. Mede daarom is de Chinese geneeskunde in het Westen omstreden.

In de Vietnamoorlog werd Tu ingezet bij een geheim militair project om de Vietcong bij te staan in de strijd tegen malaria, een ziekte die ongeveer de helft van de doden aan hun kant veroorzaakte. Ook westerse onderzoekers zochten naar een remedie tegen malaria, ze keken naar meer dan tweehonderdduizend stoffen. Maar Tu kwam op het idee om het antwoord te zoeken in de klassieke Chinese geneeskundige verhandelingen. Ze testte planten die tegen koorts zouden helpen en kwam zo terecht bij een geelbloemige plant: zomeralsem (Artemisia annua). Het middel artemisinine, dat dankzij haar werk beschikbaar kwam, heeft inmiddels miljoenen levens gered en leverde Tu in 2015 de Nobelprijs voor geneeskunde op.

Mijn neus explodeert bijna als Cheng me rondleidt door de doolhof van zijn lab op Yale, waar tal van kruiden worden getest op hun geneeskrachtige waarde. Te midden van het gegorgel van de scheikundige experimenten ruik ik zwarte peper, rozemarijn, kamfer, gember, chili, kaneel en veel geuren die ik niet kan thuisbrengen. Achter in mijn keel kriebelt het, ik moet bijna niezen en krijg ineens trek in Thais eten.

Op Chengs bureau staat een pop met een wiebelkop die precies op hem lijkt, een aardigheidje van zijn medewerkers. De pop heeft een pak aan in plaats van de slobbertrui die Cheng meestal draagt, maar zijn bedachtzame frons, zijn wijkende haargrens en grote oorlellen (wat volgens een oude Chinese wijsheid een lang leven voorspelt) zijn goed getroffen. Op het eerste gezicht komt Cheng over als een stereotiepe voorstander van de traditionele Chinese geneeskunde.

Een traditionele genezer voelt de pols van een patiënt in een kliniek in Chengdu. Hierna bekijkt hij haar tong en onderzoekt hij andere lichaamsdelen om een diagnose te kunnen stellen. Ten slotte schrijft hij een middel voor om het lichaam weer in balans te brengen zodat de ziekte kan genezen.

Hoewel hij al een halve eeuw in Amerika woont – hij komt uit Taiwan – spreekt hij Engels met een zwaar accent, en is hij nog van een generatie Chinezen die sterk hecht aan de oude tradities. ‘Maar ik wist vroeger niet veel van Chinese geneeskunde, hoor,’ zegt hij, en hij legt uit dat zijn ouders hem altijd meenamen naar artsen met een westerse wetenschappelijke opleiding.

Ook in zijn onderzoekswerk houdt Cheng zich aan de regels van de wetenschap, zoals bij de ontwikkeling van virusremmers voor chronische ziekten als hepatitis B. Toch denkt hij dat er misschien wel meer werkzame kruidenmiddelen bestaan zoals zomeralsem, die alleen maar hoeven te worden herontdekt. Zoiets heeft hij misschien inderdaad gevonden: een middel dat een doorbraak in de behandeling van kanker kan betekenen. Hij maakt een potje open en legt wat poeder op mijn hand, een mengsel van vier kruiden dat hij PHY906 heeft genoemd. ‘Proef maar eens,’ zegt hij. Ik leg een beetje op mijn tong. Het smaakt bitter, een beetje naar zoethout.

In de jaren negentig zag Cheng dat veel kankerpatiënten met hun chemotherapie ophielden vanwege de bijwerkingen, zoals diarree en zware misselijkheid. Omdat patiënten die de kuur wel afmaakten langer leefden, bedacht Cheng dat het tegengaan van de bijwerkingen de levensverwachting kon verhogen. En hij wist dat de Chinese geneeskunde veel kruidenmiddelen kende tegen diarree en misselijkheid.

Zijn collega Shwu-Huey Liu, een vooraanstaand farmacologe die goed onderlegd is in klassiek Mandarijn, ploegde de grote verzameling oude Chinese medische handboeken door in de bibliotheek van Yale. In een antiek exemplaar van verkreukeld bamboepapier, getiteld Verhandeling over koudeschade, vond ze een 1800 jaar oude formule voor een mengsel van glidkruid, zoethout, pioen en Chinese dadel dat werd aanbevolen tegen ‘diarree, buikpijn en een verzengende branderigheid van de anus’.

Cheng en zijn mensen experimenteerden met verschillende verhoudingen van het mengsel. De afgelopen twintig jaar deden ze eerst proeven met muizen en daarna met mensen, onder toezicht van het National Cancer Institute. Zoals Cheng al hoopte, hadden de patiënten die het kruidenmiddel gebruikten minder last van misselijkheid en buikklachten. Maar er gebeurde nóg iets: hun tumoren slonken sneller dan die van de patiënten die de kruiden niet namen.

‘Daar had ik niet op gerekend,’ zegt Cheng. ‘De volgende vraag is dan: waar ligt dat aan?’

Dat zouden Johnson & Johnson en Bristol-Myers Squibb, twee grote fabrikanten van kankermedicijnen, ook graag willen weten. Ik woon een farmaceutencongres in Philadelphia bij waar Chengs zoon Peikwen aan vertegenwoordigers van deze en andere grote farmabedrijven uitlegt wat er tot nu toe bekend is over de werking van PHY906. De 43-jarige Peikwen, die aan Stanford heeft gestudeerd en zich vervolgens heeft bekwaamd als bedrijfskundige, heeft samen met zijn vader een firma opgericht om PHY906 op de markt te brengen en nieuwe kruidenmiddelen te ontwikkelen. Met zijn strakke antracietgrijze pak en uitstekende beheersing van zowel Mandarijn, medisch jargon als de taal van Silicon Valley, is hij de perfecte bruggenbouwer tussen de oosterse en de westerse geneeskunde, en een overtuigend pleitbezorger bovendien.

Baby Ren Yanyu wordt in Chengdu behandeld met een kruidenaftreksel dat het lichaam in de warme, vochtige zomer moet ontgiften en verkoelen. De behandeling past in de Chinese filosofie om het lichaam als geheel te beschouwen en geen afzonderlijke aandoeningen te bestrijden..

Onderzoek aan tumoren bij muizen die het middel hadden gekregen, zegt Peikwen, liet een aanzienlijke toename zien in het aantal macrofagen, witte bloedcellen die kankercellen opeten. En dat lijkt te komen door de wisselwerking tussen de kruiden. ‘Daar zit ’m de kneep,’ zegt Peikwen. ‘PHY906 is een cocktail van stoffen, net als de medicijncocktails die zijn aangeslagen bij aidspatiënten. Wat wij doen, is de oorspronkelijke formule ontrafelen en die vertalen naar een moderne, wetenschappelijk onderbouwde behandeling.’

Inmiddels zijn er acht trials gedaan waarin PHY906 werd gecombineerd met verschillende soorten chemo en bestraling bij mensen met darm-, lever- en alvleesklierkanker, vertelt Peik- wen aan de congresgangers. ‘We hebben goede hoop dat PHY906 als eerste kruidencocktail zal worden goedgekeurd door de FDA.’ De Food and Drug Administration houdt toezicht op de Amerikaanse geneesmiddelenmarkt.

In een moderne hogesnelheidstrein neemt Peikwen me mee naar het hart van China. De trein rijdt zo gesmeerd dat hij boven de rails lijkt te zweven. Intussen flitst het oude China aan ons voorbij, een eindeloze lappendeken van boerenbedrijven onder een grijze winterhemel. Ik mag met Peikwen mee naar de plek waar de kruiden vandaan komen, op voorwaarde dat ik niet de volledige namen en de locatie van de telers onthul, want dat is bedrijfsgeheim voor de Chengs en hun partner Sun Ten, een Taiwanese handel in geneeskrachtige kruiden.

Dit deel van China is zo vlak als een tafelblad, met zover het oog reikt keurig geploegde akkers. Inspelend op de toenemende internationale vraag naar kruidenmiddelen reserveren de Chinese boeren steeds meer grond voor de teelt van honderden soorten geneeskrachtige planten. In 2017 bedroeg de omzet van de Chinese kruidenproductie zo’n 22 miljard euro.

Timelapse-video laat zien wat er allemaal in een traditionele Chinese kruidenthee gaat
Timelapse-video laat zien wat er allemaal in een traditionele Chinese kruidenthee gaat
In een traditionele apotheek in Chengdu in China worden hoeveelheden van een geneeskrachtig kruidenmengsel geprepareerd, dat helpt tegen de zomerse hitte en vochtigheid. Thuis trekken de patiënten er thee van, en drinken die op.

Maar voordat u uw baan eraan geeft om kruidenboer te worden: er is één probleem. Het telen van kruiden die aan alle medicinale kwaliteitseisen voldoen is extreem moeilijk. De werkzaamheid van de kruiden kan sterk variëren, afhankelijk van allerlei factoren zoals mineralen in de bodem, de hoogte van de akkers, het moment en de manier van oogsten. En dan zijn er óók nog verschillen tussen ondersoorten die er soms exact hetzelfde uitzien en toch een andere chemische samenstelling hebben.

Het heeft onder meer met deze complicerende factoren te maken dat de FDA slechts twee kruidenmiddelen heeft goedgekeurd, een zalf tegen genitale wratten op basis van groene thee en een remedie tegen diarree gemaakt uit het sap van de Zuid-Amerikaanse drakenbloedboom. Maar die middelen bevatten slechts één plantaardig ingrediënt en PHY906 wel vier, waardoor meer variabelen moeten worden gecontroleerd om de kwaliteit constant te houden.

Als we bij een van de grondstoffenleveranciers voor PHY906 zijn aangekomen, ben ik wat teleurgesteld. De boer, Chen, spreekt dan wel Mandarijn, maar verder is er weinig oosters aan de man. Hij draagt een honkbalpet en een stevige parka en haalt zijn iPhone tevoorschijn om de Chinese naam van zijn gewas in het Engels te laten vertalen. ‘Peony,’ zegt Siri – ‘pioen’.

Terwijl we over zijn land lopen, vertelt hij over gewasrotatie, analyse van bodem- en watermonsters en voorschriften voor planten en oogsten. Voordat hij de planten verzendt, zegt hij, komen mensen van Sun Ten langs om ze te testen: of het wel het juiste gewas is, of er geen beestjes op zitten, of ze geen gif of zware metalen bevatten enzovoorts.

Je kent de uitdrukking: van de boer naar het bord?’ zegt Peikwen. ‘Hier is het: van de boer naar het bed.’

Mooie marketingbabbel, zeg ik. Het is gewoon wáár, antwoordt Chen. ‘De meeste producenten van kruidenmiddelen kopen niet bij telers als ik. Die halen hun kruiden uit Bozhou.’

n een kliniek in Beckley, West Virginia, krijgt Jeff Hendricks acupunctuur en moxatherapie tegen pijn die hij heeft overgehouden aan zijn vier jaar militaire dienst. Hij heeft hersenletsel, uitpuilende nekwervels, hielspoor, hoofdpijn, gevoelloze handen en PTSS. Door de behandeling heeft hij minder behoefte aan reguliere medicijnen.

Als je Chinese kruiden koopt via een webwinkel, is de kans groot dat ze afkomstig zijn uit Bozhou, een oostelijke stad die het middelpunt vormt van de wereld van de Chinese geneeskunde. Hier verkopen tienduizend handelaren dagelijks duizenden verschillende producten aan dertigduizend klanten uit heel Zuidoost-Azië, in een reusachtig gebouw dat doet denken aan een overdekt voetbalstadion.

Op de ochtend dat ik er ben, is het een en al schreeuwerige bedrijvigheid. Ik zigzag door eindeloze gangpaden van het ene zaakje naar het andere, elk tot de nok volgestouwd met vaten, zakken, pallets en kruiwagens die uitpuilen van producten gemaakt van alle mogelijke planten, beesten en mineralen op aarde – zelfs rariteiten als hertenpenissen, menselijke placenta’s, waterbuffelbeenderen en gedroogde zeepaardjes.

Vrijwel elk denkbaar kruid is hier te krijgen, alleen kan niemand me vertellen waar ze vandaan komen of hoe ze zijn geteeld. De vier kruiden die in PHY906 zitten heb ik zo gevonden, maar men weet weinig over de herkomst.

Voor ik vertrek, trekt een vitrine met een rij flesjes met een gelige vloeistof erin mijn speciale aandacht. Als ik vraag wat het is, laat de verkoper zijn buurman als tolk fungeren. ‘Van beer genomen,’ zegt de buurman. ‘Is heel goed.’

Bij een vuurbehandeling wordt een in alcohol gedrenkte doek over de patiënt gelegd en aangestoken om de huid te verwarmen en de poriën te openen. Daarna wordt de huid ingesmeerd met kruidenolie. De methode dient tegen onder meer gewrichtspijn, maar de werking ervan is niet wetenschappelijk aangetoond.

Paul Iaizzo houdt van beren. Als hoofd van het Visible Heart Lab aan de University of Minnesota bestudeert hij de unieke lichaamsfuncties van deze dieren, en onderzoekt hij hoe ze tijdens hun winterslaap functioneren. Hij somt een waslijst aan raadsels op die er bestaan rond beren. Zo kunnen de dieren wel een halfjaar niets doen zonder dat het ze schaadt. Ze hebben genoeg aan twee keer ademhalen per minuut.

Hun lichaamstemperatuur kan met tien procent dalen zonder dat ze onderkoeld raken, zoals bij een mens zou gebeuren. Hun hart kan twintig seconden stilstaan zonder dat hun bloed klontert, terwijl bij de mens al na een paar seconden dodelijke bloedproppen kunnen ontstaan. En als er ineens een vijand opduikt, is de beer meteen klaarwakker om zijn hol te verdedigen. ‘Zonder dat zijn hart er last van heeft,’ zegt Iaizzo.

De vroegste vermelding van berengal in de Chinese literatuur is te vinden in een veertigdelig werk uit de achtste eeuw, De geneeskundige geheimen van een gezagsdrager. Daarin wordt berengal aanbevolen tegen onder meer leverproblemen, koorts en bloedingen. In 1902 wist een Zweedse geleerde een van de werkzame stoffen uit berengal te isoleren; ursodeoxycholzuur, zoals het ging heten, wordt nu gebruikt in medicijnen tegen leverziekten en galstenen.

Maar onderzoekers als Iaizzo zijn ervan overtuigd dat er meer geheimen schuilen in berengal, dat wordt aangemaakt in de lever, opgeslagen in de galblaas en als hormonen in de bloedbaan terechtkomt. Ze hebben allerlei mogelijke toepassingen, bijvoorbeeld in de behandeling van spierdystrofie of van bedlegerige patiënten, die in drie weken de helft van hun spiermassa kunnen kwijtraken.

Iaizzo onderscheidt drie groepen bestanddelen in berengal die een rol spelen bij de winterslaap en gunstig zouden kunnen zijn voor hartpatiënten: vetzuren, galzuren en deltaopioïden. Bij het experiment met het varken spuit hij een synthetisch mengsel van deze stoffen in het beschermende vlies rond het kloppende hart en laat dat een uur intrekken voordat hij het orgaan uit het lichaam neemt.

Farmacologen op Yale hebben in het lab deze schimmel (Ganoderma tsugae) gekweekt, die bij dieren darmtumoren blijkt te laten slinken. Hoogleraar Cheng Yung-Chi: ‘De Chinezen gebruiken al eeuwenlang kruiden. De uitdaging voor wetenschappers is te achterhalen welke recepten werken en waardoor.’

Honderden van dit soort proeven heeft hij uitgevoerd, waarbij varkensharten – die veel over- eenkomst vertonen met mensenharten – tot wel twee keer zo lang als normaal intact blijven buiten het lichaam. Dat biedt legio mogelijkheden bij de mens. Een van de belangrijkste is het langer goed houden van donorharten en ze sneller op gang krijgen in het lichaam van de ontvanger. Nu moet een hart binnen zes uur worden getransplanteerd. Jaarlijks sterven in de VS driehonderd mensen die op de wachtlijst staan voor een donorhart. In Nederland waren dat er vijftien in 2017.

‘Als we een hart 24 uur goed kunnen houden, kan het over de hele wereld worden vervoerd,’ zegt Iaizzo. ‘En er zouden veel meer organen beschikbaar komen. Dat zou echt een enorme vooruitgang zijn.’

Ik vraag of het echt gezond is om berengal te drinken, zoals de Chinezen doen. ‘Dat zou best kunnen,’ zegt hij, waarna hij vertelt dat de werkzame stoffen via de bloedbaan in het hart en de andere organen terechtkomen. Iaizzo is tegen het houden van beren om hun gal af te tappen, omdat de bestanddelen ook synthetisch kunnen worden gemaakt, maar de werkzaamheid is wetenschappelijk bewezen. En al begrepen de oude Chinezen niet waarop de werking van berengal berustte, ze zagen wel dat mensen er beter van werden.

Het varkenshart in mijn hand begint langzamer te kloppen, totdat het uiteindelijk helemaal stilvalt. Het varken is al uren dood, nu pas heeft ook zijn hart het begeven. De kleur lijkt te vervagen – als een goudmakreel die zijn gele gloed verliest in de handen van een visser. Misschien is wat er nu is verdwenen, wel wat de oude Chinezen bedoelden met qi.

Ik denk terug aan het moment in het ziekenhuis dat ik mijn vaders hand vasthield en zijn polsslag ten slotte voelde stoppen. Ineens ben ik me bewust van mijn eigen hart, dat samentrekt en ontspant, en verwonder ik me over de andere raadsels die erin besloten liggen.

Peter Gwin schreef eerder een reportage over valkeniers in National Geographic (oktober 2018). Fritz Hoffmann fotografeert al 25 jaar in China.

Lees meer